Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8690

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
200607225/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft verweerder geweigerd aan de [maatschap] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 september 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Wet milieubeheer 8.11
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden
Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden 2
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/780
JOM 2007/530
M en R 2007, 71K
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/4078
Milieurecht Totaal 2007/2312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607225/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Biest-Houtakker, gemeente Hilvarenbeek,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft verweerder geweigerd aan de [maatschap] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer te verlenen voor een veehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 september 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2006, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van verweerder. Dit is aan appellant toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door drs. H.P.W. Havens, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.M. van den Boom, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De aanvraag voor de bij het bestreden besluit geweigerde vergunning heeft betrekking op het houden van 1.600 vleesvarkens en 2.399 rosévleeskalveren, waarvan 1.920 rosévleeskalveren in nieuw te bouwen stallen.

2.2.    Verweerder heeft aan de weigering van de gevraagde vergunning ten grondslag gelegd dat het voor de nieuw te bouwen vleeskalverenstallen aangevraagde traditionele stalsysteem niet overeenkomt met de beste beschikbare technieken. Volgens verweerder moeten chemische luchtwassers met een emissiereductie van 90% worden aangemerkt als de voor deze stallen in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Verweerder heeft aan de weigering voorts ten grondslag gelegd dat ten aanzien van een aantal in de omgeving van de inrichting nog te bouwen woningen niet wordt voldaan aan de op grond van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) aan te houden afstand. Volgens verweerder betreft de bouw van deze woningen een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer.

2.3.    Appellant voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het in de nieuw te bouwen vleeskalverenstallen toe te passen stalsysteem niet overeenkomt met de daarvoor in aanmerking komende beste beschikbare technieken. Appellant betwist dat chemische luchtwassers overeenkomen met de beste beschikbare technieken. Verder stelt hij dat het aangevraagde stalsysteem een algemeen gebruikte en acceptabele techniek voor het houden van vleeskalveren is.

2.4.    Daargelaten de juistheid van het standpunt van verweerder dat chemische luchtwassers in dit geval overeenkomen met de beste beschikbare technieken, is de Afdeling van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het aangevraagde stalsysteem niet is gebaseerd op de beste beschikbare technieken. De Afdeling acht in dat verband van belang dat, zoals appellant stelt en door verweerder niet is betwist, het aangevraagde stalsysteem een in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort algemeen gebruikte en geaccepteerde techniek is. De enkele omstandigheid dat toepassing van een chemische luchtwasser mogelijk is, betekent dan niet dat het aangevraagde stalsysteem niet overeenkomt met de beste beschikbare technieken. Hierbij overweegt de Afdeling nog dat ten aanzien van andere categorieën vee, zoals varkens en pluimvee, toepassing van een chemische luchtwasser evenmin vereist is om een stalsysteem aan te kunnen merken als de beste beschikbare technieken. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.    Appellant betwist dat de bouw van de door verweerder genoemde woningen een redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling is als bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer.

2.6.    Onbestreden staat vast dat de Wet stankemissie op de inrichting van toepassing is. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet stankemissie dient verweerder bij de beslissing omtrent verlening van de gevraagde vergunning de stankhinder uitsluitend te betrekken op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 6 van de Wet stankemissie. De in het tweede lid van artikel 2 genoemde uitzonderingen hierop zijn thans niet aan de orde. In de Wet stankemissie is artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Evenmin is in de Wet stankemissie anderszins de mogelijkheid geboden om bij de beoordeling of wordt voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 6 voor vergunningverlening geldende voorwaarden rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen in het gebied waarin de inrichting is gelegen. Naar het oordeel van de Afdeling is het dan ook niet mogelijk om bij die beoordeling met dergelijke ontwikkelingen rekening te houden. Gelet hierop, is de weigering van de vergunning in zoverre in strijd met de Wet stankemissie.

2.7.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek van 29 augustus 2006;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 671,93 (zegge: zeshonderdeenenzeventig euro en drieënnegentig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Hilvarenbeek aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Hilvarenbeek aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Leeuwen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

373-462.