Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8716

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
200700609/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2006 heeft appellant (hierna: de Minister) de bij besluit van 23 augustus 2005 aan [wederpartij] verleende subsidie ten bedrage van maximaal € 5.625,00 vastgesteld op € 1.896,56.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700609/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06-5980 van de rechtbank Haarlem van 12 december 2006 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2006 heeft appellant (hierna: de Minister) de bij besluit van 23 augustus 2005 aan [wederpartij] verleende subsidie ten bedrage van maximaal € 5.625,00 vastgesteld op € 1.896,56.

Bij besluit, verzonden op 19 juni 2006, heeft de Minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 december 2006, verzonden op 13 december 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Minister bij brief, per faxbericht bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 maart 2007 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2007, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. H. Kockx, werkzaam bij de Dienst Regelingen van het ministerie, en [wederpartij] in persoon zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de Kaderwet LNV-subsidies kan de Minister subsidie verstrekken met betrekking tot activiteiten die in het beleid inzake de landbouw passen.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van die wet, voor zover thans van belang, kunnen, onverminderd hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet, bij ministeriële regeling de activiteiten, waarvoor subsidie kan worden verstrekt, nader worden bepaald, alsmede andere criteria voor die verstrekking worden vastgesteld.

   

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de krachtens die bepaling vastgestelde Kaderregeling kennis en advies (Stcrt. 2002, 196; hierna: de kaderregeling) wordt in deze regeling verstaan onder ondernemer: natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die voor eigen rekening en risico een landbouwbedrijf uitoefent of voornemens is uit te oefenen.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de kaderregeling wordt in deze regeling verstaan onder deskundige: natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die door beroep in het bijzonder bekwaam is een ondernemer te adviseren dan wel de in artikel 2 bedoelde activiteiten uit te voeren.

   Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van de kaderregeling, voor zover hier van belang, kan de Minister ter stimulering van de duurzame ontwikkeling van de agrarische sector op aanvraag subsidie verstrekken aan ondernemers ter zake van het laten verrichten van bedrijfsdoorlichtingen, met uitzondering van kwaliteits- en productcontroles, door deskundigen.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de kaderregeling worden uitsluitend de door deskundigen in rekening gebrachte kosten als subsidiabele kosten aangemerkt.

   Ingevolge artikel 12, derde lid, van de kaderregeling gaat de aanvraag tot subsidievaststelling vergezeld van:

   a.    een afschrift van een factuur waaruit kan worden opgemaakt op welk tijdstip de activiteit is aangevangen en beëindigd;

   b.    een bankafschrift waaruit de betaling van de in onderdeel a bedoelde factuur blijkt, en

   c.    een schriftelijk bewijsstuk waaruit kan worden opgemaakt dat de activiteit daadwerkelijk is verricht.

2.2.    De Minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat vast staat dat [wederpartij] niet zelf de bedrijfsdoorlichting van zijn agrarisch bedrijf heeft verricht, zodat de subsidie ten onrechte lager is vastgesteld dan het bedrag aan verleende subsidie.

2.2.1.    De Afdeling stelt voorop dat de kaderregeling een grondslag biedt voor subsidieverstrekking aan agrarische ondernemers voor het inschakelen van deskundigen met het oog op de ontwikkeling, omschakeling of beëindiging van het landbouwbedrijf. Hierin ligt besloten dat de advisering dient plaats te vinden door een terzake deskundig(e) (rechts)persoon die geen banden met de ondernemer heeft. In het onderhavige geval is hieraan niet voldaan. Het advies is immers uitgebracht door [wederpartij] Agro-Advies v.o.f. aan de ondernemer [wederpartij], terwijl deze laatste tezamen met zijn echtgenote de vennoot is van de v.o.f. Er is daarom geen sprake van advisering door een deskundige die geen banden met de ondernemer heeft. De stelling van [wederpartij] dat de feitelijke werkzaamheden zouden zijn verricht door Edel, wat daar overigens ook van zij, doet hieraan niet af, nu vaststaat dat [wederpartij] de adviseringsopdracht heeft verstrekt aan [wederpartij] Agro-Advies v.o.f. Aldus is in het voorliggende geval geen sprake van een bedrijfsdoorlichting als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de kaderregeling, zodat de Minister zich bij de beslissing op bezwaar terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bedrijfsdoorlichting in strijd met het doel van kaderregeling is uitgevoerd en niet voor subsidie in aanmerking komt. Hetgeen de Minister overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het door [wederpartij] ingestelde beroep ongegrond.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 december 2006 in zaak no. AWB 06-5980;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Poot

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

164-496.