Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
200702688/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Bergeijk het bestemmingsplan "Ruimte voor Ruimte Walik" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702688/2.

Datum uitspraak: 28 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1.    [verzoekers sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Bergeijk,

2.    [verzoekers sub 2] en anderen, wonend te [woonplaats], gemeente Bergeijk,

3.    [verzoeker sub 3], wonend te [woonplaats], gemeente Bergeijk,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2006 heeft de gemeenteraad van Bergeijk het bestemmingsplan "Ruimte voor Ruimte Walik" vastgesteld.

Bij besluit van 13 februari 2007, nummer 1212166, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers sub 1 bij brief van 15 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2007, verzoekers sub 2 bij brief van 15 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2007, en verzoeker sub 3 bij brief van 16 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2007, hebben verzoekers sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 15 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2007, hebben verzoekers sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 16 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2007, heeft verzoeker sub 3 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2007, waar ]verzoeker sub 1], bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein, verzoekers sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verzoeker sub 3 zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord de gemeenteraad van Bergeijk, vertegenwoordigd door mr. Th.A.P.S. Duffhues, ambtenaar van de gemeente, de commanditaire vennootschap Ruimte voor Ruimte CV, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het plan maakt de bouw van twintig woningen mogelijk in aansluiting op de bestaande woonbebouwing van het wooncluster Walik nabij de kern Riethoven. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd. Verzoekers bestrijden de goedkeuring van het plan.

2.3.    Verzoekers hebben onder meer de volgende bezwaren van formele aard opgeworpen. Zij voeren aan dat de indieners van zienswijzen ten onrechte niet door de gemeenteraad zelf zijn gehoord. Volgens verzoekers heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet alle bedenkingen per indiener afzonderlijk beantwoord. Verzoekers stellen voorts dat de publicatie van het goedkeuringsbesluit onregelmatig is geschied.

2.3.1.    De Voorzitter overweegt dat er geen wettelijke bepaling bestaat die eist dat het horen door de voltallige gemeenteraad geschiedt. Ten aanzien van de behandeling van bedenkingen overweegt de Voorzitter dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat verweerder de bedenkingen samengevat weergeeft of voor zijn beoordeling verwijst naar hetgeen hij over de bedenkingen van anderen heeft overwogen. De aangevoerde omstandigheid is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit niet voldoende is gemotiveerd.

Met betrekking tot het bezwaar over de publicatie van het goedkeuringsbesluit, stelt de Voorzitter vast dat de door verzoekers gestelde onregelmatigheid, wat daar ook van zij, dateert van na het nemen van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van dat besluit niet kan aantasten.

Gelet op het vorenoverwogene en ook overigens ziet de Voorzitter in de formele bezwaren van verzoekers geen aanleiding voor de verwachting dat de beroepen in de bodemprocedure gegrond zullen worden verklaard.

2.4.    Ten aanzien van de in het plan mogelijk gemaakte woningbouw voeren verzoekers, samengevat weergegeven, het volgende aan. Het plan is in strijd met het streekplan met inbegrip van het beleid aangaande Ruimte voor Ruimte, alsmede met het voorgaande bestemmingsplan. Verzoekers betogen verder dat het plan onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor hun eigen woon- en leefklimaat omdat het leidt tot onveilige situaties en een aantasting van de privacy. Voorts stellen verzoekers dat de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken wat betreft archeologische waarden, bodemverontreiniging, asbest, natuurwaarden, flora en fauna ondeugdelijk en onvolledig zijn.

2.4.1.    Voorshands ziet de Voorzitter in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd geen grond voor de juistheid van hun stelling dat het plan in strijd is met het streekplanbeleid. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het wooncluster Walik een bebouwingscluster betreft in de zin van de regeling Ruimte voor Ruimte zoals uiteengezet in paragraaf 3.6.2 van het Streekplan Noord-Brabant 2002 "Brabant in balans". Ook overigens doet zich geen strijdigheid met de criteria voor de toepassing van het beleid inzake Ruimte voor Ruimte voor.

Ten aanzien van de aspecten archeologie, bodem, asbest, natuurwaarden en flora en fauna, ziet de Voorzitter in de standpunten van verzoekers geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verrichte onderzoeken zodanig gebrekkig zijn dat verweerder die onderzoeken niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, acht de Voorzitter aannemelijk dat de bouw van de woningen op een afstand van ongeveer 20 meter van de woningen van een aantal van de verzoekers, zal leiden tot een vermindering van het woon- en leefklimaat van deze verzoekers. De Voorzitter acht deze vermindering gelet op de situering van de nieuwe woningen ten opzichte van de bestaande woningen en de voorziene groenstroken met een afschermende functie, niet onredelijk. Hij is voorshands van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van bedoelde verzoekers niet in ernstige mate zal worden aangetast door de bouw van de woningen.

Voor zover verzoekers hebben gewezen op bestaande rechten, onder meer ten aanzien van vrij uitzicht, alsmede strijdigheid met het voorgaande bestemmingsplan overweegt de Voorzitter dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

Wat betreft het standpunt van verzoekers dat elders alternatieve, meer geschikte, locaties voorhanden zijn waar woningbouw in het kader van Ruimte voor Ruimte kan plaatsvinden, overweegt de Voorzitter als volgt. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.5.    Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen de belangen die zijn gediend met inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Bultema, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Bultema

Voorzitter        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2007

400