Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8114

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
200604991/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2005 heeft de gemeenteraad van Nieuwkoop, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 september 2005, het bestemmingsplan "Landelijk gebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/774
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604991/1.

Datum uitspraak: 27 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2005 heeft de gemeenteraad van Nieuwkoop, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 september 2005, het bestemmingsplan "Landelijk gebied" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 mei 2006, no. DRM/ARW/05/10721A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 5 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2006, en [appellanten sub 2] bij brief van 10 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2006, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 27 juli 2006.

[partijen] zijn door de Afdeling in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partij A] en [partij B], van [partij C] en van [partij D]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [partij E] en [partij F], [partij A] en [partij B] en [appellant sub 1]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2007, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. J.J. Turenhout, advocaat te Alphen aan de Rijn, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.M. de Haas-Rood, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Tevens zijn daar als partij gehoord de gemeenteraad van Nieuwkoop, vertegenwoordigd door F. Zorn en E. Kruijt, beiden ambtenaar van de gemeente, en N. Jonker, wethouder van de gemeente, [partij E] en [partij F], in persoon en bijgestaan door mr. ing. J. de Koning, [partij A], in persoon en bijgestaan door mr. F.J. de Valck, advocaat te Rotterdam, [partij B], vertegenwoordigd door mr. F.J. de Valck, advocaat te Rotterdam, [partij C], in persoon en vertegenwoordigd door mr. T. Bogers, advocaat te Utrecht, en [partij G], vertegenwoordigd door mr. I.J.M.I. Souren, advocaat te Rotterdam. [appellanten sub 2] zijn niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    De beroepsgrond van [appellant sub 1], gericht tegen de goedkeuring van de aanduiding "archeologisch waardevol gebied" voor het perceel [locatie 1] steunt niet op een bij verweerder ingebrachte bedenking.

2.2.1.    Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking.

   Dit is slechts anders voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake bedenkingen in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Het beroep van [appellant sub 1] is dan ook niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de goedkeuring van de aanduiding "archeologisch waardevol gebied" voor het perceel [locatie 1].

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.4.    Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het landelijke gebied van de gemeente Nieuwkoop. Het plan omvat nagenoeg het gehele gemeentelijke grondgebied met uitzondering van de kernen Nieuwkoop, Noorden, Zuidhoek en Woerdense Verlaat, de bedrijventerreinen, vastgestelde of in ontwikkeling zijnde (uitbreidings-)plannen en een deel van de bebouwingslinten.

Standpunt van [appellant sub 1]

2.5.    [appellant sub 1] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Woonschepen" voor de percelen Meije 318, 320, 322, 324, 326, 328 en 332. Volgens hem voorziet het plan in strijd met het provinciale beleid en in het bijzonder met de Verordening watergebieden en pleziervaart Zuid-Holland (hierna: de VWP) in een bestemming voor de woonschepen overeenkomstig het bestaande gebruik. Hij is van mening dat de enkele omstandigheid dat niet langer tegen het gebruik van de woonschepen kan worden opgetreden niet betekent dat het plan aldus in een positieve bestemming voor de woonschepen moet voorzien. Verder wordt ten onrechte in het plan geen onderscheid gemaakt tussen permanente bewoning en recreatief gebruik van de woonschepen. Het plan waarborgt bovendien ter hoogte van de woonschepen geen goed woon- en leefklimaat, aldus appellant. Voorts stelt hij in zijn bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden te worden beperkt en vreest hij aantasting van zijn woongenot.

Het bestreden besluit

2.6.    Verweerder heeft de plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend. Hij stemt in met het positief bestemmen van de huidige ligplaatsen van de woonschepen. Volgens hem is niet aannemelijk geworden dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Verder stelt hij dat de bestemming niet tot een extra belemmering van de bedrijfsvoering leidt, nu daarbij al rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van gevoelige objecten in de directe nabijheid van het bedrijf.

Vaststelling van de feiten

2.7.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.1.    Aan het perceel [locatie 1] van appellant is de bestemming "Agrarisch gebied met hoge natuurwaarden" toegekend. Appellant exploiteert een veehouderij op dit perceel. Bij besluit van 28 december 2001 is aan appellant een milieuvergunning verleend. In deze vergunning is de camping "De Meerkoet" aangemerkt als dichtstbijzijnd gevoelig object in de categorie I zoals bedoeld in de brochure Veehouderij en Hinderwet 1996. De afstand waarvan in de vergunning is uitgegaan van het bedrijf tot de camping "De Meerkoet" betreft 11 meter. De exploitatie van de camping "De Meerkoet" ten noord-oosten van het perceel van appellant is inmiddels gestaakt. Het perceel gelegen ten noord-westen van het bouwblok van appellant is in gebruik ten behoeve van de camping "Balvert". De exploitatie van deze camping kan op grond van het overgangsrecht worden voortgezet.

In het gedeelte van de rivier de Meije ten zuidwesten van het perceel van appellant liggen sinds de jaren zestig van de vorige eeuw woonschepen aangemeerd. In het bestemmingsplan is aan de ligplaatsen van deze woonschepen de bestemming "Woonschepen" toegekend. De woonschepen Meije 326 en 328 liggen binnen de hindercirkel van het bedrijf van appellant. De afstand van de grens van het perceel van appellant tot aan de woonschepen bedraagt tussen de 30 en 100 meter. Het perceel van appellant en de directe omgeving maken deel uit van de ecologische hoofdstructuur (hierna: de EHS).

2.7.2.    Ingevolge artikel 9, onder A, van de planvoorschriften, zijn de gronden met de bestemming "Woonschepen" onder meer bestemd voor woonschepen, bijgebouwen en water.

   Ingevolge artikel 9, onder B, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zal het aantal bijgebouwen per woonschip ten hoogste één bedragen en zal de oppervlakte van een bijgebouw ten hoogste 10 m² bedragen.

2.7.3.    Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied Nieuwkoop", dat in 1977 rechtskracht verkreeg, zijn de gronden met de bestemming "Water" bestemd voor waterloop of waterplas en mogen deze gronden niet anders worden gebruikt dan voor vaarwater, viswater en zwemwater.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 31, van die planvoorschriften wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan de plaatsing van enig ander voor verblijf geschikt of ingericht onderkomen.

   Ingevolge artikel 16, vierde lid, voor zover thans van belang, mogen gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dat plan in gebruik zijn of geacht moeten worden in gebruik te zijn op een andere wijze of tot een ander doel dan ingevolge het plan toelaatbaar is, op die wijze of tot dat doel in gebruik blijven.

2.7.4.    Volgens artikel 1 van de VWP beoogt de verordening het landschap, de natuur, ecologische, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische, archeologische, recreatieve en toeristische waarden en de bruikbaarheid van de watergebieden voor de ecologische infrastructuur of de recreatie te beschermen, alsmede vormen van recreatie op, in en bij het water in goede banen te leiden.

   Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de VWP is het, voor zover thans van belang, de eigenaar van een woonschip verboden daarmee ligplaats in te nemen of aan te leggen in de watergebieden.

   Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de VWP kan, voor zover thans van belang, het college van gedeputeerde staten van het in artikel 12 vervatte verbod schriftelijk ontheffing verlenen. De ontheffing geldt uitsluitend voor de ontheffinghouder en is aan zijn persoon gebonden.

2.7.5.    Verweerder heeft op grond van artikel 25 van de VWP aan de bewoners van onderhavige woonschepen persoonsgebonden ontheffingen verleend voor het afmeren van de woonschepen.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.    Uit de stukken blijkt dat op de plandelen, waaraan thans de bestemming "Woonschepen" is toegekend, onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied Nieuwkoop" de bestemming "Water" rustte. Uit artikel 12, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 31, en artikel 16 van de planvoorschriften behorende tot dat plan volgt dat het gebruik van de woonschepen daarin onder het overgangsrecht is gebracht. De bewoners van de woonboten hebben voorts ter zitting verklaard dat het onwaarschijnlijk is dat het gebruik van de woonboten gedurende de planperiode zal worden beëindigd. In een situatie als de onderhavige waarin moet worden aangenomen dat van gemeentewege niet kan worden opgetreden tegen het huidige gebruik door de bewoners en het niet waarschijnlijk is dat dit gebruik gedurende de planperiode zal worden beëindigd, ligt het op de weg van de gemeenteraad na te gaan of het mogelijk is om de woonboten positief te bestemmen.

2.8.1.    Nu appellant gelet op de aan hem verleende milieuvergunning bij zijn huidige bedrijfsuitoefening rekening moest houden met de camping "De Meerkoet" op ongeveer 11 meter afstand, is niet aannemelijk geworden dat het bedrijf als gevolg van het plan, en meer specifiek de positieve bestemming van de woonschepen, meer beperkingen zal ondervinden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de woonschepen, die als categorie III objecten moeten worden aangemerkt, op grotere afstand liggen van de inrichting dan de camping "De Meerkoet" en dat op grond van de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996 zwaardere eisen worden gesteld met betrekking tot bescherming van categorie I objecten, zoals camping "De Meerkoet", tegen milieuhinder. Aan het bezwaar van appellant dat het plan in zoverre met zich brengt dat hij beperkt wordt in zijn uitbreidingsmogelijkheden, behoefde verweerder evenmin groot gewicht toe te kennen, nu ter zitting is gebleken dat appellant geen concrete uitbreidingsplannen heeft. Verweerder heeft tevens in aanmerking kunnen nemen dat de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van appellant reeds beperkt zijn omdat het perceel van appellant onderdeel uitmaakt van de EHS.

   Evenmin is gebleken dat verweerder bij de afweging van de belangen te weinig gewicht heeft toegekend aan het belang van appellant bij bescherming van zijn woongenot en privacy. Daarbij heeft hij in aanmerking kunnen nemen dat de woonschepen reeds vele jaren op de onderhavige locaties in de Meije zijn gelegen. Weliswaar kan de bouw van bijgebouwen bij de woonschepen voor appellant enige visuele hinder tot gevolg hebben, deze hinder kan echter, gelet op de afstand tot de woonschepen en de beperkte omvang van de voorziene bijgebouwen, niet worden aangemerkt als ernstig.

   Naast de belangen van appellant dient verweerder bij de belangenafweging tevens de belangen te betrekken die zijn gediend met het behoud van de woonschepen. Verweerder heeft belang kunnen toekennen aan het langdurige gebruik van de woonschepen op de onderhavige locatie, de omstandigheid dat voor dat gebruik vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw telkens ontheffingen zijn verleend en dat beëindiging van het gebruik gedurende de planperiode niet is te verwachten. Voorts heeft verweerder bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat ter hoogte van de woonboten betekenis mogen toekennen aan het gegeven dat de woonboten liggen in een landelijke omgeving en dat deze reeds vele jaren als zodanig in gebruik zijn. Gelet hierop en nu appellant, zoals hiervoor reeds is overwogen, bij zijn huidige bedrijfsuitoefening rekening dient te houden met een camping in de directe nabijheid van zijn bedrijf, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter hoogte van de woonschepen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Anders dan appellant meent is voor de vraag of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd niet relevant of de woonschepen permanent worden bewoond of recreatief worden gebruikt.

   Gelet op al het vorenstaande heeft verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen van de bewoners van de woonboten dan aan de belangen van appellant. Voorts overweegt de Afdeling dat niet in geschil is dat het provinciale beleid, dat zijn weerslag vindt in de VWP, op zich is gericht op het saneren van de verspreid in het landelijk gebied en in de Meije aanwezige woonschepen. Verweerder heeft echter met toepassing van datzelfde beleid aanleiding gezien de bewoners van onderhavige woonschepen persoonsgebonden ontheffingen te verlenen. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder in het onderhavige geval niet in afwijking van dit beleid heeft kunnen instemmen met de bestemming "Woonschepen" voor de onderhavige plandelen.

2.8.2.    Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Woonschepen" voor de percelen Meije 318, 320, 322, 324, 326, 328 en 332.

   Het beroep van [appellant sub 1] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Standpunt van [appellanten sub 2]

2.9.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Agrarisch gebied in een open landschap", voor zover het betreft de gronden gelegen bij de woning aan de [locatie 2]. Appellanten wensen dat aan de gronden de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden" en "Verblijfsrecreatieve doeleinden" worden toegekend, zodat de vestiging van bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 en recreatieve en sportieve activiteiten mogelijk zijn. Volgens hen is dit in overeenstemming met het binnen de bebouwingscontour gevoerde streekplanbeleid.

Het bestreden besluit

2.10.    Verweerder heeft de plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend.

Vaststelling van de feiten

2.11.    Aan de gronden ter hoogte van de woning aan de [locatie 2] zijn de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Agrarisch gebied in een open landschap" toegekend.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.    Verweerder heeft het uitgangspunt van het bestemmingsplan, dat onbebouwde gronden bij voormalige agrarische bedrijven de agrarische bestemming behouden, onderschreven. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk. Gelet op de stukken is niet aannemelijk geworden dat concrete plannen bestaan om de gronden overeenkomstig één van de door appellanten gewenste bestemmingen te gebruiken. Verweerder is derhalve in dit geval in redelijkheid aan de wens van appellanten om in afwijking van eerdergenoemd uitgangspunt aan hun perceel de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden" en "Verblijfsrecreatieve doeleinden" toe te kennen voorbij kunnen gaan. Dat de gronden in de provinciale bebouwingscontour liggen, doet hieraan niet af.

2.12.1.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Agrarische gebied in een open landschap", voor zover het betreft de gronden gelegen bij de woning aan de [locatie 2].

   Het beroep van appellanten is ongegrond.

Proceskosten

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de goedkeuring van de aanduiding "archeologisch waardevol gebied" voor het perceel [locatie 1];

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor het overige en het beroep van [appellanten sub 2] geheel ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Langeveld

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2007

317-432.