Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8705

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
200700833/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2005 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700833/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/1128 van de rechtbank Assen van 3 januari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen".

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2005 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Bij besluit van 9 augustus 2006 heeft het CBR het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 januari 2007, verzonden op 5 januari 2007, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 29 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 13 februari en 29 maart 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 maart 2007 heeft het CBR van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2007, waar appellant, in persoon, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, juridisch medewerker bij het CBR, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

   Ingevolge artikel 134, eerste lid, voor zover thans van belang, stelt het CBR, na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen bedoeld in artikel 131, tweede lid, van de WVW 1994, de uitslag vast van een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994.

   Ingevolge artikel 134, tweede lid, van de WVW 1994, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

   Ingevolge artikel 134, derde lid, van de WVW 1994, voor zover thans van belang, deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van de betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen.

   Ingevolge artikel 12 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid, aanhef en onder b, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de WVW 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

   In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de regeling) is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.8 bepaald:

   "Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring op basis van een specialistisch rapport geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid."

2.2.    Na een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994, heeft het CBR appellant onderworpen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid. Naar aanleiding van de uitslag van het eerste onderzoek heeft op verzoek van appellant een tweede onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 28 november 2005 heeft het CBR het rijbewijs van appellant ongeldig verklaard voor alle categorieën, omdat uit beide onderzoeken is gebleken dat bij appellant sprake is van alcoholmisbruik en alcoholafhankelijkheid en dat hij derhalve niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.

2.3.    Appellant betoogt in hoger beroep in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte de door hem overgelegde uitslag van een laboratoriumonderzoek van 23 november 2006, verzonden aan de rechtbank bij brief van 28 november 2006, niet heeft meegenomen in haar beoordeling. Volgens appellant blijkt uit deze uitslag dat bij hem geen sprake is van alcoholmisbruik of alcoholafhankelijkheid maar dat hij lijdt aan een leverkwaal.

2.3.1.    Dit betoog slaagt niet. Aan zijn besluit op bezwaar heeft het CBR twee onderzoeken naar de geschiktheid van appellant ten grondslag gelegd. Bij de rechterlijke toetsing van dit besluit wordt uitgegaan van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden op het moment waarop het werd genomen. Nu de in beroep overgelegde brief de uitslag behelst van een laboratoriumonderzoek, gedateerd op 23 november 2006 en derhalve verricht nadat het bij de rechtbank bestreden besluit was genomen, heeft de rechtbank deze brief terecht niet betrokken bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit.

2.4.    Appellant voert voorts aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij al strafrechtelijk is vervolgd wegens het rijden onder invloed en dat hij hierdoor voldoende is gestraft. Appellant heeft naar eigen zeggen zijn leven gebeterd en is afhankelijk van zijn rijbewijs.

2.4.1.    Deze gronden slagen evenmin. Voorop moet worden gesteld dat het in deze zaak niet gaat om een strafrechtelijke procedure, maar om een daarvan los staande bestuursrechtelijke maatregel ter bevordering van de verkeersveiligheid. De strafrechtelijke procedure staat op zichzelf aan het toepassen van een bestuursrechtelijke maatregel als de ongeldigverklaring van het rijbewijs dan ook niet in de weg.

   Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, biedt de regeling geen ruimte voor een afzonderlijke belangenafweging omdat de daarin vervatte bepalingen dwingend voorschrijven dat een rijbewijs ongeldig wordt verklaard indien de uitslag van het onderzoek tot de conclusie leidt dat betrokkene niet voldoet aan de eisen van lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Den Broeder

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

301-512.