Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8723

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
200609359/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2006 heeft verweerster het verzoek van appellante de uitkeringskosten voortvloeiende uit het ontslag van een leerkracht ten laste van het Participatiefonds te brengen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200609359/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting H3o", gevestigd te Dordrecht,

appellante,

en

de stichting 'Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs',

verweerster.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2006 heeft verweerster het verzoek van appellante de uitkeringskosten voortvloeiende uit het ontslag van een leerkracht ten laste van het Participatiefonds te brengen, afgewezen.

Bij besluit van 23 november 2006, heeft verweerster het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 januari 2007.

Bij brief van 20 maart 2007 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door, mr. W.F. de Waardt-ten Heuvelhof, en drs. W.J. Krajenbrink, en verweerster, vertegenwoordigd door mr. L.G. Kok, werkzaam bij verweerster, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.        Ingevolge artikel 33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de WVO), worden leraren door het bevoegd gezag benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming. Om tot leraar te kunnen worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming dient de betrokkene in het bezit te zijn van een bewijs van bekwaamheid voor het door hem aan die school te geven onderwijs.

        Ingevolge het derde lid van dit artikel kan bij tijdelijke afwezigheid van een leraar ten aanzien van degene, die hem vervangt, telkens voor ten hoogste een jaar worden afgeweken van de eisen, gesteld in het eerste lid onder b en c. Indien in een vacature niet terstond kan worden voorzien door de benoeming of de tewerkstelling zonder benoeming van een leraar die aan de genoemde eisen voldoet, is het bepaalde in de vorige volzin van overeenkomstige toepassing.

       Ingevolge het vijfde lid van dit artikel, zoals dat luidde ten tijde en voor zover hier van belang, is in de gevallen, bedoeld in het derde lid, de toestemming van de inspectie vereist.

       Ingevolge artikel 96o, derde lid, van de WVO, zoals die wet luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, worden op de ingevolge artikel 96m van de WVO vastgestelde vergoeding in mindering gebracht de kosten voor werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel, tenzij de rechtspersoon, bedoeld in artikel 98b van de WVO, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van die kosten.

       Ingevolge artikel 98b, eerste lid, van de WVO, voor zover hier van belang, is het bevoegd gezag van een school aangesloten bij een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel.

       Ingevolge artikel 98b, vierde lid, van de WVO, voor zover hier van belang, stelt de rechtspersoon regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 96o, derde lid.

2.2.    Verweerster is de in artikel 98b van de WVO bedoelde rechtspersoon. Zij heeft voor het schooljaar 2005-2006 vastgesteld het "Reglement Participatiefonds voor het Voortgezet Onderwijs voor het schooljaar 2005-2006" (hierna: het Reglement), dat blijkens artikel 32 van het Reglement in werking treedt op 1 februari 2005 en betrekking heeft op alle ontslagen die zijn of worden geëffectueerd per of na 1 augustus 2005.

   Ingevolge artikel 1, onder 26, van het Reglement, voor zover hier van belang, wordt onder ontslag verstaan: beëindiging van een dienstverband voor onbepaalde tijd. Het eindigen of beëindiging van een dienstverband voor bepaalde tijd wordt ongeacht de reden met ontslag gelijkgesteld.

   Ingevolge artikel 4.1 van het Reglement rust op het bevoegd gezag de verplichting in redelijkheid datgene te doen wat van hem mag worden verwacht ter voorkoming van werkloosheid, respectievelijk om instroom in een werkloosheidsuitkering van betrokkene te voorkomen.

   Ingevolge artikel 4.4 van het Reglement wordt bij elke melding beoordeeld of aan het in het eerste lid gestelde is voldaan. Indien blijkt dat onvoldoende uitvoering is gegeven aan de in de toelichting genoemde activiteiten, wordt het vergoedingsverzoek afgewezen.

   Ingevolge artikel 4.5 van het Reglement wordt het vergoedingsverzoek afgewezen indien er sprake is van een kennelijke onredelijkheid in het standpunt van het bevoegd gezag, onverminderd het gestelde in artikel 3.

   Ingevolge artikel 9, aanhef en onder a, van het Reglement kan de reden voor ontslag ongeschiktheid voor de functie dan wel het onderwijs, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, zijn.

   Ingevolge artikel 9, aanhef en onder h, van het Reglement kan ontslag op andere gronden een grond voor toewijzing van het vergoedingsverzoek zijn.

   Ingevolge artikel 27 is aan het Reglement een toelichting toegevoegd die deel uitmaakt van het Reglement.

2.2.1.    Blijkens de toelichting op artikel 9, aanhef en onder h, van het Reglement kan ontslag in verband met onbevoegdheid op grond van dit artikellid worden gemeld. De onvermijdbaarheid van het ontslag wordt aangetoond door documenten waaruit blijkt dat de inspecteur dispensatie heeft verleend voor de aanstelling van betrokkene in het jaar voorafgaand aan het ontslag.

2.3.    Verweerster heeft bij besluit van 24 februari 2006 het verzoek van appellante afgewezen op de grond dat zij, na verzoek daartoe, niet tijdig alle gevraagde bescheiden heeft overgelegd, waardoor appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontslag onvermijdbaar was. In de beslissing op bezwaar heeft verweerster dat besluit gehandhaafd op de grond dat het standpunt van appellante kennelijk onredelijk is, nu zij ontslag heeft gemeld op grond van ongeschiktheid, terwijl de desbetreffende leerkracht onbevoegd was om les te geven.

2.4.    Appellante betoogt dat zij een vergoedingsverzoek heeft gedaan op grond van artikel 9, aanhef en onder a, van het Reglement en dat verweerster dan ook ten onrechte de aanvraag heeft beoordeeld op grond van artikel 9, aanhef en onder h, van het Reglement. Daartoe voert zij aan, dat het niet ongebruikelijk is dat er meerdere gronden kunnen zijn voor ontslag en dat deze leerkracht niet is ontslagen vanwege de omstandigheid dat zij niet bevoegd is, maar omdat zij ongeschikt is voor de functie.

2.4.1.    Verweerster heeft bij de beslissing op bezwaar de grondslag van de aanvraag van appellante gewijzigd in een ontslag op grond van artikel 9, aanhef en onder h, van het Reglement. Het stond verweerster evenwel niet vrij de grondslag van het verzoek te wijzigen. Verweerster diende te beslissen op het verzoek van appellante zoals dit door appellante was gedaan.

2.4.2.    Verweerster heeft aan de beslissing op bezwaar tevens ten grondslag gelegd dat de melding van het ontslag op grond van artikel 9, aanhef en onder a, van het Reglement een kennelijke onredelijkheid oplevert in het standpunt van appellante, als bedoeld in artikel 4.5 van het Reglement. Verweerster heeft daartoe gesteld dat het bevoegd gezag een leerkracht heeft ontslagen op een andere grond dan artikel 9, aanhef en onder h, van het Reglement, terwijl deze leerkracht niet voldoet aan de in artikel 33, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVO aan leerkrachten gestelde eisen en derhalve niet bevoegd was tot lesgeven en het bevoegd gezag evenmin beschikte over de ingevolge het vijfde lid van dat artikel vereiste toestemming van de inspectie. De kennelijke onredelijkheid is er volgens verweerster vooral in gelegen dat geen toestemming van de inspectie is gevraagd.

   Niet in geschil is dat de leerkracht op wie het verzoek van appellante betrekking heeft, niet voldeed aan het in artikel 33, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVO vereiste en dat deze derhalve niet bevoegd was tot lesgeven. Evenmin in geschil is dat appellante geen toestemming heeft gevraagd aan de inspectie. Het betoog van appellante dat het vereiste van verkregen toestemming van de inspecteur bij indiensttreding van de desbetreffende leerkracht niet was opgenomen in het Reglement, zodat het niet aan haar zou kunnen tegengeworpen faalt, nu appellante reeds op grond van de WVO gehouden was aan dit vereiste te voldoen en dat vereiste derhalve bij de vraag of sprake is van een kennelijke onredelijkheid in de zin van artikel 4.5 van het Reglement een rol mag spelen. Appellante heeft evenwel aangevoerd dat de inspectie vanaf 1999 zonder enige vorm van onderzoek naar de geschiktheid van de desbetreffende leerkracht toestemming verstrekt. Verweerster heeft niet bestreden dat de inspectie in beginsel, zonder onderzoek naar de geschiktheid van een leerkracht, toestemming verleent. Indien juist is dat de inspectie de toestemming zonder meer verleent en het vragen van toestemming derhalve slechts een formaliteit is zonder enige inhoudelijke toets, kan niet worden volgehouden dat het niet vragen van toestemming aan de inspectie een kennelijke onredelijkheid in het standpunt van appellante jegens verweerster oplevert.

2.4.3.    Gelet op het vorenoverwogene, kan de motivering die aan het besluit ten grondslag is gelegd het besluit niet dragen. Het besluit dient dan ook wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.5.    Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar komt voor vernietiging in aanmerking.

2.6.    Verweerster dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de Stichting Participatiefonds van 23 november 2006, kenmerk BZWPF1761/1398;

III.    veroordeelt de Stichting Participatiefonds tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 660,33 (zegge: zeshonderdenzestig euro en drieëndertig eurocent), waarvan een bedrag groot € 644,00 (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Stichting Participatiefonds aan appellante te worden betaald;

IV.    gelast dat de Stichting Participatiefonds aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeneenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Poot

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

362