Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7580

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
200606781/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2005 heeft de gemeenteraad van Cranendonck, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 september 2005/8 november 2005, het bestemmingsplan "Woongebieden Budel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606781/1.

Datum uitspraak: 20 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2005 heeft de gemeenteraad van Cranendonck, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 september 2005/8 november 2005, het bestemmingsplan "Woongebieden Budel" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 1 augustus 2006, nummer 1157751, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 20 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2006, [appellant sub 2] bij brief van 24 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2006, en [appellant sub 3] bij brief van 26 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 24 oktober 2006. [appellant sub 3] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 25 oktober 2006.

Verweerder heeft binnen de hem gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van verweerder. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

Voor afloop van het vooronderzoek is een schriftelijke uiteenzetting omtrent het beroep van [appellant sub 2] ontvangen van [partij], die als partij tot het geding is toegelaten. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 2]. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2007, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigde], en [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. J. Molenaar, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de gemeenteraad, vertegenwoordigd door A. Visschers, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door mr. M.E. Jendsen. [appellant sub 2] en verweerder zijn, met bericht, niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader van de Afdeling

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het beroep van [appellant sub 1]

Standpunt van appellant

2.3.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover het betreft het perceel aan de [locatie 1], nu het plan niet voorziet in een adequate planologische regeling voor twee op dat perceel te bouwen woningen waarvoor een vergunning is verleend. Appellant bestrijdt dat het plan waarborgt dat de woningen mogen worden gebouwd en acht het uit het oogpunt van rechtszekerheid gewenst dat de bouwmogelijkheden in het plan worden opgenomen.

   Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de te bouwen woningen dienen te worden aangemerkt als een bestaande situatie, gelet op de in het plan gegeven definitie van dit begrip. Appellant betoogt dat deze definitie voor meerderlei uitleg vatbaar is en het bestreden besluit als gevolg daarvan ondeugdelijk is gemotiveerd.

Standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft het plan, voor zover thans van belang, niet in strijd met een goede ruimtelijk ordening geacht en het goedgekeurd. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de mogelijkheid voor de bouw van twee woningen op het perceel aan de [locatie 1] niet hoefde te worden opgenomen in de "Lijst nieuwbouwmogelijkheden", behorende bij het bestemmingsplan, aangezien de aanvragen voor de bouw van de woningen zijn ingediend vóór het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan zodat deze woningen volgens de definitiebepaling in het plan dienen te worden aangemerkt als een bestaande situatie.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Het bestemmingsplan heeft betrekking op de gronden gelegen in de kern van Budel, globaal gelegen van de Europalaan-Noord tot de Midbuulweg en van oost naar west van de Adriaan Groenewegenlaan tot de Burgemeester van Houtstraat.

   Het plan beoogt een eenduidige en uniforme juridische regeling te bieden voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing binnen het plangebied.

2.5.2.    Het perceel aan de [locatie 1] heeft op de plankaart de bestemming "Woondoeleinden 2" (W2).

   Ingevolge artikel 4.2.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, is op gronden met de bestemming "Woondoeleinden 2" (W2) nieuwbouw van woningen niet toegestaan, met uitzondering van vervangende nieuwbouw of nieuwbouw op de percelen zoals genoemd in bijlage 3 bij de planvoorschriften "Lijst nieuwbouwmogelijkheden".

2.5.3.    Het perceel aan de [locatie 1] staat niet vermeld in de "Lijst nieuwbouwmogelijkheden".

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Ter zitting is gebleken dat het de intentie is van zowel verweerder als de gemeenteraad dat op grond van het plan twee woningen mogen worden gebouwd op het perceel aan de [locatie 1]. Naar het oordeel van de Afdeling is deze intentie onvoldoende in het plan tot uitdrukking gekomen en is het plan in zoverre niet in overeenstemming met hetgeen door de gemeenteraad en verweerder werd beoogd. Verweerder heeft dit niet onderkend. Gelet hierop is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en derhalve in zoverre genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 2" (W2) ter plaatse van het perceel aan de [locatie 1].

Aangezien hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding goedkeuring te onthouden aan bovengenoemd plandeel.

Het beroep van [appellant sub 2]

Standpunt van appellant

2.7.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 1" (W1), voor zover het betreft het perceel ten noorden van de [locatie 2]. Appellant vreest een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat nu deze bestemming het mogelijk maakt op dat perceel, grenzend aan zijn perceel, een woning te bouwen en het perceel ingevolge het plan tevens bestemd is voor aan-huis-verbonden beroepen, detailhandel, lichte bedrijvigheid, garageboxen en parkeerdoeleinden. Bovendien is het bouwvlak gedeeltelijk op het perceel van appellant gesitueerd, zodat op de perceelsgrens zal kunnen worden gebouwd.

   Verweerder heeft zich volgens appellant voorts ten onrechte op het standpunt gesteld dat het perceel voldoet aan het criterium dat wordt gesteld aan inbreidingslocaties, namelijk dat de locatie volledig omsloten wordt door bestaande bebouwing, aangezien aan de overzijde van het perceel geen bebouwing aanwezig is en de woning aan de [locatie 3] zodanig is gesitueerd dat deze vanaf de Adriaan Groenewegenlaan niet zichtbaar is. Bovendien is de te bouwen woning niet ruimtelijk inpasbaar nu deze woning de open bebouwingstructuur van de omgeving zal aantasten, aldus appellant.

   Volgens appellant is het mogelijk maken van woningbouw op het perceel tevens in strijd met het vertrouwensbeginsel aangezien in een raadsbesluit uit 1992 is neergelegd dat er slechts twee woningen mogen worden gebouwd op het voormalige perceel [locatie 4] en dat deze woningen er reeds staan, namelijk de woning van appellant en de woning aan de [locatie 2]. Voorts is in een bij het raadsbesluit behorend beplantingsplan neergelegd dat de bestaande groenstrook op het perceel behouden dient te blijven en daar geen woning mag worden gerealiseerd.

Standpunt van verweerder

2.8.    Verweerder acht de locatie ten noorden van de [locatie 2] vanuit stedenbouwkundig oogpunt geschikt voor woningbouw. Bovendien sluit het benutten van inbreidingslocaties zoals het onderhavige perceel voor woningbouw aan bij de uit het streekplan voortvloeiende doelstelling van concentratie van verstedelijking, aldus verweerder. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de privacy van appellant niet onevenredig wordt aangetast door de geplande woningbouw.

Vaststelling van de feiten

2.9.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.9.1.    Appellant woont aan de [locatie 4] en zijn perceel grenst aan de westkant aan het perceel ten noorden van de [locatie 2], voor welk perceel het plan voorziet in de mogelijkheid een woning te realiseren (hierna: het perceel).

2.9.2.    Op het perceel bevindt zich thans een garage. Aan de noordkant van het perceel bevinden zich de woningen aan de [locaties 3], aan de zuidzijde is de woning aan de [locatie 2] gesitueerd. Het perceel grenst aan de westzijde aan de Adriaan Groenewegenlaan en aan de overzijde van deze weg zijn woningen aanwezig.

2.9.3.    Het perceel heeft op de plankaart de bestemming "Woondoeleinden 1" (W1). De bebouwing op het perceel dient volgens de aanduiding op de plankaart een open karakter te hebben en de goot- en nokhoogte van de bebouwing mag maximaal 7 meter, respectievelijk 10 meter bedragen. Op de plankaart is voor het perceel geen maximaal bebouwingspercentage aangegeven.

2.9.4.    Ingevolge artikel 3.1, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor "Woondoeleinden 1" (W1) aangewezen gronden bestemd voor de volgende doeleinden:

a wonen:

c aan-huis-verbonden beroepen;

d lichte bedrijvigheid, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'lichte bedrijvigheid toegestaan' op de plankaart;

e detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel toegestaan' op de plankaart;

f  garageboxen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'garageboxen' op de plankaart.

   Ingevolge artikel 3.3.1 is binnen de bestemming "Woondoeleinden 1" (W1) de uitoefening van een aan huis verbonden beroep toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

a De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 60 m².

b Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken.

c Detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep.

d De activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving.

e De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

2.9.5.    In de "Lijst nieuwbouwmogelijkheden" staat vermeld dat op de locatie aan de Adriaan Groenewegenlaan, ten noorden van nummer […] nieuwbouwwoning mag worden gerealiseerd.

2.9.6.    In het Streekplan Noord-Brabant 2002 "Brabant in Balans" (hierna: het Streekplan) staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld: "In de landelijke regio's staat het voorkomen van verdere aantasting van het buitengebied centraal. Dit betekent dat het accent op inbreiden en herstructureren ligt. Het aansnijden van nieuwe ruimte voor verstedelijking is pas aan de orde, als gebleken is dat de bouwopgave voor wonen en werken niet binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd, ook niet in andere kernen of op andere bedrijventerreinen binnen de betreffende landelijke regio."

Het oordeel van de Afdeling

2.10.    Ten aanzien van de locatie heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een inbreidingslocatie, nu het perceel aan drie kanten wordt omgeven door bestaande bebouwing. Dat de woning aan de [locatie 3] vanaf de Adriaan Groenewegenlaan niet zichtbaar is, doet hier niet aan af. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid belang kunnen hechten aan de omstandigheid dat het mogelijk maken van woningbouw op het perceel aansluit bij de uit het Streekplan voortvloeiende doelstelling van concentratie van verstedelijking. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de gemeenteraad voorts aangegeven dat op grond van voortschrijdend inzicht is teruggekomen van het in het raadsbesluit uit 1992 neergelegde standpunt dat slechts twee woningen mogen worden gebouwd op het voormalige perceel [locatie 4]. Dit komt de Afdeling niet onredelijk voor, gelet op het provinciale beleid zoals is weergegeven in rechtsoverweging 2.9.6.

   Uit het samenstel van plankaart en planvoorschriften volgt dat op het perceel een woning mag worden gebouwd en dat daar tevens aan-huis-verbonden beroepen mogen worden uitgeoefend, maar dat er, anders dan appellant veronderstelt, geen detailhandel, lichte bedrijvigheid of het plaatsen van garageboxen is toegestaan. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het uitoefenen van een aan-huis-verbonden beroep op het perceel zal leiden tot een onevenredige aantasting van zijn woon- en leefklimaat.

   De Afdeling stelt echter vast dat het bouwvlak op het perceel zodanig is gesitueerd dat het gedeeltelijk het perceel van appellant overlapt en de afstand tussen het bouwvlak op het perceel ten noorden van de [locatie 2] en de westkant van het bouwvlak van appellant slechts ongeveer vijf meter is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder de gevolgen van de situering van het bouwvlak op het perceel ten noorden van de [locatie 2] voor het woon- en leefklimaat van appellant onvoldoende onderkend.

2.11.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding 'bouwvlak' op de plankaart ter plaatse van het perceel ten noorden van de [locatie 2]. Aangezien hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding goedkeuring te onthouden aan bovengenoemd planonderdeel.

2.12.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, met uitzondering van het in overweging 2.11. genoemde planonderdeel, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, met uitzondering van het in overweging 2.11. genoemde planonderdeel, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan voor het overige.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

Standpunt van appellant

2.13.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de leden f, g en h van artikel 4.2.2, van de planvoorschriften, waarin het maximaal toelaatbare aantal vierkante meters aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen is neergelegd. Appellant voert hiertoe aan dat een door hem illegaal opgerichte berging paste binnen de voorschriften van het voorontwerpbestemmingsplan, maar als gevolg van een ambtshalve aanpassing van de bijgebouwenregeling in het ontwerpplan, niet langer wordt gelegaliseerd door het plan. Verweerder heeft volgens appellant onvoldoende gemotiveerd dat de in het plan opgenomen regeling voorstelbaar en aanvaardbaar is en onverkort kan worden gehanteerd voor grote percelen met grote oppervlakten achter de achtergevelrooilijn. Appellant wijst er hierbij op dat verweerder niet is ingegaan op het rapport van BRO Vught, adviseurs in ruimtelijke ordening, economie en milieu (hierna: het BRO) waarin wordt geconcludeerd dat het door de gemeenteraad nagestreefde beleid ten aanzien van bijgebouwen niet aansluit bij het landelijke karakter van Budel en te weinig rekening houdt met grote tot zeer grote percelen, zoals dat van appellant.

Standpunt van verweerder

2.14.     Verweerder acht de in het plan opgenomen bijgebouwenregeling  vanuit provinciaal stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar en ziet geen reden voor de gemeenteraad om voor het perceel van appellant een afwijkende regeling op te nemen waarin de op het perceel aanwezige bebouwing positief wordt bestemd.

Vaststelling van de feiten

2.15.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.15.1.    Het perceel van appellant ligt aan de [locatie 5] en heeft een oppervlakte van ongeveer 2500 m², waarvan ongeveer 1800 m² is gelegen achter de achtergevelrooilijn. Op het perceel bevinden zich thans de volgende bijgebouwen: een garage (37 m²), een berging (60m²), een carport (51 m²) en een voormalig washok (7 m²). De totale oppervlakte aan bijgebouwen op het perceel is thans 155 m², waarvan 77 m² is gelegen achter de achtergevelrooilijn.

2.15.2.    Het perceel heeft op de plankaart de bestemming "Woondoeleinden 2" (W2).

   Ingevolge artikel 4.2.2, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, gelden voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen de volgende bepalingen:

f Het bebouwingspercentage van het gedeelte van de gronden achter de oorspronkelijke achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw mag maximaal 50% bedragen waarbij het bepaalde in lid g in acht dient te worden genomen.

g De totale gezamenlijke oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 60 m².

h Voor zover de oppervlakte van de strook grond achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw meer bedraagt dan 200 m² mag de onder f geregelde gezamenlijke oppervlakte worden vermeerderd met 10% van deze overmaat tot in totaal maximaal 90 m².

2.15.3.    De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het voorontwerpbestemmingsplan gebruikte formulering van de aan- en uitbouwen en bijgebouwenregeling interpretatiegevoelig was en dat daarom de formulering in het ontwerpplan is aangepast, maar dat het nooit de bedoeling is geweest een onderscheid te maken tussen een oppervlakte aan bijgebouwen vóór de achtergevelrooilijn en een oppervlakte daarachter. Het plan voorziet in de mogelijkheid maximaal 90 m² aan bijgebouwen te realiseren en het beleid van de gemeente is er niet op gericht een grotere oppervlakte toe te staan. Het onderzoek van BRO geeft geen aanleiding tot een ander standpunt, aldus de gemeenteraad.

2.15.4.    In opdracht van appellant heeft het BRO onderzocht of het huidige volume aan bijgebouwen op het perceel van appellant zodanig ruimtelijk storend is dat sloop van de illegaal opgerichte berging gerechtvaardigd is. In haar rapport "Ruimtelijke beoordeling bijgebouwen [appellant 3]" van 24 november 2004 stelt het BRO dat het perceel aan de achterzijde opener en transparanter is geworden door de sloop van een plantenkas van 72 m² en een evenwichtige mix van beplanting en verharding/bebouwing is ontstaan. De berging vormt vanuit ruimtelijk-stedenbouwkundig oogpunt geen storende factor en het gebruik van natuurlijke materialen zoals hout benadrukt de overgang van het perceel naar het aangrenzende agrarische gebied, aldus het BRO. Concluderend stelt het BRO dat de hoeveelheid, situering en het uiterlijk van de bijgebouwen op het perceel van appellant vanuit ruimtelijk-stedenbouwkundig oogpunt op een verantwoorde manier is gerealiseerd en dat het door de gemeente nagestreefde beleid ten aanzien van bijgebouwen niet aansluit bij het landelijke karakter van Budel en te weinig rekening houdt met grote tot zeer grote percelen.

Het oordeel van Afdeling

2.16.    Hoewel verweerder in het bestreden besluit niet expliciet is ingegaan op het rapport van het BRO, kan uit het besluit worden afgeleid dat verweerder het rapport in zijn beoordeling heeft betrokken en zich op het standpunt heeft gesteld dat de gemeenteraad in het rapport geen aanleiding heeft hoeven zien voor het perceel van appellant een uitzondering op de in het plan neergelegde regeling te maken. Dit oordeel komt de Afdeling niet onredelijk voor. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn perceel in die mate afwijkt van andere percelen met een woonbestemming in het plangebied dat ten behoeve van hem een uitzondering had moeten worden gemaakt op het gemeentelijke beleid en een ruimere bijgebouwenregeling in het plan had moeten worden opgenomen. Hoewel een uitgebreider motivering mogelijk was geweest, bestaat er geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

2.17.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.18.    Ten aanzien van [appellant sub 3] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Ten aanzien van [appellant sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellant sub 2] dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] geheel gegrond en het beroep van [appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 1 augustus 2006, no. 1157751, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 2" (W2) ter plaatse van het perceel aan de [locatie 1] en voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding 'bouwvlak' op de plankaart ter plaatse van het perceel ten noorden van de [locatie 2];

III.    onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 2" (W2) ter plaatse van het perceel aan de [locatie 1[ en aan de aanduiding 'bouwvlak' op de plankaart ter plaatse van het perceel ten noorden van de [locatie 2];

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] voor het overige ongegrond;

VI.    verklaart het beroep van [appellant sub 3] ongegrond;

VII.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door [appellant sub 2] in verband met de behandeling van zijn beroep gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;  

VIII.    gelast dat provincie Noord-Brabant aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellant sub 1] en € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Broekman

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2007

12-472.