Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA8102

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
27-06-2007
Zaaknummer
200700008/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (hierna: het college) aan de Coöperatieve Vereniging van Eigenaren Bungalowpark Zuiderveld (hierna: vergunninghoudster) vergunning verleend voor het vellen van acht elzen, acht lariksen, drie berken en een eik op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Coevorden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700008/1.

Datum uitspraak: 27 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellanten sub 1], beiden wonend te [woonplaats], en

2.    [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. 06/1243 en 06/1245 van de rechtbank Assen van 21 december 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (hierna: het college) aan de Coöperatieve Vereniging van Eigenaren Bungalowpark Zuiderveld (hierna: vergunninghoudster) vergunning verleend voor het vellen van acht elzen, acht lariksen, drie berken en een eik op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Coevorden.

Bij besluit van 19 oktober 2006 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2006, verzonden op 28 december 2006, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten sub 1 bij brief van 29 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellanten sub 2 bij brief van 14 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 28 januari 2007 hebben appellanten sub 1 de gronden aangevuld. Bij brieven van 11 februari, 9 maart, 12 april en 22 april 2007 hebben appellanten sub 2 de gronden aangevuld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van 27 februari 2007 en 28 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Coevorden van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2007, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. ir. B. Rademaker, gemachtigde, appellanten sub 2 en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Buurman, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening gemeente Coevorden 1999 (Bomenverordening) is het verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.

2.2.    Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Bomenverordening kan het college van burgemeester en wethouders de vergunning weigeren in het belang van de handhaving van onder meer:

-    natuur- en milieuwaarden;

-    landschappellijke waarden;

-    cultuurhistorische waarden;

-    waarden van stads- en dorpsschoon;

-    waarden voor recreatie en leefbaarheid;

-    een bepaalde boomwaarde.

2.3.    Appellanten stellen zich op het standpunt dat de rechtbank heeft miskend dat de kapvergunning had moeten worden geweigerd en dat zij derhalve tot een verdergaande vernietiging had moeten komen van het besluit van 19 oktober 2006 dan waartoe zij is overgegaan en niet de rechtsgevolgen ervan in stand heeft kunnen laten. Appellanten sub 1 voeren daartoe aan dat de uitbreiding van de aanwezige parkeergelegenheid in strijd is met het ter plaatste geldende bestemmingsplan, nu het gebruik daarvan in hoofdzaak ten dienste zal staan van de parkeerbehoefte van het naastgelegen horecabedrijf. Voorts hebben appellanten in dit verband gewezen op een door vergunningshoudster jegens Staatsbosbeheer in acht te nemen kwalitatieve verplichting, die is opgenomen in artikel 10, eerste lid, van de koopovereenkomst tussen vergunningshoudster en Staatsbosbeheer. Zij achten het onjuist dat een nadere onderbouwing met betrekking tot het behoud van de buffer- en afschermfunctie van de resterende bosstrook deze civielrechtelijke contractsbepaling in het onderhavige geval opzij kan zetten. Voorts hebben appellanten aangevoerd dat in de kapvergunning onvoldoende is bepaald tot waar de bomenkap zich zal uitstrekken.

2.4.    De kapvergunning is verleend voor bomen die naar soort en aantal duidelijk omschreven en bepaald zijn. Met betrekking tot de standplaats van deze bomen is aangegeven dat het gaat om bomen die voorkomen in een strook van 72 meter lang en 4 meter breed vanaf de [locatie] te [plaats] bij de entree van het bungalowpark "Zuiderveld" te Geesbrug en verder parallel lopend aan de toegangsweg. Gelet hierop is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat niet gezegd kan worden dat de kapvergunning onvoldoende is bepaald. Ten overvloede zij er nog op gewezen dat ter zitting is gebleken dat de bomen inmiddels zijn gekapt en dat daarbij geen onduidelijkheid is ontstaan omtrent het soort en aantal te kappen bomen. Blijkens de stukken strekt het door vergunninghoudster ingediende totale plan tot het aanpassen van de entree van het bungalowpark, waarvan het uitbreiden van parkeervoorzieningen deel uitmaakt. Niet blijkt dat dit plan strekt tot uitbreiding van parkeervoorzieningen ten behoeve van het naast de ingang van het bungalowpark gevestigde horecabedrijf. Indien en voor zover dit horecabedrijf in strijd met de geldende planologische voorschriften zou worden geëxploiteerd, noopte dat het college niet tot weigering van de gevraagde kapvergunning, doch kunnen appellanten het college om handhaving verzoeken. Dat laatste geldt ook indien de beoogde parkeervoorzieningen in strijd met de planologische voorschriften zullen worden gebruikt. In het ter plaatste geldende bestemmingsplan is geen aanlegvergunningsstelsel opgenomen. Gelet hierop heeft de rechtbank niet ten onrechte geoordeeld, dat het college in de stellingen van appellanten ter zake van de strijdigheid met de planologische voorschriften geen aanleiding heeft hoeven te vinden de kapvergunning te weigeren.

2.5.    Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college in het bestaan van een kettingbeding in de overeenkomst tussen Staatsbosbeheer en vergunningshoudster, dat betrekking heeft op een perceel bos waarvan de desbetreffende bomen waar de kapvergunning op ziet, onderdeel uitmaken, terecht geen aanleiding heeft gezien de gevraagde vergunning niet te verlenen. Uit een door appellanten overgelegde brief van 26 juli 2006 kan worden afgeleid dat Staatsbosbeheer bekend was met het plan van vergunningshoudster. Het college heeft op de zitting bevestigd dat dit het geval was en dat hierover ook overleg is gevoerd met Staatsbosbeheer. Hieruit kan worden afgeleid dat Staatsbosbeheer kennelijk geen bezwaar had tegen de kap omdat het - hoewel hiervan op de hoogte - daartegen geen actie heeft ondernomen. Ook dit betoog faalt.

2.1.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.2.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Ouwehand

Voorzitter      ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2007

224.