Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8734

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
200700734/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 23 februari 1999 heeft appellante bij het college van burgemeester en wethouders van Weert (hierna: het college) een aanvraag ingediend om ontheffing als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Woonwagenwet, voor het innemen van een standplaats met haar woonwagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700734/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2057 van de rechtbank Maastricht van 20 december 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Kamer uit Gedeputeerde Staten van Limburg voor de behandeling van administratieve geschillen.

1.    Procesverloop

Bij brief van 23 februari 1999 heeft appellante bij het college van burgemeester en wethouders van Weert (hierna: het college) een aanvraag ingediend om ontheffing als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Woonwagenwet, voor het innemen van een standplaats met haar woonwagen.

Bij brief van 3 april 2003 heeft het college gereageerd.

Bij brief van 13 augustus 2004 heeft appellante administratief beroep ingesteld bij de Kamer uit Gedeputeerde Staten van Limburg voor de behandeling van administratieve geschillen (hierna: de Kamer) tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag.

Bij besluit van 1 november 2004 heeft de Kamer dit beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Daartoe op de voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid gesteld, heeft het college bij brief van 2 maart 2007 een memorie ingediend.

Bij brief van 5 maart 2007 heeft de Kamer van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2007, waar appellante in persoon en bijgestaan door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, de Kamer, vertegenwoordigd door mr. M.P.T. Rongen, ambtenaar in dienst van de provincie, en het college, vertegenwoordigd door H.L.M.G. Creemers, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel IX, vijfde lid, van de Wijzigingswet Huisvestingswet blijven ten aanzien van aanvragen om ontheffing als bedoeld in artikel 10 van de Woonwagenwet, waarop voor de inwerkingtreding van deze wet - op 1 maart 1999 - nog niet is beslist, de daarop betrekking hebbende voorschriften van de Woonwagenwet van toepassing.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Woonwagenwet is het verboden met een woonwagen een standplaats te hebben buiten een centrum. Op een daartoe strekkende aanvraag kunnen burgemeester en wethouders ontheffing van dit verbod verlenen.

   Ingevolge artikel 10a, tweede lid, gelezen in samenhang met het eerste lid en artikel 10, eerste lid, kunnen belanghebbenden tegen een besluit omtrent ontheffing beroep instellen bij gedeputeerde staten.

   Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

   Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is, indien een bezwaar of beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, dit niet aan een termijn gebonden.

   Ingevolge het derde lid wordt het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk verklaard indien het bezwaar- of beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

2.2.    De Kamer heeft het administratief beroep van appellante tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Aan dit besluit heeft zij ten grondslag gelegd dat het college bij brief van 3 april 2003 op de aanvraag om ontheffing heeft beslist en dat appellante tegen dit besluit niet tijdig administratief beroep heeft ingesteld. De Kamer heeft geen grond gezien om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

   De rechtbank heeft dit besluit vernietigd omdat het is genomen in strijd met artikel 172, tweede lid, van de Provinciewet. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze beslissing heeft de rechtbank primair gebaseerd op het oordeel dat appellante niet tijdig is opgekomen tegen de beslissing van 3 april 2003 en subsidiair, mocht die beslissing geen besluit zijn, op het oordeel dat appellante onredelijk laat administratief beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag.

2.3.    Appellante betoogt met succes dat de brief van het college van 3 april 2003 niet kan worden aangemerkt als een besluit op haar aanvraag om ontheffing van 23 februari 1999. Uit deze brief, waarin het college heeft medegedeeld dat een ontheffing krachtens artikel 10 van de Woonwagenwet in haar geval niet aan de orde is, omdat een dergelijke ontheffing betrekking heeft op het innemen van een standplaats buiten een regulier terrein voor standplaatsen met woonwagens, kan niet worden afgeleid dat het college aldus beoogd heeft afwijzend te beslissen op de aanvraag van appellante. In dit oordeel betrekt de Afdeling dat deze brief geen herkenbaar besluit behelst. Voorts ontbreekt een rechtsmiddelenclausule.

2.4.    Het bovenstaande leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Hoewel aan appellante moet worden toegegeven dat het college had moeten beslissen op haar aanvraag, had zij de mogelijkheid om tegen het uitblijven van een besluit administratief beroep in te stellen. Appellante heeft gewezen op haar brief van 18 februari 2003 aan het college waarin ze het college heeft verzocht alsnog een besluit te nemen op haar aanvraag van 23 februari 1999, doch het had op haar weg gelegen om eerder dan eerst in februari 2003 ofwel zich met een dergelijk rappel tot het college te wenden, ofwel administratief beroep in te stellen tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag. De Afdeling verenigt zich met het subsidiaire oordeel van de rechtbank dat appellante, door pas op 13 augustus 2004 administratief beroep in te stellen, onredelijk laat is opgekomen tegen het uitblijven van een besluit. Dat appellante heeft gecorrespondeerd met het college doet hier niet aan af, nu deze correspondentie ziet op de toewijzing van reguliere standplaatsen en niet op een ontheffing als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Woonwagenwet. De Kamer heeft het administratief beroep van appellante dan ook terecht, zij het op andere gronden, niet-ontvankelijk verklaard.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Den Broeder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

301-512.