Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7610

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
200608510/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2006 heeft de gemeenteraad van Eindhoven, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 november 2005, het bestemmingsplan "Woensel buiten de Ring I" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608510/1.

Datum uitspraak: 20 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2006 heeft de gemeenteraad van Eindhoven, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 november 2005, het bestemmingsplan "Woensel buiten de Ring I" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 26 september 2006, nummer 1182647, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 24 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 januari 2007.

Bij brief van 8 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders namens de gemeenteraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J.J.M. Danen, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts is daar als partij de gemeenteraad van Eindhoven gehoord, vertegenwoordigd door A.A. Renwarin, ambtenaar van de gemeente.

Appellant is, met bericht, niet verschenen.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    Wat betreft de gronden met de bestemming "Detailhandel (Dh)" aan de Woenselsestraat 333, voert appellant aan dat de op dat perceel illegaal opgerichte nissenhut niet mag worden gelegaliseerd.

Aan deze zienswijze is reeds door de gemeenteraad tegemoet gekomen door het verkleinen van het bouwvlak op het desbetreffende perceel met de bestemming "Detailhandel (Dh)". Hierdoor valt de hut buiten het bouwvlak en zijn er geen mogelijkheden tot legalisatie, aangezien er ingevolge artikel 8.2.1., aanhef en onder a, van de planvoorschriften, bij de bestemming "Detailhandel (Dh)" enkel binnen het bouwvlak mag worden gebouwd. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat het gemeentebestuur zich niet wenst neer te leggen bij de aanwezigheid van de nissenhut op het perceel en dat de eigenaar van het perceel daartoe reeds is aangeschreven. Deze correspondentie moet worden beschouwd als het wraken van het illegaal opgerichte gebouw. Deze wraking staat eraan in de weg dat het gebouw wordt beschermd door het overgangsrecht.

Gelet hierop, ontbreekt het procesbelang van appellant bij deze beroepsgrond. Appellant is in zoverre niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellant

2.3.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" dat betrekking heeft op de gronden aan de [locatie 1] en [locatie 2] en het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden II (B-II)" dat betrekking heeft op de gronden aan de Rapenlandstraat 3 tot en met 21.

   Hierbij stelt hij zich op het standpunt dat de percelen aan de [locatie 1] en [locatie 2] en de percelen aan de Rapenlandstraat 3 tot en met 21 een combinatie van een bedrijfsbestemming en een woonbestemming hadden moeten krijgen en dat de bouwblokken te klein zijn. Tevens zou het mogelijk moeten zijn om drie bouwlagen te realiseren. Een soortgelijke situatie bestaat nu ook al aan de Woenselsestraat 342-348, aldus appellant. Daarnaast voert appellant aan dat zijn onderneming formeel op het adres [locatie 2] is gevestigd zodat in zoverre de bestaande situatie niet als zodanig is bestemd. Dat is naar zijn stelling evenmin het geval voor het perceel [locatie 1] in zoverre een achter het pand aanwezige keuken, bedrijfsruimte en een garage buiten het bouwvlak vallen. Tot slot stelt appellant dat verweerder zijn bedenkingen met betrekking tot de percelen aan de Rapenlandstraat 3 tot en met 21 niet heeft behandeld.

   Appellant stelt voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" dat ligt tussen de [locatie 2] en Rapenlandstraat 3. Hij stelt zich hierbij op het standpunt dat het stuk grond de bestemming "Bedrijven II (B-II)" dient te krijgen met een bouwblok ter grootte van het naastliggende bouwblok en de mogelijkheid achter het bouwblok nog bijgebouwen op te richten.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het achtergedeelte van het plandeel dat betrekking heeft op de [locatie 2], omdat een deel van het hoofdgebouw buiten het bouwvlak valt. Voor het overige acht hij dit plandeel en het plandeel dat betrekking heeft op de [locatie 1] niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft hij die plandelen goedgekeurd. Hierbij stelt hij zich op het standpunt dat de plandelen aan de [locatie 1] en [locatie 2] en het stuk grond tussen de [locatie 2] en de Rapenlandstraat 3, zijn bestemd in overeenstemming met de bestaande situatie. Nu de gemeenteraad het bestemmingsplan beschouwt als een conserverend plan, kan verweerder zich verenigen met het standpunt van de gemeenteraad dat hij daarom bij het vaststellen van het plan enkel van de bestaande situatie is afgeweken wanneer het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) reeds een besluit had genomen over een (bouw-)plan.

   In zijn verweerschrift heeft verweerder zich ten aanzien van de plandelen die betrekking hebben op de percelen aan de Rapenlandstraat 3 tot en met 21 op het standpunt gesteld dat die plandelen, in het kader van een conserverend plan, terecht zijn bestemd in overeenstemming met de bestaande situatie, nu voor deze plandelen niet van concrete bouwplannen is gebleken.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    De percelen aan de [locatie 1] en [locatie 2] hebben de bestemming "Woondoeleinden (W)".

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en f, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Woondoeleinden (W)" aangewezen gronden bestemd voor woongebouwen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep; met dien verstande dat de beroepsoppervlakte ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep niet meer dan 50 m² mag bedragen.

   De in artikel 3.2. van de planvoorschriften opgenomen bouwvoorschriften vermelden dat een hoofdgebouw uitsluitend binnen het op de kaart aangeduide "bouwvlak" mag worden gebouwd.

Ingevolge artikel 3.2.2., onder a, van de planvoorschriften, mogen aan- en uitbouwen en bijgebouwen uitsluitend worden gebouwd op gronden die op plankaart zijn voorzien van de aanduiding "te bebouwen erven".

Ingevolge artikel 3.2.2., onder b, van de planvoorschriften, mag de gezamenlijke oppervlakte van deze gebouwen per bouwperceel niet meer bedragen dan:

- 75 m² met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 65% van de oppervlakte van het bouwperceel voor zover op de plankaart aangeduid als "te bebouwen erven" en voor zover gelegen buiten het op de plankaart aangeduide bouwvlak;

- 100 m² bij een bouwperceel groter dan 500 m², met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel voor zover op de plankaart aangeduid als "te bebouwen erven" en voor zover gelegen buiten het op de plankaart aangeduide bouwvlak;

- de oppervlakten van aan- en uitbouwen en bijgebouwen voor zover die binnen het op de plankaart aangeduide "bouwvlak" zijn gebouwd, worden niet in mindering gebracht op de in dit lid genoemde oppervlaktematen en percentages.

Ingevolge artikel 3.2.2., onder c, van de planvoorschriften, mag de goothoogte van een aan- en uitbouw en bijgebouw niet meer dan 3,5 m bedragen, met dien verstande dat de goothoogte nooit meer mag bedragen dan de goothoogte van de bijbehorende hoofdmassa.

2.5.2.    De percelen aan de Rapenlandstraat 3-21 hebben in het plan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden II (B-II)".

   In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de planvoorschriften, is, voor zover hier van belang, bepaald dat de op de plankaart voor "Bedrijfsdoeleinden II (B-II)" aangegeven gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van nader in dit voorschrift genoemde bedrijven en dienstwoningen, uitsluitend voor zover het de bestaande dienstwoningen betreft.

2.5.3.    In de plantoelichting (pagina 20) is vermeld dat met het plan uitsluitend het conserveren en beheren van de bestaande situatie wordt beoogd. Doel hierbij is het behouden van de bestaande ruimtelijke structuur zoals die wordt gevormd door bouwvlakken, bouwhoogten, straten en groenelementen. Uitsluitend beleid en projecten waarover de besluitvorming heeft plaatsgevonden, worden in dit plan meegenomen.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Het gemeentelijk beleid om alleen de bestaande situatie in het plan op te nemen, tenzij besluitvorming door het college heeft plaatsgevonden omtrent concrete bouwprojecten, acht de Afdeling niet onredelijk, gelet op het feit dat het plan conserverend van aard is.

Appellant heeft bij zijn zienswijze slechts een schetsontwerp van een gewenst bouwblok achter de [locatie 2], aan de Rapenlandstraat overgelegd. Van een concrete bouwaanvraag waaromtrent het college ten tijde van het besluit tot vaststelling van het plan reeds had beslist, is echter geen sprake. De gemeenteraad heeft derhalve gehandeld in overeenstemming met zijn beleidslijn. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet heeft kunnen instemmen met de toepassing van dit beleid in het voorliggende geval.

   Voor zover appellant in het kader van het gelijkheidsbeginsel heeft gewezen op het plandeel dat betrekking heeft op de gronden aan de Woenselsestraat 342 tot en met 348 is de Afdeling niet gebleken dat de gemeenteraad voor die gronden wel in afwijking van zijn beleid een andere bestemming dan de bestaande heeft toegekend. Dit betoog treft derhalve geen doel.

   Voor zover appellant stelt dat de bestaande situatie op de percelen aan de [locatie 1] en [locatie 2] niet als zodanig is bestemd, overweegt de Afdeling het volgende. De toegekende bestemming "Woondoeleinden (W)" staat het houden van een kantoor aan huis toe.

Voorts is niet gebleken dat bij de huidige grootte van de bouwblokken, bestaande, legaal aanwezige gebouwen niet als zodanig zijn bestemd. Daarbij betrekt de Afdeling het bepaalde in artikel 3.2.2. van de planvoorschriften, op grond waarvan bijgebouwen niet binnen het bouwblok behoeven te vallen. Hiervoor geldt een maximale oppervlakte.

2.6.1.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plandelen voor de gronden aan de [locatie 1] en [locatie 2] niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep voor zover ontvankelijk is in zoverre ongegrond.

2.7.    Het betoog van appellant dat verweerder zijn bedenkingen met betrekking tot de gronden aan de Rapenlandstraat 3 tot en met 21 niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken, slaagt. Verweerder heeft dit in zijn verweerschrift ook erkend. Voor zover verweerder ter zitting heeft verklaard dat deze beroepsgrond op een misverstand berust en dat de bedenkingen met betrekking tot de gronden aan de Rapenlandstraat 3 tot en met 21 en de bedenking met betrekking tot het stuk grond achter de [locatie 2] hetzelfde plandeel betreffen, overweegt de Afdeling dat deze bedenkingen zich wel degelijk tegen verschillende plandelen richten in het licht van hetgeen appellant ter plaatse wenst.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep voor zover ontvankelijk is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover het de goedkeuring van de plandelen aan de Rapenlandstraat 3 tot en met 21 betreft, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.7.1.    De Afdeling ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven en overweegt daartoe het volgende.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat op deze plandelen het gemeentelijk beleid als hiervoor omschreven van toepassing is. Tevens heeft verweerder aangegeven dat appellant ook ten aanzien van deze gronden geen concreet bouwplan heeft ingediend waaromtrent het college ten tijde van de planvaststelling reeds had beslist. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze plandelen - waarin het bestaande gebruik als zodanig is bestemd - niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Voorts geeft hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is voorbereid of vastgesteld in strijd met het recht.

Proceskostenveroordeling

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het plandeel aan de Woenselsestraat 333;

II.    verklaart het beroep voor zover ontvankelijk gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 26 september 2006, kenmerk 1182647, voor zover het de goedkeuring van de plandelen aan de Rapenlandstraat 3 tot en met 21 betreft;

IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover dat onder III. vernietigd is, in stand blijven;

V.    verklaart het beroep voor zover ontvankelijk voor het overige ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de provincie Noord-Brabant aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra                            w.g. Rop

Lid van de enkelvoudige kamer           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2007

417-545.