Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8686

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
200608827/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college) aan [vergunninghouder A] een vergunning verleend voor het maken van een uitweg van drie meter breed ten behoeve van het pand [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200608827/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1582 van de rechtbank Almelo van 2 november 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college) aan [vergunninghouder A] een vergunning verleend voor het maken van een uitweg van drie meter breed ten behoeve van het pand [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 2 februari 2005 heeft het college aan [vergunninghouder B] een vergunning verleend voor het verbreden van de bestaande uitweg met twee meter.

Bij besluit van 10 november 2005 (hierna: besluit I) heeft het college het door appellanten tegen de besluiten van 20 februari 2003 en 2 februari 2005 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 17 maart 2006 (hierna: besluit II) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2005 alsnog ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door appellanten tegen besluit I ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2005 niet-ontvankelijk is verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd, dit beroep voor het overige ongegrond verklaard en het beroep tegen besluit II eveneens ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 7 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 januari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 maart 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2007, waar het college, vertegenwoordigd door A.A.J.M. Roosendaal, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Tevens is verschenen [vergunninghouder B]. Appellanten zijn niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2.1.5.3, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2004 van Almelo (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het college:

a. een uitweg te maken naar de weg;

b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van:

a. de bruikbaarheid van de weg;

b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

2.2.    [vergunninghouder A] heeft op 30 september 2002 een aanvraag ingediend voor het maken van een uitweg voor zijn woning. Bij besluit van 20 februari 2003 heeft het college hiervoor vergunning verleend. Op 15 april 2004 heeft [vergunninghouder B] een aanvraag ingediend voor de verbreding van deze uitweg met 2 meter. Het college heeft bij besluit van 2 februari 2005 hiervoor vergunning verleend. Op 21 april 2005 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen beide besluiten.

2.3.    Het college heeft appellanten bij besluit I niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaren tegen de besluiten van 20 februari 2003 en 2 februari 2005 wegens overschrijding van de termijn voor het maken van bezwaar. Daartoe heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de besluiten weliswaar niet zijn gepubliceerd, noch aan appellanten ter kennis gebracht, maar dat appellanten in of rond november 2002 kennis hadden kunnen nemen van de aanleg van de uitweg en in of rond augustus 2004 van de verbreding van de uitweg, zodat ze zo spoedig mogelijk nadien bezwaar hadden moeten maken.

   Bij besluit II heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2005 alsnog ontvankelijk, maar ongegrond verklaard. Hiertoe heeft het overwogen dat appellanten zich bij brief van 7 maart 2004 tot de gemeente hebben gewend met vragen over de gang van zaken rond de verlening van de uitwegvergunning van 20 februari 2003 en over het gebruik van de uitweg sedert januari 2004 voor het parkeren van een grote marktwagen. Ten tijde van deze brief, die door het college alsnog als bezwaarschrift is aangemerkt, was de verbreding van de uitweg ten behoeve van dat gebruik weliswaar nog niet aangevraagd, maar volgens het college valt niet uit te sluiten dat appellanten door de onjuiste informatie over de mogelijkheden van bezwaar in zijn antwoordbrief van 29 maart 2004 hebben nagelaten bezwaar te maken tegen de verbreding van de uitweg in augustus 2004. Ten aanzien van de verbreding is het college bij nader inzien van mening dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, zodat het bezwaar inhoudelijk dient te worden behandeld. Het bezwaar is vervolgens ongegrond verklaard. Een uitweg bij een woning heeft weliswaar standaard een breedte van drie meter, maar kan worden verbreed als dat in bijzondere gevallen nodig is. Volgens het college is de verbreding in dit geval nodig voor het veilig in- en uitmanoevreren van de marktwagen van de [vergunninghouders].

2.4.    Appellanten betogen allereerst dat de rechtbank er zelf vanuit is gegaan dat de vergunning voor de aanleg van de uitweg pas vier maanden na de feitelijke aanleg hiervan is verleend en dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank vervolgens heeft overwogen dat het college appellanten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaar tegen dit besluit van 20 februari 2003.

2.4.1.    Appellanten, belanghebbenden, niet zijnde de aanvragers, zijn van het verlenen van de vergunning niet schriftelijk op de hoogte gesteld. Ook heeft geen publicatie in een huis-aan-huisblad plaatsgevonden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 juli 2005 in zaak no. 200501517/1 dienen belanghebbenden in zo'n geval binnen twee weken nadat zij van het bestaan van het besluit op de hoogte zijn geraakt, hun bezwaren kenbaar te maken. Hiervoor is voldoende dat zij kennis hebben kunnen nemen van de strekking van het besluit. Uit de stukken, in het bijzonder de brief van 7 maart 2004, blijkt dat het appellanten in de zomer van 2003 duidelijk is geworden dat de in november 2002 gerealiseerde uitweg door het college was vergund, doch dat zij zich bij de ontstane situatie hebben neergelegd zolang op de uitweg slechts een bestelbus werd geparkeerd. Ook nadat het college voormelde brief als bezwaarschrift tegen het besluit van 20 februari 2003 had aangemerkt, hield dan ook stand het oordeel dat appellanten tegen dat besluit niet tijdig bezwaar hebben gemaakt. Daarbij is van belang dat, wat er ook zij van de omstandigheid dat de aanleg van de uitweg in het onderhavige geval al had plaatsgevonden voor de vergunningverlening, appellanten pas bij brief van het college van 29 maart 2004 in verwarring kunnen zijn geraakt omtrent de zin van het maken van bezwaar. De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het college appellanten in zoverre terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaren.

2.5.    Ten aanzien van het bezwaar tegen de verbreding van de uitweg is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het nieuwe standpunt van het college dat de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar moet worden geacht, juist is.

2.6.    Appellanten verwijzen in hoger beroep naar de uitspraak van de rechtbank van dezelfde datum met registratienummer 05/1583 waarin ten aanzien van hun verzoek om handhavend op te treden tegen het bedrijfsmatig gebruik van het perceel door de [vergunninghouders] is overwogen dat het parkeren van een bestelbusje en een marktwagen en de opslag van goederen op het perceel moeten worden aangemerkt als bedrijfsmatig ondernomen activiteiten die in strijd zijn met de woonbestemming. Volgens appellanten moet artikel 2.1.5.3 van de APV zo worden gelezen dat het bedoelde gebruik van de weg moet strekken tot een legaal gebruik van het perceel. Bij illegaal gebruik moet, zo betogen appellanten, een vergunning worden geweigerd. Nu [vergunninghouders] juist ten behoeve van illegale activiteiten moeten manoeuvreren met de marktwagen en de verbreding van de uitweg derhalve strekt tot ondersteuning van die illegale activiteiten, heeft de rechtbank in onderhavige zaak niet onderkend dat het college hiervoor ten onrechte vergunning heeft verleend, aldus appellanten.

2.6.1.    De Afdeling is van oordeel dat de in artikel 2.1.5.3, derde lid, van de APV neergelegde weigeringsgronden betrokken zijn op het verantwoord gebruik van de openbare weg waarnaar de beoogde uitweg leidt en op het uiterlijk aanzien en de groenvoorzieningen in de omgeving, doch niet op de planologische toelaatbaarheid van de activiteiten op het betrokken perceel ten dienste waarvan de uitweg mede staat. Niet valt in te zien dat het enkele in- en uitmanoeuvreren met de marktwagen, daargelaten de bestemming daarvan, onverantwoord gebruik van de weg oplevert dat een beroep rechtvaardigt op de gronden a en b van voormelde APV-bepaling. De door de rechtbank geconstateerde strijd met het bestemmingsplan betreft derhalve geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.1.5.3, derde lid, van de APV, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid kon overgaan tot verlening van de vergunning.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

419