Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7614

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
200606965/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) aan NHTV Internationale Hogeschool Breda (hierna: vergunninghoudster) bouwvergunning verleend voor het uitbreiden en renoveren van een schoolgebouw op het perceel Sibeliuslaan 13 te Breda (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606965/1.

Datum uitspraak: 20 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Breda,

tegen de uitspraak in de zaken nos. 06/2872, 06/2873, 06/3133, 06/2874, 06/3169, 06/3006 en 06/2875 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 27 juni 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) aan NHTV Internationale Hogeschool Breda (hierna: vergunninghoudster) bouwvergunning verleend voor het uitbreiden en renoveren van een schoolgebouw op het perceel Sibeliuslaan 13 te Breda (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 april 2006 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de verleende vergunning in stand gelaten onder aanvulling van de motivering ervan.

Bij uitspraak van 27 juni 2006, verzonden op 10 augustus 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, de daartegen door [4 appellanten] ingestelde beroepen gegrond, het daartegen door [1 appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief van 20 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 oktober 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 november 2006 heeft vergunninghoudster, die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij brief van 12 januari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2007, waar appellanten, in de persoon van [gemachtigde] en bijgestaan door mr. N. Kolthof, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. R.M.J.F. Meeuwis, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. R.Th.J. van ‘t Zelfde, advocaat te Breda, [voorzitter] van de raad van bestuur, ing. M. van Brandwijk en M.E.M.D. Mariën, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    De Afdeling stelt vast dat van alle appellanten, namens wie hoger beroep is ingesteld, slechts [5 appellanten] beroep bij de rechtbank hebben ingesteld.

   Ingevolge artikel 6:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar of in administratief beroep genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt of administratief beroep te hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit. Ingevolge artikel 6:24 van die wet is deze regeling in hoger beroep van overeenkomstige toepassing. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 16 maart 2005 in zaak no. 200401966/1 (AB 2007, 11) vloeit uit de strekking en de geschiedenis van deze bepalingen voort dat geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen beroep bij de rechtbank te hebben ingesteld tegen het bestreden besluit. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen rechtvaardigen dat de andere dan de hiervoor bij name genoemde appellanten geen beroep bij de rechtbank hebben ingesteld tegen het op bezwaar genomen besluit.

   Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep voor zover niet ingesteld door [5 appellanten] niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2.    Voorts stelt de Afdeling vast dat de voorzieningenrechter het beroep van [1 appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het niet-tijdig indienen van het beroepschrift. De Afdeling ziet geen grond voor een ander oordeel. Het hoger beroep voor zover ingesteld door [1 appellant] is ongegrond.

2.3.    [4 appellanten] (hierna: appellanten) betogen dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Zij stellen dat de oppervlakte van het bouwperceel kleiner is dan de oppervlakte waar de voorzieningenrechter van is uitgegaan, omdat een strook van 45 m² aan de noordzijde van het bouwperceel geen eigendom is van vergunninghoudster, maar vanwege verkrijgende verjaring toebehoort aan [eigenaar]. Volgens appellanten bedraagt het bebouwingspercentage derhalve 35,20%.

2.3.1.    Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Ruitersbos 1972" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Bijzondere doeleinden, klasse BD". Op de plankaart staat ter hoogte van het perceel vermeld "35%".

   Ingevolge artikel 1, onder H, van de planvoorschriften wordt onder bouwperceel verstaan: de aaneengesloten bebouwde en/of onbebouwde grond, behorende bij een bestaand of op te richten bouwwerk of complex van bouwwerken.

   Ingevolge artikel 2, onder B, van de planvoorschriften is de bebouwde oppervlakte de totale oppervlakte gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidsmuren.

   Ingevolge artikel 2, onder G, van de planvoorschriften is het bebouwingspercentage de verhouding van de bebouwde oppervlakte tot de oppervlakte van het bouwperceel in procenten uitgedrukt.

   Ingevolge artikel 10, onder A1, aanhef en onder b, mogen de als "Bijzondere doeleinden, klasse BD" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van openbare, bijzondere, sociale, culturele en/of kerkelijke doeleinden zoals scholen, kerken, wijkgebouwen, kruisgebouwen en hiermede gelijk te stellen gebouwen en andere bouwwerken, mits het bebouwingspercentage ten hoogste het op de kaart aangegeven percentage bedraagt.

2.3.2.    Het betoog van appellanten slaagt niet. In bezwaar heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het bouwperceel een oppervlakte heeft van 7090 m² en het bouwplan een oppervlakte van 2480 m², zodat het bebouwingspercentage 34,98% zal bedragen. Appellanten betwisten niet dat het bouwperceel inclusief de bedoelde strook van 45 m² een oppervlakte heeft van 7090 m² en zij betwisten evenmin de juistheid van de door het college vastgestelde oppervlakte van het bouwplan. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat, nu de uitkomst van de civiele procedure omtrent de eigendom van de strook grond aan de noordzijde van het bouwperceel nog enige maanden op zich kan laten wachten, het college met het oog op de rechtszekerheid op goede gronden bij het nemen van de beslissing op bezwaar is uitgegaan van de op dat moment bestaande kadastrale gegevens.

   Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat verwezenlijking van het bouwplan niet tot gevolg heeft dat het bebouwingspercentage het op grond van het bestemmingsplan toegelaten maximum zal overschrijden.

2.4.    Appellanten betogen voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte het bouwplan in overeenstemming met artikel 2.5.30, derde lid, van de bouwverordening van de gemeente Breda (hierna: de bouwverordening) heeft geacht. Zij voeren hiertoe aan dat een verkeerde bezettingsgraadklasse is gehanteerd en dat de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen om verschillende redenen onjuist is. Tevens voeren zij aan dat het college bij de vaststelling van de parkeerbehoefte niet slechts had mogen uitgaan van de nieuwbouw.

2.4.1.    Ingevolge artikel 2.5.30, derde lid, van de bouwverordening, voor zover thans van belang, moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, in op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, afhankelijk van de bestemming, grootte en bereikbaarheid per openbaar vervoer en fiets, een door het college vast te stellen aantal parkeer- en stallingplaatsen aanwezig zijn.

2.4.2.    Het betoog van appellanten slaagt niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 juli 2004 in zaak no. 200400798/1 behoort bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan.

   Het college heeft in de beslissing op bezwaar vermeld dat het de Nota Parkeer- en stallingsbeleid Breda van 10 september 2004 (hierna: de Nota) als richtlijn hanteert bij de invulling van zijn bevoegdheid op de voet van artikel 2.5.30, derde lid, van de bouwverordening. In de Nota worden parkeernormen geformuleerd welke onder meer zijn gebaseerd op richtlijnen van het CROW. Het college heeft voorts vastgesteld dat de netto-uitbreiding van het schoolgebouw voor verschillende functies zal worden gebruikt, te weten kantoren, onderwijs en overige.

   Voor de functie "kantoren" is het college uitgegaan van een vloeroppervlakte van 255 m² en een volgens de Nota bijbehorende norm van 2,5 parkeerplaats per 100 m², zodat het benodigd aantal parkeerplaatsen voor deze functie is vastgesteld op 7.

   Voor de functie "overig" heeft het college, uitgaande van een vloeroppervlakte van 70 m² en een norm van 2,5 parkeerplaats per 100 m², het benodigd aantal parkeerplaatsen vastgesteld op 2.

   Omdat het bouwplan niet voorziet in leslokalen, heeft het college voor de functie "onderwijs" de toegevoegde vloeroppervlakte afgezet tegen de bezettingsgraad. Het college is daarbij uitgegaan van bezettingsgraad 3, zoals vergunninghoudster op de aanvraag heeft aangegeven. Bezettingsgraad 3 houdt 8,5 m² vloeroppervlakte per persoon in. Anders dan appellanten betogen mocht het college uitgaan van deze opgegeven bezettingsgraad, nu vergunninghoudster deze opgave heeft onderbouwd met de brief van 12 december 2005, waarin zij de verwachte ontwikkeling van het aantal ingeschreven studenten tot en met 2009 heeft weergegeven. Voor de functie "onderwijs" heeft het college, uitgaande van een toegevoegde vloeroppervlakte van 243 m² en een bezettingsgraad van 8,5 m² per persoon, vastgesteld dat deze oppervlakte correspondeert met 28,5 personen. Aangezien voor onderwijsvoorzieningen van hoger onderwijs in de Nota wordt uitgegaan van een norm van 7 parkeerplaatsen per leslokaal van 30 zitplaatsen, heeft het college voor de onderwijsfunctie het benodigd aantal parkeerplaatsen vastgesteld op 7.

   Het college heeft het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen ten gevolge van het bouwplan aldus vastgesteld op 16.

   De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat het college met het vorenstaande geen redelijke invulling aan de uit de bouwverordening voortvloeiende parkeernorm heeft gegeven. Nu het bouwplan voorziet in 21 extra parkeerplaatsen heeft de voorzieningenrechter voorts terecht het bouwplan niet in strijd met de bouwverordening geacht.

2.5.    Ten slotte betogen appellanten tevergeefs dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de te verwachten parkeer- en verkeersoverlast ten gevolge van het bouwplan. Zoals hiervoor is overwogen is het bouwplan niet in strijd met het bestemmingsplan en evenmin met de bouwverordening. Evenmin is gebleken van strijd met het bouwbesluit 2003 of redelijke eisen van welstand. Het bezwaar van appellanten dat het bouwplan vanwege voornoemde overlast hun woon- en leefklimaat aantast, kan, gelet op het limitatieve en imperatieve karakter van artikel 44 van de Woningwet, niet leiden tot weigering van de bouwvergunning. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college gehouden was de bouwvergunning te verlenen.

2.6.    Anders dan appellanten betogen, heeft de voorzieningenrechter voorts, gelet op dit oordeel, op goede gronden de rechtsgevolgen van het wegens strijd met artikel 7:9 van de Awb vernietigde besluit in stand gelaten.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep, voor zover niet ingesteld door [5 appellanten], niet-ontvankelijk;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Lodder

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2007

17-488.