Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8125

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
200703893/1 en 200703893/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waalre (hierna: het college) een kapvergunning verleend aan de gemeente Waalre (hierna: vergunninghoudster) voor het kappen van 35 lindebomen en 4 esdoorns.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2007, 145 met annotatie van A.M.M.M. Bots
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703893/1 en 200703893/2.

Datum uitspraak: 22 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/4459 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 april 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Waalre.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waalre (hierna: het college) een kapvergunning verleend aan de gemeente Waalre (hierna: vergunninghoudster) voor het kappen van 35 lindebomen en 4 esdoorns.

Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 april 2007, verzonden op 2 mei 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brieven van 4 juni 2007, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2007, hoger beroep ingesteld onderscheidenlijk de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 11 juni 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2007, waar appellanten, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.A. Otten-van der Werf, C.A.J.M. van de Mortel en J.A.J. van Geel, allen werkzaam bij de gemeente Waalre, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Ingevolge artikel 4.5.2. van de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente Waalre (hierna: APV) is het verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.

   Ingevolge artikel 4.5.3.a, aanhef en onder d, van de APV kan de vergunning worden geweigerd op grond van de beeldbepalende waarde van de houtopstand.

2.3.    Bij besluit van 27 april 2006 heeft het college aan vergunninghoudster een kapvergunning verleend voor het kappen van 35 lindebomen en 4 esdoorns aan de Alexanderstraat te Waalre.  De kapvergunning is verstrekt ten behoeve van de herinrichting en de vervanging van de riolering in het gebied Aalst Zuidoost, waarbinnen de Alexanderstraat is gelegen. Aan de vergunning is het voorschrift verbonden dat er 34 esdoorns, 3 sierkersen en 2 moerascypressen worden herplant. Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college het besluit van 27 april 2006, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd.

2.4.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het verlenen van de kapvergunning door het college in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De Voorzitter is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het college, als het ter zake bevoegde orgaan, rechtens bindende toezeggingen heeft gedaan met betrekking tot het weigeren van de kapvergunning. Dat appellanten naar aanleiding van gehouden inspraakrondes met betrekking tot de kap en de correspondentie daarover, ervan uit zijn gegaan dat de bomen behouden zouden blijven, doet aan dit oordeel niet af. Reeds hierom faalt het betoog.

2.5.    Appellanten betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college in het besluit van 26 september 2006 afdoende heeft gemotiveerd dat zij de kapvergunning niet kon weigeren. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de weigeringsgrond van artikel 4.5.3.a, aanhef en onder d, van de APV zich hier niet voordoet omdat de bomen niet staan vermeld op de door de gemeenteraad op 8 juli 2003 vastgestelde lijst van monumentale en beeldbepalende bomen en of boomgroepen (hierna: de lijst).

2.5.1.    Dit betoog slaagt. Het college heeft op 8 juli 2003 de nota Kapbeleid gemeente Waalre vastgesteld. Als bijlage bij deze nota is een lijst van gemeentelijke monumentale bomen gevoegd. Bomen die door hun leeftijd (ouder dan 50 jaar) of soort van een dusdanige waarde zijn dat extra bescherming hiervan is gewenst worden op deze lijst geplaatst. Uit de nota blijkt dat deze lijst begin jaren tachtig is opgesteld en sindsdien, naar ter zitting is bevestigd, niet meer is geactualiseerd. Daargelaten dat de lijst is verouderd en de bomen reeds om die reden niet op deze lijst kunnen voorkomen, betekent het feit dat de bomen geen monumentale waarden vertegenwoordigen niet tevens dat de bomen geen beeldbepalende waarden kunnen vertegenwoordigen als bedoeld in de APV. De rechtbank is derhalve ten onrechte uitsluitend op grond van deze lijst welke derhalve niet ziet op beeldbepalende bomen, tot het oordeel gekomen dat de weigeringsgrond van artikel 4.5.3.a aanhef en onder d, van de APV niet van toepassing is en dat het college derhalve niet bevoegd was de kapvergunning te weigeren.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Voorzitter het besluit van 26 september 2006 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze na hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

2.7.    Appellanten hebben in beroep terecht aangevoerd dat de motivering zoals vervat in het besluit van 26 september 2006 geen rechtvaardiging biedt voor het kappen van de bomen.

   Aan het besluit van 26 september 2006 heeft het college - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat de bomen in de Alexanderstraat niet op de lijst voorkomen maar wel beeldbepalend zijn voor de straat. Gelet op de beeldbepalende waarde van deze bomen had het college de kapvergunning kunnen weigeren maar is daartoe niet overgegaan omdat een absolute meerderheid van de bewoners voor het kappen van de bomen is en het beeld na verloop van tijd weer zal worden hersteld door de herplant van (grotere) bomen.

De Voorzitter is van oordeel dat het college hiermee onvoldoende heeft gemotiveerd dat het belang bij het kappen van de bomen doorslaggevend is. De door het college af te wegen belangen bestaan immers daaruit dat zij het belang van het behoud van de bomen, waarbij de mate van beeldbepalendheid inzichtelijk wordt gemaakt, dient af te wegen tegen het belang bij het kappen van de bomen ten behoeve van de herinrichting en de vervanging van de riolering in het gebied Aalst Zuidoost, waarbinnen de Alexanderstraat ligt. Een dergelijke belangafweging ontbreekt in het besluit van 26 september 2006.

2.8.    Het beroep tegen het besluit van 26 september 2006 is gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd wegens het ontbreken van een draagkrachtige motivering. Het college dient opnieuw te beslissen op de ingediende bezwaren met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.9.    Gelet hierop dient het verzoek om voorlopige voorziening hangende het hoger beroep als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb te worden afgewezen. De Voorzitter ziet evenwel ter voorkoming van onevenredig nadeel, eruit bestaande dat de bomen al gekapt zouden zijn alvorens een nieuwe beslissing op bezwaar is genomen en eventueel ter toetsing in rechte kan worden voorgelegd, aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te bepalen dat het besluit van 27 april 2006 wordt geschorst tot zes weken na de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.

2.10.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 april 2007 in zaak no. AWB 06/4459;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Waalre van 26 september 2006, kenmerk 33517;

V.    treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 27 april 2006 wordt geschorst tot zes weken na het nemen van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Waalre tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep, het hoger beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 144,42 (zegge: honderdvierenveertig euro en tweeënveertig cent), geheel toe te rekenen aan door appellanten gemaakte reiskosten; het dient door de gemeente Waalre aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de gemeente Waalre aan appellanten het door hen voor de behandeling van het verzoek, het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 569,00 (zegge: vijfhonderdnegenenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak                                                w.g. Kallan

Voorzitter                                                 ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2007

15-536.