Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8711

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
200609185/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Groen Service Bentwoud" gevestigd te Bleiswijk een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een agrarisch bedrijf met als neventak groen(voer)drogerij, gelegen aan de Hoogeveenseweg 57 te Benthuizen. Dit besluit is op 10 november 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/795
Milieurecht Totaal 2007/750
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200609185/1

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Groen Service Bentwoud" gevestigd te Bleiswijk een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een agrarisch bedrijf met als neventak groen(voer)drogerij, gelegen aan de Hoogeveenseweg 57 te Benthuizen. Dit besluit is op 10 november 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 20 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, beroep ingesteld. Appellanten hebben hun beroep aangevuld bij brief van 16 januari 2007.

Bij brief van 26 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2007, waar [een van de appellanten] in persoon, vertegenwoordigd door mr. C.A.M. Jansen, advocaat te Zoetermeer, en verweerder, vertegenwoordigd door J.H.O. van Noppen en ing. T.M. van Dijk, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.2.    Appellanten voeren aan dat de in het ontwerp-besluit voorkomende voorschriften 2.1 tot en met 2.5, waarin - kort weergegeven - was vastgelegd dat binnen vier maanden na het van kracht worden van de beschikking een haalbaarheidsonderzoek diende te worden uitgevoerd naar de noodzaak van het verhogen van de schoorsteen tot 40 meter boven maaiveld, ten onrechte niet in de revisievergunning zijn opgenomen. Volgens appellanten vloeit de hoogte van 40 meter direct voort uit de bijzondere regeling voor Groenvoerdrogerijen in paragraaf 3.3.A2 van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (hierna: de NeR), waarvan zonder nadere motivering niet mag worden afgeweken.

2.2.1.    Verweerder betoogt dat volgens het geurrapport van PRA Odournet B.V., nr. GSBE06A3, van 5 maart 2006 het drogen van gras en/of luzerne niet leidt tot overschrijding van de in de NeR gestelde norm van een immissieconcentratie van 5 ge/m3 als 98 percentiel ter plaatse van de te beschermen woonbebouwing of andere geurgevoelige objecten. Deze norm is in voorschrift 2.9 vastgelegd.

2.2.2.    Gezien het geurrapport van PRA Odournet B.V heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, dat het voor de bedrijfsactiviteiten van het drogen van gras en luzerne niet nodig is een haalbaarheidsonderzoek te laten uitvoeren naar de noodzaak van het verhogen van de schoorsteen tot 40 meter boven maaiveld. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat de NeR weliswaar uitgaat van een schoorsteen van gemiddeld 40 tot 60 meter hoog, maar geen minimumhoogte van de schoorsteen voorschrijft. Nu evenwel met de in voorschrift 2.9 neergelegde geurnorm een voorschrift is gesteld als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer, is in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer aan de vergunning geen voorschrift verbonden inhoudende dat moet worden bepaald of na de vergunningverlening aan voorschrift 2.9 wordt voldaan. Dit beroepsonderdeel is in zoverre gegrond.

2.3.    Appellanten betogen voorts dat voorschrift 2.16 dat de vergunninghouder verplicht bij overschrijding van de geurnormen bij een nieuw te drogen product maatregelen te onderzoeken en hiervoor een plan van aanpak op te stellen ontoereikend is. Dit voorschrift biedt huns inziens namelijk geen bescherming tegen geuroverlast door sterker geurende producten. Daarvan is volgens appellanten slechts sprake wanneer voorgeschreven zou zijn dat eerst begonnen mag worden met het drogen van een nieuw product nadat goedkeuring van het bevoegd gezag is verkregen op basis van de onderzoeksresultaten.

2.3.1.    Verweerder heeft de voorschriften 2.11 tot en met 2.16 opgenomen, omdat in het geurrapport van PRA Odournet B.V. de verder niet onderbouwde veronderstelling is opgenomen, dat de geuremissie van het drogen van paprikaloof lager is dan die van het drogen van gras waarnaar in het kader van de NeR onderzoek is verricht. In deze voorschriften is aangegeven dat in geval andere producten dan gras en/of luzerne worden gedroogd tijdens een droogproef een geuronderzoek dient te worden uitgevoerd. Indien uit het onderzoek blijkt dat de in voorschrift 2.9 neergelegde geurnorm niet wordt nageleefd, moet onderzoek worden gedaan naar mogelijke maatregelen en moet vervolgens een plan van aanpak worden opgesteld. Het onderzoek en het plan van aanpak dienen ter goedkeuring aan verweerder te worden voorgelegd.

2.3.2.    De Afdeling stelt vast dat de aanvraag om vergunning mede betrekking heeft op het drogen van andere producten dan gras en luzerne. De voorschriften 2.11 tot en met 2.16 voorzien erin dat behoudens een droogproef het drogen van andere producten dan gras en luzerne is toegestaan indien op in deze voorschriften aangegeven wijze is vastgesteld dat het drogen van andere producten mogelijk is zonder overschrijding van de in voorschrift 2.9 gestelde geurnorm. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorschriften 2.11 tot en met 2.16 toereikend zijn uit een oogpunt van het voorkomen dan wel beperken van geurhinder.

2.4.    Appellanten wijzen er op dat naar aanleiding van de ingebrachte zienswijze de afstand tussen de woning [locatie] en de inrichting in het definitieve besluit op 92 meter is vastgesteld in plaats van de afstand van 130 meter in het ontwerp. Omdat de invloed van geluid groter is bij een kortere afstand tussen objecten had verweerder zonder verdere daadwerkelijke meting van (de effecten van) het geluid niet mogen uitgaan van een in 2002 op basis van blijkbaar foutieve informatie verrichte berekening, aldus appellanten.

2.4.1.    Verweerder heeft erop gewezen dat de in het definitieve besluit genoemde afstanden berekend zijn vanaf de inrichtinggrens tot de desbetreffende woning maar dat voor het akoestisch onderzoek de afstand tussen geluidbron en woning bepalend is. Verweerder heeft met behulp van het geautomatiseerd systeem StraGis, dat gebruik maakt van de digitale kaart-ondergrond van de gemeente Rijnwoude, welke overeen komt met de gebruikelijke kadastrale kaarten, het bij het akoestisch onderzoek gebruikte rekenmodel gecontroleerd en heeft geen afwijkingen geconstateerd.

2.4.2.    Naar het oordeel van de Afdeling is voldoende aannemelijk dat in het akoestisch onderzoek van de juiste afstanden is uitgegaan. Verder heeft verweerder de door hem gevolgde benadering voldoende onderbouwd en duidelijk aangegeven in het bestreden besluit. Appellanten hebben geen concrete gegevens verschaft die leiden tot de conclusie dat de in het definitieve besluit vermelde afstanden feitelijk onjuist zijn. Deze grond treft geen doel.

2.5.    Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer aan de vergunning geen voorschrift is verbonden inhoudende dat moet worden bepaald of na de vergunningverlening aan voorschrift 2.9 wordt voldaan. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland van 8 november 2006, kenmerk 9973/06, voor zover in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer aan de vergunning geen voorschriften zijn verbonden inhoudende dat op de in die bepaling aangegeven wijze moet worden bepaald of aan voorschrift 2.9 wordt voldaan en dat de aldus verkregen gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter beschikking gesteld;

III.    draagt het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland op binnen 6 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

IV.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V.    veroordeelt het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Milieudienst West-Holland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de Milieudienst West-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Melse

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

191-209.