Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8158

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
200606497/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2004 hebben mr. E.C.G. Okhuizen en mr. R.L.H. IJzerman (hierna Okhuizen en IJzerman) het door appellant afgelegde tentamen Belastingrecht J Spelproces gewaardeerd met een cijfer vier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 88 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606497/1.

Datum uitspraak: 27 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/5022 van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2004 hebben mr. E.C.G. Okhuizen en mr. R.L.H. IJzerman (hierna Okhuizen en IJzerman) het door appellant afgelegde tentamen Belastingrecht J Spelproces gewaardeerd met een cijfer vier.

Bij besluit van 2 september 2004 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (hierna: het college van beroep) het daartegen door appellant ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juli 2006, verzonden op 26 juli 2006, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 oktober 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 7 maart 2007 en 8 maart 2007 heeft appellant nadere memories ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2007, waar appellant, in persoon, is verschenen. Het college van beroep is, met bericht, niet ter zitting verschenen.

Tijdens de zitting heeft appellant verzocht om wraking van de zitting hebbende Leden van de Afdeling, welk verzoek door een Kamer, bestaande uit drie andere Leden van de Afdeling, bij uitspraak van 13 april 2007 (in zaak no. 200606497/2) is afgewezen.

Bij brieven van 23 maart 2007, 2 april 2007, 4 mei 2007, 16 mei 2007 en 25 mei 2007 heeft appellant nadere memories ingediend.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 31 mei 2007, waar appellant, in persoon, is verschenen. Het college van beroep is, met bericht, niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De door appellant opgeroepen getuige is niet ter zitting verschenen. De Afdeling heeft geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:60 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 39 van de Wet op de Raad van State, de door appellant opgeroepen getuige zelf op te roepen, nu het horen van deze getuige, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Om dezelfde reden heeft de Afdeling evenmin aanleiding gezien om de door appellant ter zitting aangeboden transcriptie van de hoorzitting bij het college van beroep - waarvan overlegging ter zitting vanwege de goede procesorde door de Afdeling is geweigerd - alsnog te doen inzenden.

2.2.    Ingevolge artikel 7.3, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) wordt het initiële onderwijs door de instelling aangeboden in de vorm van opleidingen.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover thans van belang, is een opleiding een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover thans van belang, is aan elke onderwijseenheid een tentamen verbonden.

   Ingevolge artikel 7.12, eerste lid, van de WHW, voor zover thans van belang, stelt het instellingsbestuur ten behoeve van het afnemen van examens en ten behoeve van de organisatie en de coördinatie van de tentamens voor elke door de instelling aangeboden opleiding of voor groepen van opleidingen een examencommissie in.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel benoemt het instellingsbestuur de leden van de examencommissie uit de leden van het personeel die met het verzorgen van het onderwijs in die opleiding of opleidingen zijn belast.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover thans van belang, wijst de examencommissie ten behoeve van het afnemen van de tentamens examinatoren aan. Als examinator kunnen slechts worden aangewezen leden van het personeel die met het verzorgen van het onderwijs in de desbetreffende onderwijseenheid zijn belast alsmede deskundigen van buiten de instelling.

   Ingevolge artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder f, van de WHW kan een betrokkene tegen beslissingen van een examencommissie en examinatoren beroep instellen bij het college van beroep voor de examens.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het beroep, wat de openbare instelling betreft in afwijking van hoofdstuk 7 van de Awb, worden ingesteld ter zake dat een beslissing in strijd is met het recht.

   Ingevolge het vierde lid van dit artikel, voor zover thans van belang, zendt het college van beroep, alvorens het beroep in behandeling te nemen, het beroepschrift aan het orgaan waartegen het beroep is gericht, met uitnodiging om in overleg met betrokkenen na te gaan of een minnelijke schikking van het geschil mogelijk is, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van afdeling 7.3 van de Awb. Ingeval het beroep is gericht tegen een beslissing van een examinator, geschiedt de in de voorgaande volzin bedoelde toezending aan de desbetreffende examencommissie.

   Ingevolge het zesde lid van dit artikel vernietigt het college van beroep - indien het het beroep gegrond acht - de beslissing geheel of gedeeltelijk. Het college is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van de Awb. Het kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het tentamen, het examen, het toelatingsonderzoek, het aanvullend onderzoek of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door het college van beroep te stellen voorwaarden. Het orgaan waarvan de beslissing is vernietigd, voorziet voor zover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van het college van beroep. Het college van beroep kan daarvoor in zijn uitspraak een termijn stellen.

2.3.    Op grond van artikel 7.61, eerste lid, aanhef en onder f, gelezen in samenhang met het tweede lid, van de WHW kan tegen een beslissing van een examinator, inhoudende een beoordeling van een door een student afgelegd tentamen slechts administratief beroep bij het college van beroep worden ingesteld, ter zake dat de beslissing in strijd is met het recht. Door het college van beroep dient te worden getoetst of het besluit in strijd is met enig algemeen verbindend voorschrift of in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel van behoorlijk bestuur en of de examinator bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen. Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 1999 in zaak no. H01.98.1190, AB 1999, 231) staat tegen de door het college van beroep in administratief beroep genomen beslissing beroep op de bestuursrechter open.

2.4.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 13 maart 2002, in zaak no. 200103751/1 (AB 2002, 348 en JB 2002/142), laat artikel 7.61 van de WHW onverlet dat de toetsing door de bestuursrechter van de beslissing van het college van beroep beperkt moet zijn. Ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder e, van de Awb kan immers geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen besluiten, inhoudende een beoordeling van het kennen en kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Deze bepaling staat eraan in de weg, dat door het instellen van beroep tegen een in administratief beroep genomen beslissing van het college van beroep een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een besluit dat als zodanig van de bestuursrechtelijke rechtsbeschermingsweg is uitgezonderd. Dit betekent dat - wat betreft het aan de beslissing op administratief beroep ten grondslag liggende besluit van de examinator - door de bestuursrechter slechts kan worden beoordeeld of het college van beroep zich al dan niet terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de formele voorschriften die bij of krachtens de Awb, de WHW of enige andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan. De toetsing door de Afdeling kan niet rechtstreeks betrekking hebben op de inhoud van de afgelegde proeve van bekwaamheid van appellant.

2.5.    Gelet op dit toetsingskader, kan hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de inhoud van het door hem afgelegde tentamen Belastingrecht J Spelproces dan ook niet leiden tot gegrondbevinding van het hoger beroep.

2.6.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van beroep ten onrechte niet heeft beslist op het door hem ingestelde administratieve beroep tegen de beslissing van de examencommissie Fiscale economie, inhoudende dat zijn verzoek van 19 april 2004 om een schikkingspoging met medewerking van een fiscaaleconomisch geschoolde bestuurs(fiscaal)jurist niet is ingewilligd.

2.6.1.    Dit betoog faalt. De Afdeling is van oordeel dat het besluit van 2 september 2004 niet anders kan worden opgevat dan dat ook is beoogd te beslissen op het administratieve beroep dat appellant heeft ingesteld tegen de voormelde beslissing van de examencommissie Fiscale economie. Vast staat voorts dat door mr. Sanders op 15 en 19 april 2004 een poging tot schikken is gedaan. De rechtbank heeft mitsdien terecht overwogen dat overeenkomstig artikel 7.61, vierde lid van de WHW is gehandeld.

2.7.    Het betoog van appellant dat de rechtbank zijn recht op onderwijs heeft geschonden, hetgeen volgens hem in strijd is met artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM, faalt reeds omdat de uitspraak van de rechtbank niet tot gevolg heeft dat appellant geen onderwijs kan volgen.

2.8.    Het betoog van appellant dat de docenten Okhuizen en IJzerman onbevoegd waren het tentamen Belastingrecht J Spelproces af te nemen, faalt. Vast staat dat het vak Belastingrecht J Spelproces wordt verzorgd door de Faculteit der Rechtsgeleerdheid en dat het tentamen is afgenomen door twee docenten, namelijk Okhuizen en IJzerman, die zijn verbonden aan deze faculteit. Het college van beroep heeft blijkens het verhandelde ter zitting bij de rechtbank ter zitting verklaard dat de twee docenten deel uitmaken van de examencommissie Fiscale Economie. Nu het vak Belastingrecht J Spelproces deel uitmaakt van de opleiding Fiscale Economie en voornoemde docenten belast waren met het verzorgen van het onderwijs voor deze onderwijseenheid was het instellingsbestuur bevoegd voornoemde docenten te benoemen tot lid van de examencommissie. Voorts is de Afdeling van oordeel dat het, gelet op artikel 7.12, derde lid, van de WHW, ervoor moet worden gehouden dat de examencommissie deze docenten evenzeer heeft aangewezen als examinator ten behoeve van het afnemen van het tentamen Belastingrecht J Spelproces.

2.9.    Voor zover appellant stelt dat de leerstof voor het tentamen Belastingrecht J Spelproces voor hem niet duidelijk was en mitsdien het beginsel van zorgvuldige voorbereiding, neergelegd in artikel 3:2, eerste lid, van de Awb is geschonden, kan hij daarin niet worden gevolgd. Voorop staat dat het vak Belastingrecht J Spelproces een practicum betreft, hetgeen betekent dat in andere vakken opgedane theorie in de praktijk dient te worden gebracht. Blijkens het verweerschrift in administratief beroep van de examencommissie Economie is tijdens het onderwijs in het vak Belastingrecht Formeel aandacht besteed aan het practicum Belastingrecht J Spelproces en is voorts een demonstratie-spelproces gegeven. Blijkens de Spelregels voor het Spelproces konden studenten als auditor bij andere spelprocessen aanschuiven. De benodigde informatie met betrekking tot het vak was te vinden op het zogenoemde blackboard. Gelet hierop, acht de Afdeling onvoldoende aannemelijk gemaakt dat appellant niet op de hoogte heeft kunnen zijn van de spelregels die golden met betrekking tot de tentaminering van het vak Belastingrecht J Spelproces. Van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit van 13 februari 2004 is dan ook geen sprake.

2.10.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet onevenredig wordt benadeeld, omdat hij het tentamen in het vak Belastingrecht J Spelproces weliswaar niet meer kan afleggen, doch wel de nog benodigde studiepunten met andere studieonderdelen kan behalen. Ter zitting heeft appellant in dat verband aangegeven dat het voor hem wegens de invoering van de bachelor/masterstructuur niet mogelijk was de ontbrekende studiepunten door andere studieonderdelen te compenseren.

2.10.1.    Dit betoog faalt evenzeer. In het verweerschrift in de procedure van administratief beroep heeft de examencommissie Economie vermeld dat het vak Belastingrecht J Spelproces inmiddels geen zelfstandig onderdeel van het examen vormt, doch deel uitmaakt van het vak Formeel Belastingrecht. Het tentamen in het vak Belastingrecht J Spelproces kon op 13 februari 2004 voor de laatste keer worden afgelegd. Nu appellant het tentamen Formeel Belastingrecht in de oude vorm al heeft behaald, dient hij volgens de examencommissie de desbetreffende studiepunten met andere studieonderdelen te behalen. Appellant heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat er voor hem - al dan niet op grond van een met de examencommissie getroffen regeling - geen mogelijkheden meer bestonden om andere studieonderdelen te volgen en daarin de benodigde studiepunten te behalen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat artikel 16, zesde lid, van de Onderwijs- en examenregeling Master of Science opleidingen van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde (FEB) studiejaar 2006-2007 de mogelijkheid impliceert dat de examencommissie toestemming geeft het doctoraalprogramma af te ronden vóór 1 september 2006.

2.11.    Appellant betoogt verder dat uit de uitspraak van de rechtbank blijkt dat de rechtbank onvoldoende afstand neemt van het bestuur, nu zij de overwegingen van het college van beroep bijna letterlijk in de uitspraak heeft opgenomen.

2.11.1.    Ook dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college van beroep de bezwaren van appellant terecht ongegrond heeft verklaard. Dat de rechtbank in de uitspraak heeft aangehaakt bij de overwegingen van het college van beroep is in het licht daarvan gerechtvaardigd en leidt geenszins tot het oordeel dat de rechtbank niet onafhankelijk en niet onpartijdig zou zijn.

2.12.    Appellant voert tevens aan dat hij in zijn verdedigingsrechten is geschaad, omdat het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank niet begrijpelijk zou zijn. De Afdeling acht dit betoog na raadpleging van het proces-verbaal feitelijk onjuist.

2.13.    Naar aanleiding van appellants stelling dat de rechtbank hem ter zitting ten onrechte niet de gelegenheid heeft geboden om vragen te stellen aan de vertegenwoordiger van het college van beroep, wordt overwogen dat degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer ingevolge artikel 8:61, eerste lid, van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 8:11, tweede lid, van die wet, de leiding heeft van de zitting. Deze rechter bepaalt dan ook of het aan een partij is toegestaan vragen te stellen aan de andere partij. Slechts indien sprake is van een door een partij opgeroepen getuige en de rechtbank niet zou hebben besloten op grond van artikel 8:63, tweede lid, van de Awb van het horen van deze getuige af te zien, bestaat voor partijen op grond van artikel 179, tweede en derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het recht om vragen te stellen aan de opgeroepen getuige. Daarvan is in het onderhavige geval evenwel geen sprake. De stelling van appellant kan niet worden gevolgd.

2.14.    Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte geen uitspraak heeft gedaan op zijn verzoek aan het college van beroep op te dragen aan het bevoegde bestuursorgaan van de instelling opdracht te geven om opnieuw in de zaak te beslissen en de prestatie van appellant te herbeoordelen, faalt evenzeer. Daartoe overweegt de Afdeling dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak het door appellant ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard. Ingevolge artikel 8:72, eerste lid, van de Awb vernietigt de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart, het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk. Ingevolge het vierde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, kan de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen. Uit deze bepalingen volgt dat een opdracht aan een bestuursorgaan tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar slechts kan worden gegeven na gegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep en gehele of gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

2.15.    Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop zij berust, te worden bevestigd. Gelet hierop, dient het op artikel 8:73 van de Awb gebaseerde verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

2.16.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. van den Brink, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van den Brink

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2007

435