Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7563

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
200703050/1 en 200703050/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor een woonverblijf op het perceel [locatie] te Grave (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703050/1 en 200703050/2.

Datum uitspraak: 11 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/1752 en 06/3626 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 maart 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Grave.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor een woonverblijf op het perceel [locatie] te Grave (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 februari 2006 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 maart 2006 heeft het college appellant gelast genoemd woonverblijf binnen drie maanden te verwijderen en verwijderd te houden en de van het perceel verwijderde woonwagen terug te plaatsen onder oplegging van een dwangsom van € 345,00 per maand met een maximum van € 3450,00.

Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het college het door appellant tegen het besluit van 22 maart 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) heeft de door appellant tegen de besluiten van 14 februari 2006 en 6 juli 2006 (lees: 4 juli 2006) ingestelde beroepen gevoegd behandeld en deze bij uitspraak van 20 maart 2007, verzonden op 21 maart 2007, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 mei 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij eerstgenoemde brief heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 21 mei 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2007, waar appellant, in persoon en bijgestaan door mr. A.J.A.M. Brom, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.G. Schlösser, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Herziening De Zittert" bestemd als "Woonwagenstandplaatsen".

   Ingevolge artikel 9, aanhef en onder A, sub 1, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart als "Woonwagenstandplaatsen" aangewezen gronden bestemd voor de aanleg van een woonwagencentrum, met daarbij behorende tuinen en erven, toegangs- en verbindingspaden, groen- en recreatieve voorzieningen en parkeervoorzieningen.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder F, sub 6, van de planvoorschriften wordt in de voorschriften onder woonwagen verstaan: een wagen die (nagenoeg) voortdurend als woning wordt gebezigd en daartoe is bestemd.

2.3.    Blijkens de bouwtekeningen voorziet het bouwplan in een woonverblijf van twee verdiepingen en met een oppervlakte van ongeveer 93 m² geplaatst op stalen liggers. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit bouwwerk gelet op omvang en plaatsing op stalen liggers niet kan worden aangemerkt als een wagen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder F, sub 6, van de planvoorschriften. Nu het beoogde woonverblijf niet kan worden aangemerkt als een woonwagen in de zin van de planvoorschriften, is het bouwplan niet in overeenstemming met de bestemming "Woonwagenstandplaatsen". Het betoog van appellant dat het bouwwerk voldoet aan de afwijkende omschrijving van het begrip woonwagen in de Woningwet, daargelaten wat er van zij, kan niet leiden tot het oordeel dat het bouwplan met het bestemmingsplan in overeenstemming is. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het bestemmingsplan een meer restrictieve omschrijving van het begrip woonwagen bevat dan de Woningwet. Er is geen wettelijk voorschrift dat de planwetgever verplicht in een bestemmingsplan een ter zake met de Woningwet gelijkluidende omschrijving te hanteren. Voorts brengt de omstandigheid dat het bestemmingsplan niet tijdig is herzien niet mee dat daaraan geen verbindende werking toekomt. Appellant betoogt gelet op het voorgaande tevergeefs dat de door hem gevraagde bouwvergunning ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet van rechtswege is verleend.

2.4.    Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan vanwege schaal en maat niet passend is in zijn omgeving en dat het verlenen van vrijstelling derhalve niet in de rede ligt. Het college heeft in dit verband gewezen op het negatieve advies van de welstandscommissie Noord-Brabant van 29 augustus 2005 waarin wordt gesteld dat de nieuwbouw zich slecht voegt in de karakteristiek van het bestaande en veel te massaal is voor de kleine kavel waarop het is gesitueerd. Appellant heeft geen deskundigenadvies overgelegd waarin dit standpunt wordt weerlegd.

2.5.    Vaststaat dat is gehandeld in strijd met 40, eerste lid, van de Woningwet nu appellant het woonverblijf heeft gerealiseerd zonder daarvoor vereiste bouwvergunning. Derhalve was het college bevoegd ter zake handhavend op te treden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.    Van concreet zicht op legalisatie was ten tijde van belang geen sprake gelet op voormeld besluit van 14 februari 2006 waarbij het college zijn besluit tot weigering van bouwvergunning voor het woonverblijf heeft gehandhaafd, welk besluit blijkens hetgeen hiervoor is overwogen, in rechte stand houdt.

2.7.    Appellant betoogt met succes dat hij niet kan voldoen aan de last voor zover die strekt tot het terugplaatsen van de van het perceel verwijderde woonwagen. De last tot het terugplaatsen van de woonwagen gaat verder dan op grond van artikel 5:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is toegestaan.

   Een last onder dwangsom kan uitsluitend worden opgelegd teneinde de overtreding van het bepaalde bij of krachtens een wettelijk voorschrift te beëindigen. In dit geval bestaat de overtreding uit het bouwen van het woonverblijf zonder bouwvergunning, niet uit het verwijderen van de woonwagen. De overtreding wordt reeds beëindigd indien het woonverblijf wordt verwijderd. De last tot het terugplaatsen van de woonwagen strekt derhalve verder dan nodig is om de overtreding te beëindigen en heeft bovendien het niet toelaatbare gevolg dat dwangsommen worden verbeurd indien niet aan die last wordt voldaan. Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 4 juli 2006 voor zover daarbij de last tot het terugplaatsen van de woonwagen is gehandhaafd, wegens strijd met artikel 5:32 van de Awb niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

2.8.    Blijkens het besluit van 16 maart 2006 heeft het college de hoogte van de dwangsom gerelateerd aan de gemiddelde huurprijs van een appartement met één slaapkamer in de wijk Zittert waarin het perceel is gesitueerd, vermeerderd met 25%. Ook indien de last wordt beperkt tot het verwijderen en verwijderd houden van het woonverblijf, ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de overtreding. De brief van het college aan de gemachtigde van appellant van 26 maart 2007 is van informatieve aard en niet gericht op enig rechtsgevolg. Die brief kan niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. De omstandigheid dat daarin de hoogte van de dwangsom onjuist is weergegeven maakt dat niet anders.

2.9.    Het hoger beroep is gegrond voor zover de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de last tot het terugplaatsen van de woonwagen ten onrechte heeft gehandhaafd. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. De Voorzitter zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep in zoverre gegrond verklaren en het besluit van 4 juli 2006 in zoverre vernietigen. De Voorzitter ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, het besluit van 22 maart 2006 te herroepen voor zover appellant daarbij is gelast de van het perceel verwijderde woonwagen terug te plaatsen. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

2.10.    Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.11.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 maart 2007 in de zaken nos. AWB 06/1752 en 06/3626, voor zover daarbij de gehandhaafde last tot het terugplaatsen van de van het perceel verwijderde woonwagen in stand is gelaten;

III.    verklaart het bij de rechtbank tegen het besluit van 4 juli 2006 ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Grave van 4 juli 2006, kenmerk V&H/HV-AS-0674, voor zover daarbij de last tot het terugplaatsen van de van het perceel verwijderde woonwagen is gehandhaafd;

V.    herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Grave van 22 maart 2006, kenmerk V&H/HV-BT-0630, voor zover appellant daarbij is gelast de van het perceel verwijderde woonwagen terug te plaatsen;

VI.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII.    wijst het verzoek af;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Grave tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1338,66 (zegge: dertienhonderdachtendertig euro en zesenzestig cent), waarvan € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Grave aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX.    gelast dat de gemeente Grave aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 355,00 (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom                               w.g. Willems

Voorzitter                                  ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2007

412