Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7589

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
200608543/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2006 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) geweigerd appellant een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën C, D, E bij C en E bij D te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608543/1.

Datum uitspraak: 20 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/1415 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 november 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen".

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2006 heeft de stichting "Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen" (hierna: het CBR) geweigerd appellant een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën C, D, E bij C en E bij D te verlenen.

Bij besluit van 11 mei 2006 heeft het CBR het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 januari 2007 heeft het CBR van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2007, waar appellant, in persoon, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.W. van de Vorstenbosch-Blom, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 103, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen geeft het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid af.

   Ingevolge artikel 1 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) wordt onder "groep 1" verstaan: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën A, B en B + E, en onder "groep 2": bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën C, C + E, D en D + E.

   Ingevolge artikel 2 van de Regeling worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

   Paragraaf 7.6 van deze bijlage met als opschrift "Doorbloedingsstoornissen van de hersenen" luidt: "Doorbloedingsstoornissen van de hersenen omvatten beroerten (hersenbloeding of herseninfarct, ook wel CVA), TIA's (transient ischemic attacks), verwijdingen van slagaders (aneurysmata) en andere vaatmisvormingen van de hersenvaten".

   Onderdeel 7.6.2.2 (TIA en beroerte) van paragraaf 7.6.2 (Rijbewijzen van groep 2) - voor zover van belang - luidt: "Na een TIA of beroerte zijn personen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 voor een periode van vijf jaar. Zij kunnen na deze periode weer geschikt worden verklaard als uit het neurologisch rapport blijkt dat zij vrij zijn van geestelijke of lichamelijke functiestoornissen. De maximale geschiktheidstermijn is drie jaar".

2.2.    Appellant betoogt - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank de voor hem onredelijke uitwerking van de toepasselijke bepalingen heeft miskend. Appellant brengt naar voren dat hij geheel is hersteld van een zeer lichte hersenbloeding, in goede gezondheid verkeert en vijftien jaar lang schadevrij heeft gereden. Appellant stelt dat ernstigere feiten lichter worden bestraft en voert aan in zijn werk en bedrijfsvoering te worden belemmerd.

2.3.    Appellant exploiteert met zijn zoons een bloemenkwekerij. Ten behoeve van dat bedrijf verzorgt appellant de ritten van en naar de bloemenveiling. Op 16 augustus 2005 heeft appellant een TIA doorgemaakt. Als gevolg hiervan en gelet op paragraaf 7.6.2.2 van de bijlage bij de Regeling heeft het CBR bij besluit van 23 januari 2006 de verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën C, D, E bij C en E bij D geweigerd, welk besluit bij de beslissing op bezwaar is gehandhaafd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen volgt uit paragraaf 7.6.2.2 van de bijlage bij de regeling dat personen die een TIA hebben gehad voor een periode van vijf jaar ongeschikt zijn voor rijbewijzen van groep 2. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen nu sprake is van imperatieve wettelijke voorschriften waarbij aan het CBR geen ruimte is gelaten om per geval rekening te houden met de individuele belangen van de aanvrager, het CBR - ondanks de positieve medische adviezen - geen andere mogelijkheid had dan de verklaring van geschiktheid voor een rijbewijs van groep 2 te weigeren en dat hetgeen appellant heeft aangevoerd niet leidt tot een ander oordeel.

   Met betrekking tot de klacht van appellant over de voor hem onredelijke uitwerking van de toepasselijke bepalingen overweegt de Afdeling dat het de rechter niet vrijstaat om te treden in de billijkheid van de regelgeving en dat het de taak van de wetgever is om te beoordelen of veranderende medische inzichten tot aanpassing van de regelgeving moeten leiden.

   Appellant heeft betoogd dat hij van mening is dat hij in vergelijking met anderen te hard wordt gestraft. Dit betoog treft geen doel. Het gaat hier niet om een strafrechtelijke procedure en het bestreden besluit is geen sanctiebesluit. De weigering van een verklaring van geschiktheid is gebaseerd op de uitkomst van het onderzoek naar de fysieke geschiktheid van appellant, bezien in het licht van de verkeersveiligheid.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Molenaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2007

369-440.