Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8154

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
200607693/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (hierna: het college) geweigerd appellant  bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een houtbe- en/of verwerkingshal op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607693/1.

Datum uitspraak: 27 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3138 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 8 september 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (hierna: het college) geweigerd appellant  bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een houtbe- en/of verwerkingshal op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het college het daartegen door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 september 2006, verzonden op 11 september 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 augustus 2005 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 november 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 10 januari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2007, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R. Keuken, advocaat te Waalre, en het college, vertegenwoordigd door Th. Matheeuwsen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een hal voor houtbewerking en/of houtverwerking op het perceel ter vervanging en uitbreiding van de  bestaande bedrijfshal. Bij brief van 20 mei 2003 heeft appellant het college meegedeeld dat de in de bedrijfshal voorziene activiteiten onder meer zullen bestaan uit frezen, lijmen, spuiten en assembleren.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Leenderstrijp" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding "Houtverwerking B(ho)".

   Ingevolge artikel 12.2, aanhef, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming en conform de aldaar gegeven coderingen worden gebouwd.  

2.3.    Het college heeft zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingplan, omdat de in de bedrijfshal voorziene activiteiten frezen, lijmen, spuiten en assembleren niet zijn aan te merken als houtverwerking maar als houtbewerking.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, nu blijkens een aan appellant verleende Hinderwetvergunning reeds ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingsplan op het perceel houtbewerkingactiviteiten plaatsvonden en deze geacht moeten worden positief te zijn bestemd.

2.4.1.    Dit betoog faalt. In de planvoorschriften wordt het begrip 'houtverwerking' niet nader omschreven. Ongeacht of appellant mogelijk de in de bedrijfshal voorziene activiteiten reeds feitelijk verrichte ten tijde van de goedkeuring van het bestemmingsplan, volgt uit de brief van 23 juli 2003 van het college aan de voormalig advocaat van appellant dat het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, naar niet is weersproken, bij die goedkeuring heeft aangegeven dat de vestiging van een meubelfabriek binnen de bestemming "Houtverwerking" in strijd is met de planvoorschriften. De kenmerkende activiteiten die een meubelfabriek onderscheiden van een houthandel zijn dan ook niet toegestaan. De met het bouwplan in de bedrijfshal voorziene activiteiten moeten als zodanig worden beschouwd. Gelet op het vorenstaande is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.5.        Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2007

163-530.