Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7617

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
200606800/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brieven van 24 mei 2004, 12 juli 2004 en 27 augustus 2004 heeft de onderlinge waarborgmaatschappij "Agis zorgverzekeringen U.A." (hierna: Agis) aan appellante medegedeeld dat zij geen overeenkomst met appellante kan sluiten, omdat appellante niet beschikt over een vergunning voor een zelfstandig behandelcentrum.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Algemene wet bestuursrecht 8:71
Wet op de Raad van State
Wet op de Raad van State 37
Ziekenfondswet
Ziekenfondswet 44
Ziekenfondswet 47
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 53
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2007, 153
NJB 2007, 1414
JB 2007/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606800/1.

Datum uitspraak: 20 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Medisch Centrum Boerhaave B.V.", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/5596 van de rechtbank Amsterdam van 3 augustus 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de onderlinge waarborgmaatschappij met uitgesloten aansprakelijkheid "Agis zorgverzekeringen U.A."

1.    Procesverloop

Bij brieven van 24 mei 2004, 12 juli 2004 en 27 augustus 2004 heeft de onderlinge waarborgmaatschappij "Agis zorgverzekeringen U.A." (hierna: Agis) aan appellante medegedeeld dat zij geen overeenkomst met appellante kan sluiten, omdat appellante niet beschikt over een vergunning voor een zelfstandig behandelcentrum.

Bij brief van 30 september 2004 heeft Agis aan appellante medegedeeld dat zij haar standpunt handhaaft.

Bij uitspraak van 3 augustus 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) zich onbevoegd verklaard van het daartegen ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 oktober 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 november 2006 heeft Agis van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door haar [directeur] en mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam, en Agis, vertegenwoordigd door mr. M.I.W. Verstegen, werkzaam bij Agis, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder bestuursorgaan verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld,

of

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

   Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

   Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met Bijlage C (nr. 22), van de Beroepswet, kan een belanghebbende bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank inzake een besluit genomen op grond van de Ziekenfondswet.

   Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State (hierna: WRvS), voor zover hier van belang, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan bij de Afdeling hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb, tenzij tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven of het gerechtshof.

   Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Ziekenfondswet sluiten de ziekenfondsen schriftelijke overeenkomsten met personen en instellingen die zorg kunnen verlenen op verstrekking waarvan bij of krachtens artikel 8 aanspraak bestaat.

   Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Ziekenfondswet is een ziekenfonds verplicht met iedere instelling die binnen het werkgebied van het ziekenfonds is gelegen of waarvan de bevolking van het werkgebied van het ziekenfonds naar verwachting regelmatig gebruik zal maken, op haar verzoek een overeenkomst te sluiten als bedoeld in artikel 44, eerste lid, tenzij het ziekenfonds daartegen ernstige bezwaren heeft. Het College zorgverzekeringen kan bij het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 42, vijfde lid, van het bepaalde in het eerste lid van dat artikel, bepalen of en in hoeverre van het gestelde in de eerste volzin kan worden afgeweken.

   Ingevolge het tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vormen van zorg of categorieën van instellingen worden aangewezen waarvoor het eerste lid niet geldt.

   Ingevolge artikel 77 van de Ziekenfondswet, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen ingevolge deze wet genomen besluiten van het College zorgverzekeringen beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

   Ingevolge artikel 79, eerste lid, van de Ziekenfondswet kan bij afwijzing van een verzoek als bedoeld in artikel 47, eerste lid, eerste volzin, de beslissing van het College zorgverzekeringen worden ingeroepen.

   In gevolge het derde lid van dit artikel geldt het eerste lid niet voor zover er voor ziekenfondsen of instellingen op grond van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels geen verplichting bestaat tot het sluiten van in artikel 44 bedoelde overeenkomsten.

   Het besluit als bedoeld in artikel 47, tweede lid, van de Ziekenfondswet is het Besluit erkenning categorieën van instellingen Ziekenfondswet (hierna: Besluit erkenning).

2.2.    Het onderhavige hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam heeft betrekking op de Ziekenfondswet. De Afdeling ziet zich, gelet op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet, gelezen in samenhang met Bijlage C (nr. 22) van de Beroepswet, alsmede gelet op artikel 77 van de Ziekenfondswet, gesteld voor de vraag of de CRvB dan wel de Afdeling op dit hoger beroep dient te beslissen, en of de Afdeling bevoegd is te beslissen op het beroep in eerste aanleg.

   Het onderhavige geschil heeft betrekking op het sluiten van een overeenkomst als bedoeld in artikel 44, gelezen in samenhang met artikel 47, eerste en tweede lid van de Ziekenfondswet en het Besluit erkenning. Indien sprake is van een verzoek van een instelling om een overeenkomst te sluiten, als bedoeld in artikel 47, eerste lid, eerste volzin, van de Ziekenfondswet, kan bij afwijzing van dat verzoek een beslissing van het College zorgverzekeringen worden ingeroepen. Tegen die beslissing kan ingevolge artikel 77 van de Ziekenfondswet beroep worden ingesteld bij de Afdeling. Nu de bevoegdheid te beslissen op een dergelijk beroep door de wetgever aan de Afdeling is toebedeeld, acht de Afdeling zich in beginsel bevoegd in eerste en enige aanleg kennis te nemen van het onderhavige beroep vanwege de inhoudelijke verknochtheid met het eerste en tweede lid van artikel 47 van de Ziekenfondswet.

2.3.    Wordt ter zake van een overeenkomst als hiervoor bedoeld beroep ingesteld bij de rechtbank en doet de rechtbank uitspraak op dat beroep, dan staat tegen die uitspraak geen hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. Derhalve is de Afdeling bevoegd kennis te nemen van zulk een beroep.

2.4.    Dat de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd is van het geschil kennis te nemen, heeft de rechtbank miskend. Zij heeft daardoor het beroepschrift ten onrechte niet doorgestuurd naar de Afdeling. In zoverre is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit evenwel voort dat de rechtbank zich terecht, zij het op onjuiste gronden, onbevoegd heeft verklaard. In zoverre is het hoger beroep ongegrond en dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.5.    Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, wordt het beroep overgedragen aan de Afdeling, rechtdoende in eerste en enige aanleg.

2.6.    Bij brieven van 24 mei 2004, 12 juli 2004 en 27 augustus 2004 heeft Agis aan appellante medegedeeld dat zij geen overeenkomst met appellante kan sluiten, omdat - zoals ter zitting is komen vast te staan - appellante niet beschikt over een vergunning voor een zelfstandig behandelcentrum als bedoeld in artikel 6 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, gelezen in samenhang met de Regeling zelfstandige behandelcentra (Stcrt. 1998, nr. 30).

2.7.    De vraag is, of voormelde brieven besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Daarvan is slechts sprake indien deze brieven een beslissing behelzen van een bestuursorgaan. Agis is niet een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, maar een privaatrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 53 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, gelezen in samenhang met artikel 34 van de Ziekenfondswet. Derhalve moet worden beoordeeld, of Agis een ander persoon of college is met enig openbaar gezag bekleed, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Bepalend daarvoor is, of sprake is van de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid ter vervulling van een overheidstaak. Het sluiten van een overeenkomst als bedoeld in artikel 44, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede lid, van de Ziekenfondswet, dan wel het weigeren een dergelijke overeenkomst te sluiten behelst niet een uitoefening een publiekrechtelijke bevoegdheid, maar de verrichting van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Dat de Ziekenfondswet in hoofdstuk IV voorziet in een regeling tot het sluiten van dergelijke overeenkomsten, maakt dit niet anders.

2.8.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verklaart de Afdeling zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Gelet op artikel 8:71 van de Awb stelt de Afdeling vast dat ter zake van het geschil dat partijen in deze procedure verdeeld houdt, uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingediend.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.10.    Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de WRvS brengt met zich dat het griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan appellante wordt terugbetaald.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 augustus 2006 in zaak no. AWB 04/5596, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het beroepschrift door te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

III.    bevestigt die uitspraak voor het overige;

IV.    verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen;

V.    gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 422,00 (zegge: vierhonderdtweeëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer             w.g. Poot

Voorzitter            ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2007

362