Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8722

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
200700153/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2004 heeft appellant (hierna: de Minister) aan [wederpartij] medegedeeld diens aanvraag tot vaststelling van de bij besluit van 9 februari 2004 verleende subsidie niet in behandeling te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 99 met annotatie van N. Verheij

Uitspraak

200700153/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/6224 van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 november 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2004 heeft appellant (hierna: de Minister) aan [wederpartij] medegedeeld diens aanvraag tot vaststelling van de bij besluit van 9 februari 2004 verleende subsidie niet in behandeling te nemen.

Bij besluit, verzonden op 28 juli 2005, heeft de Minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 november 2006, verzonden op 30 november 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Minister bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 4 januari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 februari 2007 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2007, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. A. Ghallit, werkzaam bij de Dienst Regelingen van het ministerie, en [wederpartij], in persoon, en bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, juridisch adviseur bij LTO Noord Advies, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan het bestuursorgaan, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

   Ingevolge artikel 4:44, derde lid, van de Awb kan het bestuurorgaan, indien voor de indiening van de aanvraag tot vaststelling geen termijn is bepaald of de aanvraag na afloop van de daarvoor bepaalde termijn niet is ingediend, het bestuursorgaan de subsidie-ontvanger een termijn stellen binnen welke de aanvraag moet zijn ingediend.

   Ingevolge het vierde lid kan de subsidie, indien na afloop van deze termijn geen aanvraag is ingediend, ambtshalve worden vastgesteld.

2.2.    De Minister betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 juli 2002 in zaak no. 01/1019 (www.rechtspraak.nl - LJN nr.: AE6345) dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de aanvraag tot subsidievaststelling van [wederpartij] ingevolge artikel 4:44, vierde lid, van de Awb ambtshalve had moeten vaststellen in plaats van deze op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb buiten behandeling te stellen.

2.2.1.    Het betoog slaagt. Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevat een algemene regeling voor de behandeling van onvolledige aanvragen door bestuursorganen. In dit artikel noch in de subsidietitel van de Awb zijn aanvragen tot subsidievaststelling van deze regeling uitgezonderd. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de Minister, nu deze op 9 februari 2004 een besluit tot subsidieverlening heeft genomen, de aanvraag tot vaststelling in behandeling had moeten nemen en de subsidie in dit geval ambtshalve had moeten vaststellen.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.4.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] zelf afdoen.

2.5.    Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de Kaderwet LNV-subsidies kan de Minister subsidie verstrekken met betrekking tot activiteiten die in het beleid inzake de landbouw passen.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, voor zover thans van belang, kunnen, onverminderd hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet, bij ministeriële regeling de activiteiten, waarvoor subsidie kan worden verstrekt, nader worden bepaald, alsmede andere criteria voor die verstrekking worden vastgesteld.

   Ingevolge artikel 2, aanhef en onder d, van de krachtens die bepaling vastgestelde Kaderregeling kennis en advies (Stcrt. 2002, nr. 196; hierna: de kaderregeling) kan de Minister ter stimulering van de duurzame ontwikkeling van de agrarische sector op aanvraag subsidie verstrekken aan ondernemers ter zake van het consulteren van deskundigen ten behoeve van het opstellen van plannen gericht op de bedrijfsontwikkeling.

   Ingevolge artikel 12, derde lid, van de kaderregeling gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van:

   a.    een afschrift van een factuur waaruit kan worden opgemaakt op welk tijdstip de activiteit is aangevangen en beëindigd;

   b.    een bankafschrift waaruit de betaling van de in onderdeel a bedoelde factuur blijkt en

   c.    een schriftelijk bewijsstuk waaruit kan worden opgemaakt dat de activiteit daadwerkelijk is verricht.

2.6.    Bij besluit van 9 februari 2004 heeft de Minister [wederpartij] een subsidie verleend voor het opstellen van een ondernemingsplan.

   De Minister heeft [wederpartij] naar aanleiding van de ontvangst van diens aanvraag om subsidievaststelling op 9 november 2004 bij brief van 22 november 2004, voor zover hier van belang, medegedeeld dat een kopie van een bankafschrift bij de aanvraag ontbreekt en hem in de gelegenheid gesteld dit binnen twee weken na dagtekening van deze brief te herstellen.

   Bij besluit van 15 december 2004 heeft de Minister [wederpartij] medegedeeld dat hij de behandeling van diens aanvraag niet in behandeling neemt, omdat de aanvraag wegens het ontbreken van een kopie van een bankafschrift waaruit betaling van de factuur blijkt, onvolledig is.

   Het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar is door de Minister ongegrond verklaard.

2.7.    [wederpartij] betoogt dat de Minister bij de bestreden beslissing ten onrechte zijn besluit van 15 december 2004 heeft gehandhaafd, omdat bij de aanvraag een uitdraai van 'Rabo Telebankieren' is overgelegd waaruit blijkt dat de factuur voor het opstellen van een ondernemingsplan is betaald.

2.7.1.    De door [wederpartij] bij zijn aanvraag overgelegde uitdraai van een overzicht van bij- en afschrijvingen uit 'Rabo Telebankieren' vermeldt het factuurnummer, debiteurnummer en bedrag welke ook zijn vermeld op de factuur betreffende het opgestelde ondernemingsplan. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt hieruit dat de factuur is betaald, zoals ingevolge artikel 12, derde lid, aanhef en onder b, van de kaderregeling is vereist. Dat, zoals ter zitting van de zijde van de Minister is aangevoerd, uit de uitdraai niet blijkt wie de factuur heeft betaald doet daaraan niet af, omdat in de kaderregeling niet is bepaald dat de subsidieaanvrager de factuur op eigen naam dient te voldoen. In het bestreden besluit is in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb onvoldoende gemotiveerd waarom de door [wederpartij] overgelegde uitdraai in dit geval niet als een bankafschrift als bedoeld in artikel 12, derde lid, aanhef en onder b, van de kaderregeling kan worden gezien en derhalve evenmin waarom sprake is van een geval waarin niet is voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.

2.8.    Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd. De Minister dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.9.    De Minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 november 2006 in zaak no. AWB 05/6224;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verzonden op 28 juli 2005, kenmerk 05.1.0051/AG;

V.    veroordeelt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 976,93 (zegge: negenhonderdzesenzeventig euro en drieënnegentig cent), waarvan een gedeelte groot € 966,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan  [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan [wederpartij] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Poot

Voorzitter                    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

85-496.