Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8710

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
200700405/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft verweerder het verzoek van appellante om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de schietinrichting van de vereniging "Schutterij St. Antonius" (hierna: vergunninghoudster) op het perceel Lochtstraat 8a te Stramproy, gemeente Weert, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700405/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "De Kring, Vereniging voor Cultuur en Milieubehoud", gevestigd te Weert,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft verweerder het verzoek van appellante om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de schietinrichting van de vereniging "Schutterij St. Antonius" (hierna: vergunninghoudster) op het perceel Lochtstraat 8a te Stramproy, gemeente Weert, afgewezen.

Bij besluit van 5 december 2006, verzonden op 7 december 2006, heeft verweerder het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 15 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 2 maart 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellante. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door E.P.H.P.T. Haanen en G.L. Verhagen, en verweerder, vertegenwoordigd door J. Truijen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In de inrichting wordt met buksen op vaste doelen geschoten. Op 23 november 1993 is een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het in werking hebben van de schietinrichting. Bij besluit van 5 juli 2005 heeft verweerder met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer voorschriften behorende bij de op 23 november 1993 aan appellante verleende vergunning ingetrokken en daaraan nieuwe voorschriften verbonden.

2.2.    In vergunningvoorschrift E.3 is, voor zover hier van belang, bepaald dat achter het doel een kogelvanger moet zijn aangebracht.

2.3.    Niet in geschil is dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit werd geschoten zonder kogelvanger, zodat voorschrift E.3 werd overtreden. Gelet hierop was verweerder bevoegd tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen.

2.4.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.    Partijen zijn verdeeld over de vraag of ten tijde van het nemen van het bestreden besluit concreet uitzicht bestond op legalisatie. Volgens appellante is dit niet het geval. Zij betoogt dat door de vergunninghoudster weliswaar een aanvraag om bouwvergunning is ingediend, maar dat zij verwachtte dat deze vergunning niet voor de aanvang van het nieuwe schietseizoen op 1 april 2007 zou worden verleend. Zij vreest daarom dat ook in het nieuwe schietseizoen zonder kogelvanger zal worden geschoten.

2.5.1.    Blijkens het verhandelde ter zitting heeft de vergunninghoudster de schietdoelen niet verwijderd, waardoor de mogelijkheid tot schieten zonder kogelvanger - en derhalve het begaan van overtredingen - aanwezig bleef. Op 23 oktober 2006, dus vóór het nemen van het bestreden besluit, heeft de vergunninghoudster een aanvraag om bouwvergunning voor de kogelvanger ingediend. Ter zitting is gebleken dat voor de kogelvanger vrijstelling dient te worden verleend van het geldende bestemmingsplan. Dit vrijstellingsbesluit was ten tijde van de zitting nog niet genomen. Gezien de duur van de vrijstellingsprocedure was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds te voorzien dat de bouwvergunning voor de kogelvanger niet zou zijn verleend vóór de aanvang van het nieuwe schietseizoen. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat concreet uitzicht op legalisatie bestaat.

2.6.    Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder behoort een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Weert van 5 december 2006, kenmerk ant str 05 bob;

III.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Weert op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Weert tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 38,73 (zegge: achtendertig euro en drieënzeventig cent); het dient door de gemeente Weert aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Weert aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Fransen

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

407-542.