Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8677

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
200600745/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 19 december 2005 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/528
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600745/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Bont voor Dieren", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 19 december 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 26 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2006, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en verweerder, vertegenwoordigd door E. Kramer en M. van Gils, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar gehoord [vergunninghouder].

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

2.2.    Appellante betoogt dat de vergunningvoorschriften niet waarborgen dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij woningen van derden niet hoger is dan de in de door verweerder bij de vergunningverlening gehanteerde Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) vermelde richtwaarden.    

2.2.1.    In de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor een landelijke omgeving, waarvan in dit geval sprake is, worden richtwaarden van 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode aanbevolen. Blijkens het bestreden besluit is verweerder ervan uitgegaan dat bij woningen van derden wordt voldaan aan deze richtwaarden.

   Bij de voorbereiding van het bestreden besluit is geluidonderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn onder meer neergelegd in een geluidrapport van 18 november 2004, dat bij brief van 29 juni 2005 is aangevuld. In dit rapport is berekend wat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij een viertal controlepunten en bij de dichtstbijzijnde woning van een derde aan de Dr. De Quayweg 57 is. Het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij de woning van een derde is lager dan de richtwaarden voor een landelijke omgeving. In zoverre heeft verweerder kunnen concluderen dat het geluidniveau bij woningen van derden als gevolg van het in werking zijn van de inrichting in overeenstemming kan zijn met de in de Handreiking aanbevolen richtwaarden.

   De in het vergunningvoorschrift 10.2.1 vastgelegde geluidbelastingen bij de controlepunten zijn echter in bepaalde gevallen hoger dan de geluidbelastingen waarmee in het geluidrapport rekening is gehouden. Niet is gebleken dat verweerder heeft onderzocht of bij het toestaan van deze hogere geluidbelasting bij de controlepunten, de geluidbelasting bij de woningen nog steeds in overeenstemming zal zijn met de in de Handreiking aanbevolen richtwaarden. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voorbereid.

2.3.    Verder kan appellante zich niet verenigen met vergunningvoorschrift 10.1.2. Daarin is, kort weergegeven, bepaald dat twaalf keer per jaar bij het ledigen van mestkelders en het uitrijden van de mest meer geluid mag worden veroorzaakt dan in de representatieve situatie. Appellante betoogt dat niet te controleren valt of slechts twaalf keer per jaar gebruik wordt gemaakt van dit voorschrift, nu niet is voorgeschreven dat het legen van de mestkelders van tevoren moeten worden gemeld. Voorts biedt het voorschrift volgens appellante ten onrechte geen geluidnorm waaraan moet worden voldaan tijdens deze activiteiten.

2.3.1.    De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het voor de handhaafbaarheid van het voorschrift noodzakelijk is dat het legen van de mestkelders van tevoren moet worden gemeld. Verder blijkt uit het eerdergenoemde geluidrapport dat het legen van de mestkelders bij de dichtstbijzijnde woning van een derde slechts een zeer geringe verhoging van het geluidniveau meebrengt. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is om ter beperking van geluidhinder bij het legen van de mestkelders verdere voorschriften te stellen.

2.4.    Appellante betoogt tot slot dat de vergunning op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij geweigerd had moeten worden omdat een tot de inrichting behorend dierenverblijf in een zone van 250 meter rond een kwetsbaar gebied ligt.

   Verweerder staat op het standpunt dat de dierenverblijven op meer dan 250 meter afstand van het in de omgeving van de inrichting aanwezige kwetsbare gebied staan. Ter zitting is gebleken dat bij meting van de afstanden op de beschikbare kaarten en tekeningen niet met zekerheid kan worden vastgesteld of dit standpunt juist is. Niet gebleken is dat verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit verdere stappen heeft gezet om de afstand tot het kwetsbare gebied met voldoende zekerheid vast te stellen. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voorbereid.

2.5.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 13 december 2005, kenmerk WM/2328;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Gemert-Bakel aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Gemert-Bakel aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Van der Zijpp

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007

262-468.