Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7596

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
200700560/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2004 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris) de bij besluit van 5 maart 2003 aan appellante verleende subsidie ingetrokken en de door haar ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700560/1.

Datum uitspraak: 20 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Home Maid B.V.", gevestigd te Rotterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. BELEI 06/830 van de rechtbank Rotterdam van 1 december 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2004 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris) de bij besluit van 5 maart 2003 aan appellante verleende subsidie ingetrokken en de door haar ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 21 oktober 2005 heeft de Staatssecretaris appellante medegedeeld dat het besluit van 23 december 2004 komt te vervallen en heeft hij de aan appellante verleende subsidie vastgesteld op € 349.850,00.

Bij besluit van 3 februari 2006 heeft de Staatssecretaris het door appellante tegen het besluit van 23 december 2004 gemaakte bezwaar aangemerkt als tevens te zijn gericht tegen het besluit van 21 oktober 2005, dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover het niet is gericht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en appellante een vergoeding van deze kosten toegekend tot een bedrag van € 644,00.

Bij uitspraak van 1 december 2006, verzonden op 8 december 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State op 18 januari 2007 per fax ingekomen, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 februari 2007 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2007, waar de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A. Moesker, ambtenaar bij het Ministerie, is verschenen. Appellante is, met bericht, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt dat de rechtbank met betrekking tot de hoogte van de haar door de Staatssecretaris toegekende vergoeding van kosten die zij heeft moeten maken in verband met de behandeling van haar bezwaar, ten onrechte heeft geoordeeld dat de Staatssecretaris de zaak in redelijkheid als "gemiddeld" heeft kunnen aanmerken, nu het geschil een complexe materie betreft en de omvang van het dossier en het financiële belang bovengemiddeld zijn.

2.1.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank is op goede gronden tot de slotsom gekomen dat de Staatssecretaris de zaak in redelijkheid als "gemiddeld" heeft kunnen aanmerken en in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht een vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar van € 644,00 heeft kunnen toekennen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de zaak voor haar advocaat zodanig bewerkelijk was dat hieraan de kwalificatie "zwaar" dan wel "zeer zwaar" had moeten worden toegekend, welke kwalificaties voor (zeer) uitzonderlijke zaken zijn bedoeld.

2.2.    Appellante betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellante, naast de beslissing op het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, geen belang meer heeft bij een beslissing op haar bezwaar tegen het besluit van 23 december 2004. Hiertoe voert zij aan dat zij in haar bezwaarschrift van 31 oktober 2006 uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij een inhoudelijk oordeel wenste over de rechtmatigheid van het besluit van 23 december 2004 vanwege haar aanspraken op schadevergoeding.

2.2.1.    Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ter zake - samengevat weergegeven - overwogen dat appellante geen belang heeft bij haar bezwaar tegen het besluit van 23 december 2004, omdat zij niet om schadevergoeding heeft verzocht, maar om een niet op rechtsgevolg gericht rechtsoordeel.

2.2.2.    Uit artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

   Bij besluit van 21 oktober 2005 heeft de Staatssecretaris het besluit van 23 december 2004 herroepen. Bij de beslissing op bezwaar heeft de Staatssecretaris, gegeven deze herroeping, een vergoeding van de proceskosten in bezwaar toegekend. Hieraan heeft de Staatssecretaris, blijkens de daarbij gegeven motivering, ten grondslag gelegd dat hij op grond van het oordeel van de voorzieningenrechter in de uitspraak van 14 februari 2005 (reg.nr. VBELEI 04/3880) op het verzoek om voorziening van appellante tegen het besluit van 23 december 2004, dat de intrekking van de subsidieverlening een te zwaar middel is geweest, bereid is over te gaan tot een vergoeding van de kosten van behandeling van het bezwaar. De Afdeling is van oordeel dat de Staatssecretaris aldus bij de beslissing op bezwaar, zoals deze ter zitting ook heeft bevestigd, de onrechtmatigheid van het besluit van 23 december 2004 heeft erkend, waarmee het door appellante gewenste inhoudelijke oordeel over de rechtmatigheid is gegeven.

   De rechtbank heeft dan ook terecht, zij het op de onjuiste grond dat zij in bezwaar geen aanspraak heeft gemaakt op schadevergoeding, geoordeeld dat appellante, naast de beslissing op het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, geen belang meer had bij een beslissing op haar bezwaar tegen het besluit van 23 december 2004.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump                           w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter                          ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2007

47-505.