Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8134

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
200607450/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij op 17 november 2005 verzonden besluit heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (hierna: het college) aan de gemeente Hilversum (hierna: de gemeente) een aanlegvergunning verleend voor het slopen van diverse delen van het kantoorgebouw gelegen aan de Oude Enghweg 23 te Hilversum (hierna: het kantoorgebouw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607450/1.

Datum uitspraak: 27 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/3842, 06/3844, 06/3909 en 06/3911 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2006 in het geding tussen:

appellanten, [wederpartij A], [wederpartij B], [wederpartij C] en de Bewonersvereniging Raadhuis en Omgeving, wonend respectievelijk gevestigd te Hilversum,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilversum.

1.    Procesverloop

Bij op 17 november 2005 verzonden besluit heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (hierna: het college) aan de gemeente Hilversum (hierna: de gemeente) een aanlegvergunning verleend voor het slopen van diverse delen van het kantoorgebouw gelegen aan de Oude Enghweg 23 te Hilversum (hierna: het kantoorgebouw).

Bij besluit van 29 november 2005 heeft het college, voor zover thans van belang, aan de gemeente een bouwvergunning eerste fase verleend voor het veranderen en vergroten van het kantoorgebouw.

Bij op 29 december 2005 verzonden besluit heeft het college aan de gemeente een sloopvergunning verleend voor het slopen van delen van het kantoorgebouw.

Bij besluit van 6 juni 2006 heeft het college, voor zover thans van belang, de door appellanten, [wederpartij A], [wederpartij C] en de Bewonersvereniging Raadhuis en Omgeving (hierna: [wederpartij A] e.a.) tegen de drie genoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Tevens heeft het college de door [wederpartij B] gemaakte bezwaren tegen de bouwvergunning ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 augustus 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [wederpartij B] ingestelde beroep, voor zover dat ziet op de gehandhaafde aanleg- en sloopvergunning niet-ontvankelijk verklaard, het door appellanten, [wederpartij A] e.a. en [wederpartij B] ingestelde beroep, voor zover dat ziet op de gehandhaafde bouwvergunning, tegen het besluit van 6 juni 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 10 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 november 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 21 november 2006 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en hierbij de bouw-, sloop- en aanlegvergunning gehandhaafd.

Bij brief van 22 december 2006 hebben appellanten een reactie ingediend.

Bij brief van 27 december 2006 hebben [wederpartij A] e.a. en [wederpartij B], die in de gelegenheid zijn gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend. Deze is aan de andere partijen verzonden.

Bij brief van 23 januari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2007, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. I.J. Verbaan, rechtsbijstandverlener,  ir. J.C. Carp en dr. A.D. van Bergeijk, deskundigen, en [gemachtigden], zijn verschenen. Voorts is het college, vertegenwoordigd door mr. K.D. Meersma, advocaat te Amsterdam, en A.L.L.M. Asselbergs, rijksadviseur voor het cultureel erfgoed, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    In hoger beroep is uitsluitend de gehandhaafde bouwvergunning aan de orde.

2.2.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college bij de beoordeling of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand heeft kunnen uitgaan van de algemene welstandscriteria uit de "Welstandsnota Hilversum", welke door de raad van de gemeente Hilversum op 9 juni 2004 is vastgesteld (hierna: de welstandsnota).

2.2.1.    In de welstandsnota is aangegeven dat het college in bijzondere situaties, wanneer de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn, kan uitgaan van de algemene welstandscriteria.

   De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden overwogen dat het college zich, gelet op de specifieke locatie van het kantoorgebouw, gelegen tussen enerzijds het raadhuis dat is ontworpen door Dudok en anderzijds diverse villawoningen, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een bijzondere situatie. De voorzieningenrechter heeft voorts terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat een bijzondere situatie zich uitsluitend kan voordoen vanwege het bouwplan zelf en niet vanwege de relatie van het bouwplan tot de omgeving.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

2.4.    Bij besluit van 21 november 2006 heeft het college opnieuw beslist op de door appellanten, [wederpartij A] e.a. en [wederpartij B] gemaakte bezwaren, deze bezwaren ongegrond verklaard en, voor zover thans van belang, de bouw-, sloop- en aanlegvergunning, zij het met verbetering van de er aan ten grondslag gelegde motivering, gehandhaafd. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van appellanten, [wederpartij B] en [wederpartij A] e.a. is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van appellanten, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden. In dit verband komt tevens de door [wederpartij A] e.a. en [wederpartij B] ingediende nadere reactie van 27 december 2006 aan de orde.

2.5.    Appellanten, [wederpartij A] e.a. en [wederpartij B] betogen dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand en dat het welstandsadvies niet zorgvuldig tot stand is gekomen.

2.6.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 22 maart 2006 in zaak no. 200506325/1, mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

   Omtrent het aan de orde zijnde bouwplan heeft de commissie voor welstand en monumenten (hierna: CWM) op 14 juli 2005 een positief advies uitgebracht. In de bezwaarfase is onder meer door appellanten een deskundig tegenadvies overgelegd, gedateerd 14 februari 2006. Naar aanleiding hiervan is door de CWM op 23 maart 2006 opnieuw een positief advies uitgebracht. Ter voorbereiding op de nieuwe beslissing op bezwaar van 21 november 2006 heeft de CWM op 5 oktober 2006 wederom een aanvullend welstandsadvies uitgebracht. Op 5 februari 2007 hebben appellanten, in aanvulling op het advies van 14 februari 2006, een deskundig tegenadvies overgelegd.

   Gelet op de uiteenzetting in de beslissing op bezwaar van 21 november 2006, waarin de adviezen van de CWM van 23 maart en 5 oktober 2006 in aanmerking zijn genomen en gemotiveerd is aangegeven dat het bouwplan voldoet aan de algemene welstandscriteria en de welstandscriteria voor plannen binnen de invloedssfeer van monumenten als bedoeld in de welstandsnota, moet worden geoordeeld dat niet is gebleken dat het college het overnemen van de adviezen van de CWM in onvoldoende mate heeft toegelicht. Daarnaast heeft het college in de beslissing op bezwaar een reactie gegeven op de door appellanten ingebrachte zienswijzen tegen het advies van de CWM van 5 oktober 2006. Uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het advies van de CWM naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Het door appellanten op 5 februari 2007 overgelegde deskundig tegenadvies leidt niet tot een ander oordeel.

   Gelet op het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het beroep van appellanten, [wederpartij A] e.a. en [wederpartij B] is in zoverre ongegrond.

2.7.    Appellanten en [wederpartij A] e.a. betogen voorts dat het college de aanlegvergunning voor het slopen van delen van het kantoorgebouw niet heeft kunnen handhaven. Zij voeren in dit kader aan dat door het slopen de karakteristieke hoofdvorm van het gebouw wordt aangetast alsmede dat door de sloop van delen van het bestaande kantoorgebouw de cultuurhistorische waarde van het beschermd stadsgezicht in onevenredige mate wordt aangetast.

2.7.1.    Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften behorende bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Noordwestelijk villagebied"  verleent het college aanlegvergunningen ten behoeve van het slopen van hoofdgebouwen uitsluitend, indien het slopen:

a. noodzakelijk is in verband met een onherroepelijke bouwvergunning;

b. betreft delen van een hoofdgebouw die op zich niet als karakteristiek vallen aan te merken en door het slopen geen aantasting plaatsvindt van de karakteristieke hoofdvorm van het hoofdgebouw;

c. de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht niet in onevenredige mate aantast.

2.7.2.     In het door CWM op 5 oktober 2006 uitgebrachte advies is opgemerkt dat het bestaande te slopen pand geen grote architectonische waarde heeft en de sloop van delen ervan geen aantasting inhoudt van de cultuurhistorische waarden in het gebied. Het college heeft dit advies in aanmerking genomen en het belang van de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht in zijn besluitvorming betrokken en overwogen dat het belang van huisvesting van het gemeentelijk apparaat in het voorziene kantoorgebouw zwaarder weegt dan het belang van handhaving van het bestaande pand.

   In hetgeen appellanten en [wederpartij A] e.a. hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet het standpunt heeft kunnen innemen dat met de sloop van het bestaande pand de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht niet in onevenredige mate wordt aangetast. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat appellanten en [wederpartij A] e.a. niet hebben aangetoond dat hiervan wel sprake is. Gelet hierop bestond voor het college voldoende grondslag om de aanlegvergunning te verlenen.  Anders dan appellanten en [wederpartij A] e.a. betogen, is het bepaalde uit artikel 6, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften hier niet van toepassing, omdat het bij het te slopen gedeelte van het pand niet gaat om delen van een hoofdgebouw als in die bepaling omschreven. Het betoog faalt.

2.8.     In de enkele stelling van appellanten en [wederpartij A] e.a. dat het college de sloopvergunning niet heeft kunnen handhaven, wordt voorts geen grond gevonden voor vernietiging van het besluit van 21 november 2006 op dit punt.

2.9.    Het beroep van appellanten en [wederpartij A] e.a. tegen het besluit van 21 november 2006 is ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II.    verklaart het beroep van appellanten, [wederpartij A] e.a. en [wederpartij B] tegen het besluit van 21 november 2006 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Hanrath

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2007

414