Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8682

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
200606394/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde (hierna: het college) appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast om vóór 1 februari 2006 de permanente bewoning van hun recreatiewoning op het perceel [locatie] te Zeewolde (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606394/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/211 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 juli 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde (hierna: het college) appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast om vóór 1 februari 2006 de permanente bewoning van hun recreatiewoning op het perceel [locatie] te Zeewolde (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 21 december 2005 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 29 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 oktober 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn bij brief van 20 april 2007 nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan het college toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2007, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. P. Katz, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Hoogendoorn en mr. D.J. Westhoven, beiden werkzaam bij MB-ALL B.V., zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het betoog van appellanten dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hun betoog dat geen sprake is geweest van een volledige heroverweging van het bezwaar, leidt, hoewel terecht voorgedragen, niet tot het daarmee beoogde doel. Uit het advies van de commissie bezwaarschriften van 25 oktober 2005, dat door het college in zijn beslissing op bezwaar is overgenomen, blijkt immers dat op grond van alle door appellanten ingediende bezwaren een heroverweging van het primaire besluit heeft plaatsgevonden.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bestemmingsplan "Recreatieterrein Horsterwold 2003" aan het primaire besluit ten grondslag heeft gelegd, terwijl dat bestemmingsplan toen nog niet in werking was getreden. Het besluit van 15 juni 2005 ontbeert derhalve een wettelijke grondslag, aldus appellanten.

2.3.    Dit betoog slaagt niet. Bij besluit van 25 maart 2004 heeft de raad van de gemeente Zeewolde het bestemmingsplan "Recreatieterrein Horsterwold 2003" vastgesteld. Het college van gedeputeerde staten van Flevoland heeft bij besluit van 16 november 2004, voor zover thans van belang, daaraan goedkeuring verleend. Het goedkeuringsbesluit is na afloop van de beroepstermijn van zes weken in werking getreden, nu naast het daartegen ingestelde beroep niet tevens een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend terzake van dat besluit. Derhalve gold ten tijde van het besluit van 15 juni 2005 ter plaatse reeds het bestemmingsplan "Recreatieterrein Horsterwold 2003" (hierna: het bestemmingsplan).

2.4.    Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Verblijfsrecreatie klasse I".

   Ingevolge artikel 1, onder q, wordt in de planvoorschriften onder een recreatiewoning verstaan een gebouw, geen stacaravan zijnde, al dan niet met vaste fundering, dat dient als recreatief verblijf, waarvan de gebruikers hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben.

   Ingevolge artikel 1, onder s, wordt in de planvoorschriften onder recreatief verblijf verstaan verblijf voor recreatie door bij voorkeur wisselende gezinnen of daarmee gelijkstaande personen of groepen van personen, die hun vaste woon- en verblijfplaats elders hebben.

   Ingevolge artikel 1, onder t, wordt in de planvoorschriften onder permanente bewoning verstaan bewoning van een verblijf als hoofdverblijf.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden te gebruiken, te doen of laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan deze gronden en bouwwerken gegeven bestemming.

   Ingevolge artikel 4, derde lid, onder a, van de planvoorschriften wordt onder verboden gebruik als bedoeld in het eerste lid van artikel 6 in elk geval verstaan het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning.

   Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mag het gebruik dat op het moment van het onherroepelijk worden van de voorschriften inzake het gebruik van de bouwwerken, in strijd met de voorschriften van de bouwwerken wordt gemaakt, worden gehandhaafd of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan, naar aard en omvang niet wordt vergroot en mits dit gebruik niet reeds in strijd was met het voorheen voor het gebied geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.5.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat zij ten tijde van de beslissing op bezwaar hun hoofdverblijf in de recreatiewoning hadden. Daartoe betogen zij dat de door het college aangedragen gegevens niet het vermoeden rechtvaardigen dat sprake is van overtreding van de planvoorschriften.

2.6.    De Afdeling overweegt dienaangaande dat het op de weg van het college lag om de voor het vermoeden dat sprake is van een overtreding van de planvoorschriften vereiste feiten vast te stellen. Het was vervolgens aan appellanten om dit vermoeden, indien daartoe aanleiding bestond, te ontkrachten. Bij het ontbreken daarvan dient de rechter in beginsel van de juistheid van de feiten, zoals het college die heeft vastgesteld, uit te gaan.

2.7.    Vast staat dat de recreatiewoning in eigendom toebehoort aan appellanten. Zij stonden met ingang van 14 november 2003 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het perceel. Bij besluit van 2 maart 2004 heeft het college medewerkers van MB-All B.V. op grond van artikel 69 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aangewezen voor de controle op het recreatieterrein "Horsterwold", Bosruiterweg 25 te Zeewolde ten behoeve van het verbod op permanente bewoning. In de rapportages van de gemeentelijke toezichthouder gedurende de periode van 18 maart 2004 tot en met 2 september 2005, onder andere in de voor recreatie minder aantrekkelijke wintermaanden, is melding gemaakt van het volgende: de aanwezigheid van kamerplanten voor de ramen, net als bloemen in een vaas. Verder is gewezen op afwisselend geopende en gesloten gordijnen en de frequente aanwezigheid van de auto van appellanten.

   Het betoog van appellanten dat zij hun hoofdverblijf in Spanje hadden, hebben zij voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom zij het betoog met betrekking tot hun hoofdverblijf in Spanje niet reeds voor de rechtbank hadden kunnen aanvoeren en appellanten dit gelet op de functie van het hoger beroep hadden behoren te doen, dient dit betoog, dat overigens betrekking heeft op omstandigheden van na de beslissing op bezwaar, buiten beschouwing te blijven.

   De door appellanten in hoger beroep overgelegde reisbescheiden bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellanten hun hoofdverblijf ten tijde hier van belang elders hadden, nu die bescheiden slechts betrekking hebben op kortdurende verblijven in het buitenland.

   Ook tegen de door het college overgelegde verklaring van de Belastingdienst dat appellanten voor het belastingjaar 2003 het recreatiewoonverblijf in aanmerking hebben gebracht voor hypotheekrenteaftrek op grond van de Wet inkomstenbelasting - hetgeen blijkens de brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de vaste commissies voor VROM en voor Financiën van de Tweede Kamer der Staten Generaal van 17 augustus 2001 alleen is toegestaan indien de woning de belastingplichtige duurzaam als hoofdverblijf dient - hebben appellanten niet een aannemelijke verklaring ingebracht.

   Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college op grond van deze feiten en omstandigheden aannemelijk mocht achten dat sprake is van permanente bewoning van de recreatiewoning. Hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

2.8.    Anders dan appellanten betogen is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het gebruik van het perceel ten behoeve van permanente bewoning niet valt onder de beschermende werking van artikel 6, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 14 december 2005 in zaak no. 200500107/1, was het gebruik van het perceel ten behoeve van permanente bewoning ook in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan "Horsterwold". Er bestaat thans geen grond voor een ander oordeel.

2.9.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften gelezen in samenhang met artikel 4, derde lid, onder a, van de planvoorschriften, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.10.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.11.    Het in hoger beroep herhaalde beroep op het vertrouwensbeginsel is door de rechtbank terecht en op goede gronden verworpen.

2.12.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart w.g. Klein Nulent

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

218-430.