Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8141

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
200701176/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) geweigerd gegevens ten behoeve van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA) te ontlenen aan de door appellante overgelegde […] huwelijksakte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module GBA 2007/583
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701176/1.

Datum uitspraak: 27 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. BESLU 06/2553 van de rechtbank Rotterdam van 2 januari 2007 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) geweigerd gegevens ten behoeve van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA) te ontlenen aan de door appellante overgelegde […] huwelijksakte.

Bij besluit van 4 mei 2006 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 januari 2007, verzonden op 3 januari 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 13 februari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 6 maart 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2007, waar het college, vertegenwoordigd door L.H. Drost, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Appellante is met bericht niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA) worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

(...)

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

(...).

   Ingevolge artikel 37, tweede lid, van de Wet GBA, voor zover thans van belang, worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

2.2.    Het college heeft zijn besluit van 19 november 2002 mede gebaseerd op de weigering van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 september 2000 om de door appellante overgelegde huwelijksakte te legaliseren. De huwelijksakte is destijds niet gelegaliseerd omdat volgens de Minister van Buitenlandse Zaken bij inhoudelijke verificatie van de akte is gebleken dat persoons- en/of afstammingsgegevens van appellante en van [partij] niet kunnen worden vastgesteld en tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd over de plaats en datum van het huwelijk tussen hen. Bij de beslissing op bezwaar van 4 mei 2006 heeft het college zijn besluit van 19 november 2002 gehandhaafd.

2.3.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college op onzorgvuldige wijze tot een beslissing is gekomen door appellante niet opnieuw op haar bezwaar te horen alvorens zij de beslissing op bezwaar nam. Zij voert hiertoe aan dat tussen de hoorzitting op 15 mei 2003 en de beslissing op bezwaar de Aanwijzing probleemlanden in verband met valse documenten van 7 maart 1996, vervat in de Circulaire inzake legalisatie en verificatie (hierna: de circulaire) is ingetrokken. Tevens wijst zij op het tijdsverloop tussen de indiening van haar bezwaar en de beslissing op bezwaar.

   Voorts bestrijdt appellante het oordeel van de rechtbank dat appellante niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat de door haar overgelegde […] huwelijksakte dient te worden ingeschreven in de GBA. Volgens appellante is de authenticiteit van de akte genoegzaam vastgesteld, nu de akte is afgegeven door een bevoegde autoriteit. Voorts is volgens appellante voldoende duidelijk ten behoeve van wie de akte is afgegeven, omdat de in de akte genoemde personen voldoende identificeerbaar zijn. Daarnaast is de huwelijksakte medio 2004 alsnog gelegaliseerd, aldus appellante.

2.3.1.    Appellante is op 15 mei 2003 gehoord naar aanleiding van haar bezwaar. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat geen rechtsregel ertoe noopte appellante nogmaals te horen alvorens de beslissing op bezwaar te nemen. Tijdsverloop als zodanig noodzaakt niet tot het opnieuw horen. De intrekking van de circulaire rechtvaardigt evenmin het oordeel dat appellante opnieuw had moeten worden gehoord nu, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 januari 2006 in zaak no. 200505162/1 (JB 2006/75), de intrekking van de circulaire niet was ingegeven door gewijzigde inzichten of ervaringen met betrekking tot de betrouwbaarheid van documenten uit de betrokken landen.

   Zoals voorts volgt uit voormelde uitspraak van 25 januari 2006, ligt het bij twijfel op voorhand aan de inhoudelijke juistheid van de akte, die niet is gebaseerd op enige concrete aanwijzing dat de akte onjuistheden bevat, op de weg van het bestuursorgaan om te onderzoeken of de twijfel gerechtvaardigd is. In het onderhavige geval is geen sprake van twijfel op voorhand, maar van gerede twijfel waaraan een verificatieonderzoek ten grondslag ligt. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoeks- en motiveringsplicht. Dat de huwelijksakte medio 2004 zou zijn gelegaliseerd doet daaraan niet af, reeds omdat appellante geen document over heeft gelegd waaruit dat blijkt.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Den Broeder

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2007

301-497.