Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7788

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
21-06-2007
Zaaknummer
200700890/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

nderscheiden aanvragen / zelfde grondslag

[…] de enkele omstandigheid dat de vreemdeling zijn gezondheidssituatie aan beide aanvragen ten grondslag heeft gelegd [leidt] niet tot de conclusie dat beide aanvragen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het betreft immers verschillende aanvragen die worden beoordeeld aan de hand van verschillende criteria.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenwet 2000 17
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700890/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/32944 en 06/39975 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 december 2006 in de gedingen tussen:

[de vreemdeling],

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2003 is een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 12 juni 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 december 2006, verzonden op 3 januari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (kennelijk bedoeld: appellant; hierna: de minister) een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 31 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 februari 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 12 juni 2006 geen uitsluitsel geeft over de vraag of het verantwoord is dat de vreemdeling naar zijn land van herkomst reist en aldaar verblijft gedurende de behandeling van de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). De rechtbank heeft volgens de minister evenzeer ten onrechte overwogen dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zich niet zonder nadere motivering heeft kunnen baseren op het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) van 15 februari 2006 omdat dit advies uitsluitend ingaat op de vraag of de vreemdeling kan reizen en hij aldus geen rekening heeft gehouden met de eventuele invloed van een afwijzend besluit op de medische situatie van de vreemdeling.

De minister betoogt daartoe dat de rechtbank met voormelde overwegingen heeft miskend dat de beoordeling of de vreemdeling de behandeling van een door hem in te dienen mvv-aanvraag in het land van herkomst kan afwachten, besloten ligt in de combinatie van antwoorden op de vragen over enerzijds de mogelijkheid van behandeling in het land van herkomst en anderzijds de gevolgen van het uitblijven van behandeling. Voorts heeft de rechtbank, volgens de minister, bij haar beoordeling ten onrechte betekenis gehecht aan de brief van het BMA van 3 mei 2005 nu deze betrekking heeft op een vreemdeling die opgenomen was geweest in een psychiatrisch ziekenhuis in verband met een suïcide-poging en heeft zij niet onderkend dat die brief niet afdoet aan het vorengenoemde BMA-advies. Door de twee medische verklaringen van 9 november 2006 die de vreemdeling heeft overgelegd aan te merken als nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt, heeft de rechtbank miskend dat de in die verklaringen vervatte informatie betrekking heeft op een na het besluit van 12 juni 2006 ontstane situatie en derhalve niet bij de beoordeling van het besluit kan worden betrokken, aldus de minister.

2.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het een vreemdeling betreft, voor wie het, gelet op diens gezondheidstoestand, niet verantwoord is om te reizen.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet over een geldige mvv beschikt.

Ingevolge het vierde lid kan de minister het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna: de hardheidsclausule).

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de hardheidsclausule (TK 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 108-109) blijkt dat de daarin neergelegde bevoegdheid van de minister bedoeld is als discretionair van aard en beperkt van omvang. Gevallen, waaromtrent is voorzien dat het mvv-vereiste niet zal worden tegengeworpen, zijn bij of krachtens artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 van dat vereiste uitgesloten, zodat toepassing van de hardheidsclausule beperkt kan blijven tot zeer uitzonderlijke gevallen die door wet- en regelgever niet zijn voorzien. Voorts wordt volgens die passage een beroep op de hardheidsclausule slechts in zeer uitzonderlijke gevallen gehonoreerd.

2.2.1. Volgens paragraaf B1/1.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), ten tijde van belang, wordt voor de toepassing van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 onderzocht of de desbetreffende vreemdeling in staat is naar zijn land van herkomst te reizen en in staat kan worden geacht daar de behandeling van een door hem in te dienen mvv aanvraag af te wachten.

Volgens paragraaf B1/2.2.1 van de Vc 2000, ten tijde en voor zover thans van belang, is in ieder geval geen sprake van een zeer uitzonderlijk geval dat tot toepassing van de hardheidsclausule aanleiding geeft, indien de desbetreffende vreemdeling stelt dat noodzakelijke, medische behandeling aan terugkeer, teneinde een mvv te verkrijgen, naar het land van herkomst in de weg staat, maar niet heeft aangetoond dat sprake is van een medische noodsituatie. Volgens paragraaf B8/3.3 van de Vc 2000, ten tijde van belang, wordt de hardheidsclausule toegepast, indien wordt voldaan aan de vereisten voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking "vanwege medische noodsituatie". Bij de beoordeling van zodanige vergunningaanvraag wordt volgens paragraaf B8/4 van de Vc 2000, ten tijde van belang, de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het herkomstland niet betrokken.

2.2.2. In het BMA-advies van 15 februari 2006 staat, voor zover thans van belang:

"(…)

Er zijn tevens psychische klachten, die worden toegeschreven aan een posttraumatische stress stoornis (hierna: ptss) en huwelijksproblemen. Hij heeft last van nachtmerries, spanningen, nervositeit, slapeloosheid, vermoeidheid en sombere stemmingen. Er is tevens sprake van suikerziekte.

(…)

De psychische klachten worden behandeld door een psychiatrisch verpleegkundige. Er is steunend en structurerend contact dat zich richt op het verminderen van zijn huidige klachten en het vergroten van zijn vermogen om controle te krijgen over zijn klachten. De behandeling wordt ondersteund door medicatie.

(…)

De behandeling van de suikerziekte zal levenslang nodig zijn.

(…)

Behandeling van de psychische klachten is mogelijk in de gezondheidscentra, de psychiatrische afdeling van het University Clinical Centre Sarajevo en het General Hospital Sarajevo (Opca Bolnica). Antipsychotische, antidepressieve en angstwerende medicatie is verkrijgbaar. De suikerziekte kan worden behandeld in het University Clinical Centre en de Internal Medicine Clinic te Sarajevo. De noodzakelijk medicatie is verkrijgbaar.

(…)

De ernst van de suikerziekte is van dien aard, dat uitblijven van behandeling zeker zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Betrokkene wordt ambulant behandeld voor zijn psychische klachten. In het dossier wordt geen melding gemaakt van opname in een psychiatrisch ziekenhuis, suïcide pogingen of andere crisissituaties. Uitblijven van behandeling, ook wat de overige aandoeningen betreft, zal waarschijnlijk leiden tot een toename van de klachten, echter niet tot een medische noodsituatie op korte termijn.

(…)

Gezien de huidige medische inzichten acht ik betrokkene in staat te reizen met gangbare vervoermiddelen als boot, trein, bus, auto en vliegtuig. Betrokkene moet gedurende de reis de beschikking hebben over de voor hem voorgeschreven medicatie Er dient een schriftelijke overdracht van de behandeling plaats te vinden.

(…)."

2.2.3. Nu uit het BMA-advies volgt dat de vreemdeling kan reizen, dat in het land van herkomst behandelingsmogelijkheden beschikbaar zijn en dat het uitblijven van behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zich, anders dan de rechtbank heeft overwogen, op het standpunt kunnen stellen dat zijn beroep op artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 niet kan slagen. De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft onder voormelde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat van de vreemdeling niet kan worden gevergd terug te keren naar het land van herkomst teneinde daar een mvv aan te vragen en in afwachting daarvan aldaar te verblijven. De door de vreemdeling overgelegde verklaring van het gezondheidscentrum van Sanski Most van 12 juli 2003 waaruit volgt dat hij voor behandeling een grote afstand zou moeten reizen en bovendien volledig afhankelijk is van zijn eigen mogelijkheden om de medicijnen te betalen, alsmede de door de vreemdeling gestelde omstandigheid dat hij wellicht niet voor behandeling in Sarajevo terecht zou kunnen, betreffen de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst. Gelet op het vorengenoemde beleid worden dergelijke omstandigheden niet in de beoordeling betrokken.

Nu uit het BMA-advies volgt dat geen sprake is geweest van opname in een psychiatrisch ziekenhuis, actieve suïcidaliteit of andere crisissituaties, alsmede dat de psychische klachten van de vreemdeling bij het uitblijven van behandeling waarschijnlijk zullen verergeren, maar dat geen medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan, heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat om de vreemdeling op grond van de hardheidsclausule van het zogenoemde mvv-vereiste vrij te stellen. Hij heeft derhalve, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen aanleiding hoeven zien bij zijn beoordeling nader aandacht te besteden aan de stelling van de vreemdeling dat het, gegeven de medische toestand waarin hij ten tijde van het besluit van 12 juni 2006 verkeerde, in de lijn der verwachting lag dat een afwijzend besluit tot een wezenlijke verslechtering van die toestand zou leiden.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, geeft de brief van het BMA van 3 mei 2005 evenmin aanleiding tot het oordeel, dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zich niet zonder nadere motivering heeft kunnen baseren op het BMA advies van 15 februari 2006, nu hieruit, zoals hiervoor overwogen, blijkt dat de vreemdeling kan reizen, en dat hij in het land van herkomst kan verblijven gedurende de behandeling van de aanvraag van een mvv.

De rechtbank heeft voorts niet onderkend dat hetgeen is opgenomen in de overgelegde medische verklaringen van 9 november 2006, daargelaten dat uit deze stukken geenszins valt af te leiden dat een eventueel intredende verslechtering van de gezondheidssituatie van de vreemdeling als gevolg van een afwijzing van zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, betrekking heeft op een na het besluit van 12 juni 2006 ontstane situatie en derhalve niet bij de beoordeling van dit besluit kan worden betrokken.

De grief slaagt.

2.3. In de tweede grief klaagt de minister, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zich in redelijkheid niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat wat betreft de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'medische behandeling' te verlenen, wordt vastgehouden aan het zogenoemde mvv-vereiste, terwijl de vreemdeling met betrekking tot zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens schrijnende omstandigheden te verlenen van dit vereiste is vrijgesteld. De minister betoogt hiertoe dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, beide aanvragen gevoegd behandeld noch onlosmakelijk verbonden zijn.

2.3.1. Bij besluit van 6 november 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van de vreemdeling van 1 juli 2003 om hem met toepassing van zijn discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd wegens schrijnende omstandigheden te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 12 juni 2006 heeft hij het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.3.2. Bij brief van 24 april 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie medegedeeld dat het horen van de vreemdeling op grond van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de bezwaarschriften tegen het hier in geding zijnde besluit van 13 juni 2003 en het onder 2.3.1. bedoelde besluit van 6 november 2003 door de ambtelijke commissie gelijktijdig zal plaatsvinden. Vervolgens is bij onderscheiden besluiten van 12 juni 2006 op beide bezwaarschriften afzonderlijk beslist. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat beide aanvragen gevoegd zijn behandeld, nog daargelaten welke betekenis in dit verband aan gevoegde behandeling zou moeten worden toegekend. Voorts leidt de enkele omstandigheid dat de vreemdeling zijn gezondheidssituatie aan beide aanvragen ten grondslag heeft gelegd niet tot de conclusie dat beide aanvragen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het betreft immers verschillende aanvragen die worden beoordeeld aan de hand van verschillende criteria.

De grief slaagt.

2.4. In de derde grief klaagt de minister, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie niet gemotiveerd is ingegaan op het zijdens de vreemdeling gestelde, dat verlening van de identiteitsdocumenten zonder problemen zal plaatsvinden zodra duidelijk is dat hij tot Nederland zal worden toegelaten.

2.4.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

Ingevolge artikel 3.72 van het Vb 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet afgewezen op grond van die bepaling, indien de vreemdeling naar het oordeel van de minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land, waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

2.4.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling geen enkele poging heeft ondernomen om een geldig document voor grensoverschrijding te verkrijgen. De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft de door de vreemdeling naar voren gebrachte stelling dat hij het huidige Bosnië-Herzegovina niet als zijn land beschouwd, terecht niet als verschoonbare reden geacht om zich niet tot de Bosnische autoriteiten te wenden. Dientengevolge heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie met recht de aanvraag van de vreemdeling tevens ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 afgewezen.

De grief slaagt.

2.5. De vierde grief mist zelfstandige betekenis.

2.6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 12 juni 2006 alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 december 2006 in de zaak no. AWB 06/32944;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.P. van Os Ravesloot, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Van Os-Ravesloot

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

248-523.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak