Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8126

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
200703417/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2007 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Cimcool Industrial Products B.V." een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie en opslag van metaalbewerkingsvloeistoffen op het adres Schiedamsedijk 20 te Vlaardingen. Dit besluit is op 5 april 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/2420
JBO 2007/75 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703417/2.

Datum uitspraak: 22 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "B.V. Magnesiet en Amarilfabrieken 'Maf'", gevestigd te Vlaardingen,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2007 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Cimcool Industrial Products B.V." een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de productie en opslag van metaalbewerkingsvloeistoffen op het adres Schiedamsedijk 20 te Vlaardingen. Dit besluit is op 5 april 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 15 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2007, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door ir. M.H. van de Pavoordt, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.E. in 't Veld en ing. F.A.A. van de Lans, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster gehoord, vertegenwoordigd door mr. S.C. Borger, advocaat te Rotterdam.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekster vreest voor de veiligheid bij haar, aangrenzend aan onderhavige inrichting gelegen, inrichting. Zij trekt de betrouwbaarheid van de door verweerder gehanteerde uitkomst van de gemaakte kwantitatieve risicoanalyse in twijfel. Zij wijst er in dit verband op dat deze uitkomst significant verschilt vergeleken met de uitkomst van een eerder gemaakte berekening, terwijl de situatie tussentijds niet was veranderd.

2.2.1.    Verweerder heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat de uitkomsten van de desbetreffende berekeningen niet overeenkomen doordat gedeeltelijk van andere gegevens is uitgegaan. Na het maken van de eerste kwantitatieve risicoanalyse zou zijn gebleken dat deze analyse deels op onjuiste gegevens berustte, reden waarom een tweede analyse is gemaakt.

2.2.2.    Gezien het betoog van verweerder, waarvan verzoekster de juistheid niet heeft betwist, ziet de Voorzitter in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag wat dit aspect betreft niet de uitkomst van de tweede gemaakte kwantitatieve risicoanalyse heeft kunnen betrekken.

2.3.    Verzoekster betoogt dat onvoldoende maatregelen zijn voorgeschreven om de risico's als gevolg van een mogelijke brand dan wel explosie zoveel mogelijk te beperken. Dit betoog is toegespitst op de omstandigheid dat ten onrechte niet is voorgeschreven dat de scheidingsmuur tussen onderhavige inrichting en de inrichting van verzoekster minimaal zestig minuten brandwerend dient te zijn en dat een alarmsignalering/ontruimingsinstallatie aanwezig dient te zijn, met het oog op de veiligheid van de in de inrichting van verzoekster aanwezige mensen.

2.3.1.    Verweerder stelt dat de desbetreffende scheidingsmuur een brandwerendheid bezit van zestig minuten. Verzoekster heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Wat de alarmsignalering/ontruimingsinstallatie betreft wijst verweerder er onder meer op dat voor onderhavige inrichting een noodplan bestaat wat tot doel heeft om de gevolgen van een eventuele calamiteit zoveel mogelijk te beperken. Onderdeel van dit noodplan is een ontruimingsalarm, zo stelt verweerder. Voorts wijst hij op de aan de vergunning verbonden voorschriften 5.2.2 en 13.2.3. Ingevolge deze voorschriften moeten opslagruimten voor gevaarlijke stoffen zijn voorzien van een branddetectiesysteem volgens NEN 2535 met directe doormelding naar de brandweer of een beveiligingsbedrijf. Voorts moeten bij een voorval waarbij ontsnapping plaatsvindt of dreigt plaats te vinden van verstikkende, giftige of anderszins gevaarlijke, schadelijke of hinder veroorzakende stoffen de buurbedrijven onmiddellijk worden gewaarschuwd, indien deze gevaar, schade of hinder te duchten hebben.

2.3.2.    Gezien het betoog van verweerder ziet de Voorzitter in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat onverwijlde spoed vereist dat in afwachting van het oordeel van de Afdeling in de hoofdzaak een voorlopige voorziening wordt getroffen op het punt van de brandwerendheid van de scheidingsmuur en de alarmsignalering/ontruimingsinstallatie.

2.4.    Verzoekster betoogt dat verweerder de aanvraag om vergunning ten onrechte niet heeft getoetst aan de zogenoemde IPPC-richtlijn en bestrijdt verder dat binnen de inrichting de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Dit betoog spitst zich toe op de vrees voor bodemverontreiniging. Verzoekster voert aan dat ten onrechte niet, in plaats van ten minste vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte vloeren zijn voorgeschreven.

2.4.1.    Verweerder heeft te kennen gegeven dat op de desbetreffende plaatsen een betonnen vloer ligt van ten minste dertig centimeter dikte met daar bovenop een tegelvloer. Voorts zijn de vloeren voorzien van drempels van vijf centimeter. Door verzoekster is een en ander niet betwist. Mede in aanmerking genomen dat vloeistofkerende vloeren of verhardingen ingevolge vergunningvoorschrift 11.3.1 door vergunninghoudster periodiek op deugdelijkheid en doelmatigheid moeten worden geïnspecteerd, ziet de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.A.M. van Hamond, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt                                          w.g. Van Hamond

Voorzitter                                                   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2007

446