Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7599

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
200608639/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de verkoop van fietsen op het perceel [locatie] te Valkenswaard (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608639/1.

Datum uitspraak: 20 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Valkenswaard,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/4119 en 06/3785 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 november 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast de verkoop van fietsen op het perceel [locatie] te Valkenswaard (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 18 juli 2006, medegedeeld bij brief van 25 juli 2006, heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 maart 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus, gemachtigde en het college, vertegenwoordigd door G.L. Pijnenburg, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Volgens appellant is het besluit van 30 mei 2005 onbevoegd door het Hoofd Beheer Grondgebied is genomen, aangezien het opleggen van een last onder dwangsom niet aan een ambtenaar van de gemeente kan worden gemandateerd.

2.1.1.    Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 10:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet.

   Ingevolge artikel 10:5, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan hetzij een algemeen mandaat, hetzij een mandaat voor een bepaald geval verlenen. Ingevolge het tweede lid wordt een algemeen mandaat schriftelijk verleend.

   Artikel 10:3, eerste lid, van de Awb sluit de mogelijkheid van mandatering van een handhavingsbevoegdheid niet uit. Tevens kan niet worden geoordeeld dat de aard van die bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet. Nu uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat bij de mandaatregeling van 22 juli 2003, gepubliceerd op 20 augustus 2003, aan het Hoofd Beheer Grondgebied mandaat is verleend voor het doen van aanschrijvingen in het kader van handhavingsactiviteiten, heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat het besluit van 30 mei 2005 bevoegdelijk is genomen.

2.2.    Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Schaapsloop I" rust op het betrokken perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B".

   Ingevolge artikel 5.2 van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: planvoorschriften) zijn de als "Bedrijfsactiviteiten B" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van nijverheid en andere kleine bedrijven (niet zijnde agrarische en detailhandelsbedrijven) met inbegrip van toegangswegen, (parkeer)terreinen, nutsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen en groenvoorzieningen, een en ander voor zover deze bedrijven voorkomen in de categorieën 1 t/m 3 van de bij dit plan behorende staat van inrichtingen.

   Ingevolge artikel 5.5 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het uitoefenen van detailhandel, anders dan als ondergeschikte nevenactiviteit bij ter plaatse uitgeoefende industriële activiteiten niet toegestaan.

   Ingevolge artikel 1, onder 13, van de planvoorschriften wordt onder detailhandel verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending, anders dan voor consumptie ter plaatse en anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

   Ingevolge artikel 12.1 van de planvoorschriften is het verboden de in dit plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming(en) of een verleende vrijstelling, behoudens het bepaalde in artikel 15.2.

   Ingevolge artikel 12.4 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 5.9 ten behoeve van het gebruik van gronden en bouwwerken van detailhandel. Deze vrijstelling mag slechts worden verleend voor:

1. detailhandel in volumineuze goederen;

2. grootschalige meubeldetailhandel;

3. bouwmarkten.

2.3.    De Afdeling is met partijen van oordeel dat artikel 5.5 van de planvoorschriften zo moet worden uitgelegd dat de daarin gemaakte uitzondering voor het mogen uitoefenen van detailhandel, onder de voorwaarde van ondergeschiktheid aan de hoofdactiviteit, geldt voor zowel de als " Bedrijfsactiviteiten A" aangewezen gronden als de gronden met de bestemmingen "Bedrijfsactiviteiten B" en "Bedrijfsactiviteiten C". De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak op grond van het navolgende.

2.3.1.    Appellant exploiteert op het perceel een garage voor onderhoud en reparatie van auto's en fietsen. Vast staat dat door appellant tevens fietsen en de daarbij behorende accessoires worden verkocht, hetgeen kan worden aangemerkt als detailhandel als bedoeld in artikel 1, onder 13, van de planvoorschriften.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de bedrijfsruimte voor ongeveer 1/6e deel ingericht was als showroom, waarbij verschillende fietsen, deels in de etalage, geprijsd stonden opgesteld. Tevens werd via een internetsite, waarbij het bedrijf van appellant zich bekend maakte als "[bedrijf], het fietsencentrum van Brabant", verkondigd dat daar, gedurende reguliere winkeltijden, fietsen en fietsonderdelen verkrijgbaar waren.

   Al het voorgaande in aanmerking genomen, is de Afdeling van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verkoop van fietsen aan particulieren zoals die bij appellant plaatsvindt en de ruimtelijke uitstraling die daarvan uitgaat, niet kan worden aangemerkt als incidenteel en voortvloeiend uit en ondergeschikt aan de oorspronkelijke bedrijfsactiviteiten. Dat de omzet van die activiteit onvoldoende zou zijn om als zelfstandig bedrijf te kunnen bestaan, zoals is gebleken uit een eerst in beroep overgelegde deskundigenrapport, doet aan het vorenstaande niet af onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2002 in zaak no. 200201191/1. De stelling dat de fietsen niet ter plaatse maar elders aan klanten worden geleverd, kan eveneens niet leiden tot een ander oordeel.

   Gelet hierop, is sprake van overtreding van het in artikel 12.1 van de planvoorschriften neergelegde verbod, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.4.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.    Het betoog van appellant dat handhavend optreden niet in de rede ligt omdat de gewraakte activiteit gelegaliseerd kan worden door middel van het verlenen van vrijstelling van de planvoorschriften, betreft een herhaling van hetgeen hij bij de voorzieningenrechter heeft aangevoerd. De voorzieningenrechter heeft met juistheid geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen beslissen geen vrijstelling te verlenen van de planvoorschriften en derhalve niet van handhavend optreden af te zien.

   Het betoog faalt.

2.6.    Tot slot is hetgeen appellant heeft aangevoerd ten aanzien van de hoogte van de dwangsom eveneens een herhaling van hetgeen bij de voorzieningenrechter is aangevoerd. De voorzieningenrechter heeft met juistheid geoordeeld dat de hoogte van de dwangsom, anders dan appellant betoogt, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de overtreding.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met een verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2007

328-552.