Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8113

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
200604311/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2005 heeft de gemeenteraad van Arnhem het bestemmingsplan "Alteveer/'t Cranevelt" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604311/1.

Datum uitspraak: 27 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    wijlen [appellant sub 1],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    de vereniging "Huurdersvereniging Veluwestaete", gevestigd te Arnhem, en andere,

4.    de vereniging "Vereniging Stadsschoon Arnhem", gevestigd te Arnhem,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2005 heeft de gemeenteraad van Arnhem het bestemmingsplan "Alteveer/'t Cranevelt" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 april 2006, nr. RE2005.40956, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 8 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2006, appellanten sub 2 bij brief van 12 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2006, appellanten sub 3 bij brief van 19 juni 2006, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde dag, en appellante sub 4 bij brief van 20 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2006, beroep ingesteld. Appellanten sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 21 juni 2006

Belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld als partij deel te nemen.

Bij brief van 28 juni 2006 heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Delta Projectontwikkeling B.V." te kennen gegeven als partij aan het geding te willen deelnemen. Zij is hiertoe op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid gesteld.

Bij brief van 23 augustus 2006 heeft verweerder meegedeeld dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 3. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2007, waar appellanten sub 3, vertegenwoordigd door K.D.A. van der Veen en J. van Leusen en bijgestaan door mr. drs. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, en verweerder, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door drs. M. Bekamp, mr. ir. H. ter Maat en W. Rooding, ambtenaren van de gemeente, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Delta Projectontwikkeling B.V.", vertegenwoordigd door L. Bedaux, gehoord. Appellanten sub 2 en 4 zijn niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het bestemmingsplan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor met name de wijken Alteveer en 't Cranevelt. Het plan heeft in het algemeen een conserverend karakter en voorziet in een aantal nieuwe ontwikkelingen. Het plan maakt onder meer de bouw van een appartementencomplex van 33 meter hoog (111 meter boven Nieuw Amsterdams Peil, hierna NAP) en een ondergrondse parkeergarage mogelijk aan de Oude Kluizeweg.

Appartementencomplex Oude Kluizeweg

Standpunt van appellanten

2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" met de nadere aanduiding "maximumbouwhoogte 111 meter ten opzichte van NAP", voor zover dit de bouw van een appartementencomplex aan de Oude Kluizeweg mogelijk maakt. Appellanten sub 3 stellen voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "p" op de plandelen met de bestemmingen "Woondoeleinden (W)" en "Groen en water (GR)" direct ten zuiden van voornoemd appartementencomplex, voor zover dit de aanleg van een ondergrondse parkeergarage mogelijk maakt.

2.4.1.    Appellanten stellen dat de noodzaak voor een nieuw appartementencomplex op de voorziene locatie onvoldoende is aangetoond. Volgens appellanten stond de keuze van de locatie vooraf al vast, terwijl alternatieve locaties beschikbaar zijn waar de bouw van een appartementencomplex tot een geringere aantasting van de landschappelijke-, natuur- en cultuurhistorische waarden van het gebied leidt. Zij zijn van mening dat de realiseringsovereenkomst, die is gesloten met de ING, bepalend is geweest voor de locatiekeuze. In dit verband wijzen zij op het onderzoek naar alternatieve locaties dat is uitgevoerd in het kader van het niet vastgestelde bestemmingsplan "Oude Kluizeweg".

Verder zijn appellanten van mening dat verwezenlijking van het complex de bestaande groenstructuur aantast omdat een stuk bosgebied verdwijnt. Het plan is volgens appellanten in zoverre in strijd met het Groenplan Arnhem en voldoet bovendien niet aan de daaruit voortvloeiende groencompensatieplicht. Verder is het plan volgens appellanten in strijd met het hoogbouwbeleid en tast het plan het karakter van de Oude Kluizeweg als "holleweg" aan. Appellanten zijn van mening dat deze weg van groot cultuurhistorisch belang is. Voorts voeren zij aan dat verweerder niet, dan wel niet voldoende, op het aspect luchtkwaliteit heeft getoetst. Volgens hen heeft verweerder ten onrechte de Milieuaspectenstudie 2006 (hierna: de MAS 2006) en het rapport "Onderzoek luchtkwaliteit Oude Kluizeweg" van 21 april 2006 bij zijn beoordeling betrokken, nu deze rapporten dateren van na de vaststelling van het plan en derhalve niet bij het vastgestelde plan ter inzage hebben gelegen. Verder stellen appellanten dat het onderzoek onvolledig is nu bij de beoordeling of na realisatie van het voorziene appartementencomplex de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) in acht wordt genomen slechts is gekeken naar de jaren 2010 en 2014, terwijl het plan een directe bouwtitel oplevert.

Het bestreden besluit

2.4.2.    Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend. Hij is van mening dat omwonenden voldoende bij de planvorming zijn betrokken en voldoende onderzoek is gedaan naar alternatieve locaties. Verder acht hij gelet op de twee bestaande flats de realisatie van nog een appartementencomplex van dezelfde hoogte op deze locatie aanvaardbaar. Volgens hem is geen sprake van onaanvaardbare aantasting van natuur- en cultuurhistorische waarden. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit voldoende zijn onderzocht en dat verwezenlijking van het plan niet zal leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    In 1995 heeft de gemeenteraad onder meer de locatie Kluizeweg aangewezen als potentiële woningbouwlocatie om uitvoering te kunnen geven aan de VINEX-taakstelling.

   Op 3 juni 1998 heeft het gemeentebestuur een realiseringsovereenkomst gesloten met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "ING Vastgoed Beleggingen B.V. ". In deze overeenkomst staat dat ING Vastgoed Beleggingen B.V. aan de Kluizeweg 30 appartementen wenst te realiseren en dat de gemeenteraad met voortvarendheid een wijziging van het vigerende bestemmingsplan ter hand neemt teneinde het van kracht worden van het bestemmingsplan te bevorderen.

   In 1999 is voor deze ontwikkeling het bestemmingsplan "Oude Kluizeweg" in procedure gebracht dat voorziet in de bouw van een appartementencomplex tussen beide bestaande flats in.

   In januari 2003 heeft de raadscommissie Ruimtelijke Ordening geadviseerd dit bestemmingsplan onder meer vanwege het ontbreken van maatschappelijk draagvlak niet vast te stellen en in overleg met buurtvertegenwoordigers en ING Vastgoed Beleggingen B.V. naar alternatieven te kijken in de omgeving van de Oude Kluizeweg.

Tussen januari 2003 en april 2004 is overleg gevoerd over mogelijke alternatieve locaties en bouwplannen.

   In april 2004 heeft de gemeenteraad besloten het alternatief dat voorziet in een appartementencomplex van 11 verdiepingen op de noordoosthoek Oude Kluizeweg verder uit te werken. Dit alternatief is uitgewerkt en opgenomen in het onderhavige bestemmingsplan.

2.5.2.    Het plan voorziet in een appartementencomplex aan de Oude Kluizeweg, ten noordoosten van twee reeds bestaande flats. Aan het plandeel is de bestemming "Woondoeleinden (W)" met de nadere aanduiding "maximumbouwhoogte 111 meter ten opzichte van NAP" toegekend. Verder voorziet het plan ten zuiden van het voorziene appartementencomplex en ten oosten van de bestaande flat in een ondergrondse parkeergarage. Aan de plandelen zijn de bestemmingen "Woondoeleinden (W)" en "Groen en water (GR)" en de nadere aanduiding "p" toegekend.

Thans bevinden zich op de betreffende gronden een parkeerterrein, groenvoorzieningen en een gedeelte van de Oude Kluizeweg.

2.5.3.    Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart als "Woondoeleinden (W)" aangewezen gronden bestemd voor het wonen en daaraan ondergeschikt voor groen- en speelvoorzieningen, buurtwegen, woonstraten en andere voorzieningen ten behoeve van het verkeer.

   Ingevolge het eerste lid, onder b, van dit artikel, voor zover thans van belang, zijn deze gronden tevens bestemd voor autostalling of opslag van goederen ten behoeve van het wonen, in het daartoe als zodanig op de plankaart aangegeven gebied.

   Ingevolge het tweede lid, onder a, van dit artikel voor zover thans van belang, mogen op deze gronden, voor zover binnen de bouwzone gelegen, met inachtneming van de op de plankaart aangegeven maximumbouwhoogten uitsluitend de in de gegeven bestemming passende hoofdbebouwing, aan- en of uitbouwen, bijgebouwen en andere binnen de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd.

   Ingevolge het tweede lid, onder c, mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel in de onbebouwbare zone voor zover op de plankaart aangegeven met "p" beneden peil uitsluitend parkeervoorzieningen ten behoeve van het wonen worden gebouwd, waarbij de maximuminhoudsmaat van 50 m3 niet van toepassing is.

2.5.4.    In de plantoelichting staat dat het opvoeren van de bouwproductie binnen de gemeente absolute prioriteit heeft. Het accent ligt daarbij op de bouw van duurdere woningen om op die wijze hogere inkomensgroepen aan te trekken dan wel vast te houden. Door te bouwen in het duurdere segment wil de gemeente voorts de doorstroming in het goedkope deel van de sociale huurwoningvoorraad bevorderen en daarmee ruimte creëren voor de woningvraag van starters en doorstromers met lagere inkomens, aldus die toelichting.

2.5.5.    Een deel van de locatie van het voorziene appartementencomplex is thans in gebruik als groenvoorziening. Volgens de MAS 2006 zullen voor de realisatie van de nieuwbouw ongeveer 40 bomen moeten worden gekapt.

Aan het openbaar groen gelegen ten noorden en ten zuidoosten van het voorziene appartementencomplex is de bestemming "Groen en water met behoud van landschappelijke waarden" toegekend.

2.5.6.    In de plantoelichting staat vermeld dat het gemeentebestuur ernaar streeft om de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden van het groen, door versterking en zonering, optimaal tot hun recht te laten komen, waarbij voldoende ruimte voor gebruikswensen moet zijn. De ontwikkelingsinitiatieven en het beheer in en om de stad moeten worden afgestemd op dat streefbeeld, aldus de plantoelichting. Verder staat daarin dat het Groenplan Arnhem een samenhangende visie bevat op ontwikkeling, inrichting en beheer van het groen in en om de stad Arnhem.

   Volgens de MAS 2006 valt het groen op het onderhavige plandeel onder de groencompensatieregeling zoals opgenomen in het Groenplan Arnhem, op grond waarvan het plangebied kwantitatief, met een gelijke waarde en oppervlakte, dan wel kwalitatief gecompenseerd moet worden. In het geval dit niet mogelijk is moet het verdwenen groen financieel gecompenseerd worden.

2.5.7.    In de beleidsnota Tussenrapportage Structuurplan Arnhem 2010, vastgesteld op 13 februari 2006, staat dat het stadssilhouet van Arnhem niet zichtbaar zal zijn vanaf het Veluwemassief. Dit betekent dat de maximale bouwhoogte in Arnhem niet meer dan 100 meter boven het NAP mag bedragen. Dit principe wordt aangeduid als "Nieuw Arnhems Peil". Verder staat daarin dat de bestaande twee flats aan de Kluizeweg deze bouwhoogte overschrijden en zichtbaar zijn vanaf de open delen van de Veluwe. Deze flats zijn te beschouwen als een erfenis uit het verleden, aldus de nota.

2.5.8.    Op 5 augustus 2005 is het Besluit Luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005) in werking getreden. Uit artikel 37 volgt dat het besluit op dit geding van toepassing is.

2.5.9.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden, dan wel bij toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) in acht.

In het derde lid, aanhef en onder a, is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden, in afwijking van dat lid, mede kunnen worden uitgeoefend indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

Ingevolge artikel 15 van het Blk 2005 geldt voor stikstofdioxide een grenswaarde van 200 microgram per m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. Voor stikstofdioxide geldt voorts een grenswaarde van 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

Ingevolge artikel 20 geldt voor zwevende deeltjes (PM10) een grenswaarde van 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie en 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.5.10.    In het kader van de beslissing omtrent de goedkeuring van het plan is onderzoek naar de luchtkwaliteit gedaan. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Onderzoek Luchtkwaliteit Oude Kluizeweg", uitgevoerd door Goudappel Coffeng en gedateerd 21 april 2006 (hierna: het rapport). In het rapport zijn luchtkwaliteitsberekeningen opgenomen, gebaseerd op de meest actuele gegevens wat betreft achtergrondconcentraties. Volgens het rapport wordt in de autonome ontwikkeling in 2005 op de locatie Schelmseweg de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes (PM10) overschreden. Voorts wordt daarin geconcludeerd dat in de referentiejaren 2009, 2010, 2014 en 2019, zowel in de autonome ontwikkeling als in de planontwikkeling, op geen enkele locatie de grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) worden overschreden. Het rapport is voor de berekeningen van de luchtkwaliteit in de planontwikkeling gestart bij het jaar 2009.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Thans ligt slechts ter beoordeling voor of verweerder bij afweging van alle betrokken belangen zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bouw van een appartementencomplex op de onderhavige locatie in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De stelling van appellanten dat de keuze van de gemeenteraad voor woningbouw op deze locatie is beïnvloed door de door het gemeentebestuur gesloten realiseringsovereenkomst maakt dit, wat daar ook van zij, niet anders.

2.6.1.    Het betoog van appellanten dat niet is gebleken van een noodzaak voor de bouw van het complex, omdat niet langer behoeft te worden voldaan aan de in 1995 vastgelegde VINEX taakstelling treft geen doel. Verweerder heeft het standpunt van de gemeenteraad, dat aan de voorziene nieuwbouw behoefte bestaat omdat met het appartementencomplex het aanbod kwaliteitswoningen wordt vergroot zodat de noodzakelijke doorstroming in de wijk wordt bevorderd, in redelijkheid kunnen onderschrijven.

2.6.2.    Niet in geschil is dat bij inbreiding op deze locatie bestaand groen verloren gaat. Appellanten hebben met nadere gegevens, noch met een nader onderzoek aannemelijk gemaakt dat dit groen zodanig waardevol is dat verweerder daaraan overwegend belang heeft moeten toekennen. De enkele omstandigheid dat het omliggende groen de bestemming "Groen en water met behoud van landschappelijke waarden" heeft, leidt niet tot het oordeel dat de groenvoorziening op de onderhavige locatie eveneens als waardevol moet worden aangemerkt. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een ernstige aantasting van de groenstructuur.

Ter zitting is door de gemeenteraad verklaard dat het groen dat verdwijnt vanwege de realisatie van het appartementencomplex voor zover mogelijk wordt gecompenseerd op de onderhavige locatie en voor het overige elders binnen de gemeente. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat aan de groencompensatieplicht, zoals opgenomen in het Groenplan Arnhem, niet zal worden voldaan.

2.6.3.    Met de verwezenlijking van het appartementencomplex wordt het noordelijke deel van de Oude Kluizeweg aangetast. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt echter dat het karakter van dit deel van de weg als "holleweg" reeds is veranderd in tegenstelling tot het overige gedeelte van de Oude Kluizeweg. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in zoverre geen sprake is van een ernstige aantasting van de cultuurhistorische waarde van dit gedeelte van het gebied.

2.6.4.    Het plan maakt de bouw van een appartementencomplex mogelijk van 111 meter boven NAP, 11 meter hoger dan volgens het hoogbouwbeleid dat is opgenomen in de nota Tussenrapportage Structuurplan Arnhem 2010 is toegestaan. Verweerder heeft in de omstandigheid dat het gemeentelijke beleid ten tijde van het goedkeuringsbesluit in een maximale bouwhoogte van 100 meter boven NAP voorzag geen aanleiding hoeven zien om goedkeuring aan het plandeel te onthouden, aangezien de gemeenteraad ten tijde van de vaststelling van het plan, zoals door hem ter zitting is bevestigd, nadrukkelijk heeft besloten in afwijking van het in voorbereiding zijnde beleid voor het onderhavige plandeel een hogere bouwhoogte aanvaardbaar te achten. Verweerder heeft in redelijkheid daarbij van betekenis kunnen achten dat de voorziene nieuwbouw niet hoger mag worden dan de twee reeds bestaande flats, waardoor het zicht vanaf het Veluwemassief op het stadssilhouet van Arnhem niet, althans niet in betekenende mate wijzigt, en dat het appartementencomplex een goede stedenbouwkundige afronding vormt van de reeds bestaande bebouwing in het gebied.

2.6.5.    De door appellanten genoemde stukken, de MAS 2006 en het luchtkwaliteitsonderzoek van 21 april 2006, dateren van na het vaststellingsbesluit. Hieruit volgt reeds dat deze stukken niet samen met het vaststellingsbesluit ter inzage konden worden gelegd, zodat van de gestelde schending van de inzageverplichting geen sprake is. Uit het vorenstaande volgt dat appellanten ten tijde van het indienen van hun bedenkingen deze stukken niet konden kennen en hierop hun bedenkingen niet hebben kunnen richten. Daarmee is echter niet gegeven, zoals appellanten betogen, dat verweerder een in deze fase overgelegd stuk niet meer bij zijn beslissing over de goedkeuring van het bestemmingsplan zou mogen betrekken. Niet valt in te zien op welke grond dat in dit geval niet had gemogen. Verder is van belang dat appellanten in beroep voldoende gelegenheid hebben op deze stukken te reageren.

Tot slot blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat voor zover verweerder in het bestreden besluit verwijst naar de MAS 2004 sprake is van een kennelijke verschrijving, nu hij zich bij het besluit heeft gebaseerd op de MAS 2005 en de MAS 2006.

2.6.6.    Uit het rapport blijkt dat zich in de autonome situatie in 2005 ter hoogte van de Schelmseweg overschrijdingen voordoen van de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes (PM10). Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat realisatie van het appartementencomplex niet wordt verwacht voor 2009. Uit het rapport blijkt voorts dat na verwezenlijking van het voorziene appartementencomplex in de referentiejaren 2009, 2010, 2014 en 2019 geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes (PM10). Gelet hierop is niet gebleken dat verwezenlijking van het appartementencomplex leidt tot overschrijding van de in het Blk 2005 opgenomen grenswaarden. Het in beroep aangevoerde geeft dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan niet in strijd is met het Blk 2005.

2.6.7.    Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat verweerder heeft miskend dat er voor het appartementencomplex alternatieve locaties zijn, wordt overwogen dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond hoeft te vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Alternatieven behoeven in beginsel eerst aan de orde te komen, indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet.

   Gelet op het vorenstaande, geeft het in beroep aangevoerde geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.6.8.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" met de nadere aanduiding "maximumbouwhoogte 111 meter ten opzichte van NAP" en de nadere aanduiding "p" op de plandelen met de bestemmingen "Woondoeleinden (W)" en "Groen en water (GR)", voor zover dit de bouw van een appartementencomplex en de aanleg van een ondergrondse parkeergarage aan de Oude Kluizeweg mogelijk maken, niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

   De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

Artikel 2, vijfde lid, van de planvoorschriften

Standpunt van appellant

2.7.    Appellant sub 1 stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 2, vijfde lid, van de planvoorschriften. Hij vreest dat de mogelijkheid van beroep aan huis, waarin dit artikel voorziet, leidt tot verkeersoverlast en parkeerproblemen.

Het bestreden besluit

2.8.    Verweerder heeft geen reden gezien het planvoorschrift in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.9.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.9.1.    Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de planvoorschriften mag een gedeelte van een woning op de gronden met de bestemming "Woondoeleinden" door de bewoner worden gebruikt als praktijkruimte, mits dit gedeelte niet meer bedraagt dan eenderde van de vloeroppervlakte van de woning en geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse, noch een onevenredige parkeerdruk ontstaat.

   Ingevolge artikel 1.1. van de planvoorschriften, wordt onder beroep aan huis verstaan een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, verzorgend, ontwerptechnisch, kunstzinnig of daarmee gelijk te stellen beroep of bedrijf dat in een woning wordt uitgeoefend.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.    Uit het planvoorschrift volgt dat slechts een klein gedeelte van de woning kan worden gebruikt voor beroep aan huis. Voorts is de invulling daarvan beperkt tot de in de begripsbepalingen opgenomen categorieën. Niet aannemelijk is geworden dat de uitoefening van deze beroepen een grote verkeersaantrekkende werking heeft. Gelet hierop heeft verweerder zich in navolging van de gemeenteraad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit gebruik niet tot onaanvaardbare verkeersoverlast zal leiden. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

   Het beroep van appellant sub 1 is in zoverre ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Langeveld

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2007

317-432.