Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7154

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200609196/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslissing op aanvraag na gegrondverklaring bezwaar tegen buitenbehandelingstelling is primair besluit / samenhang

Bij de besluiten van 7 april 1999 zijn de aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van geldige machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv's).

Bij de besluiten van 24 oktober 2001 heeft de staatssecretaris de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren gegrond verklaard, omdat de beslissingen ten aanzien van de vrijstelling van het mvv-vereiste onzorgvuldig waren gemotiveerd.

Vervolgens heeft de minister de aanvragen bij de besluiten van 2 juli 2003 afgewezen omdat appellanten niet voldoen aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van het zogenoemde driejarenbeleid.

Nu laatstvermelde beslissingen niet samenhangen met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvragen, dienen deze besluiten te worden aangemerkt als primaire besluiten.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 120
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/334 met annotatie van BKO
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200609196/1.

Datum uitspraak: 1 juni 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdelingen],

appellanten,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/9101, 06/9105, 06/53909 en 06/53910 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, van 21 november 2006 in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 7 april 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld.

Bij onderscheiden besluiten van 24 oktober 2001 heeft de staatssecretaris de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren gegrond verklaard en bepaald dat de aanvragen alsnog in behandeling dienen te worden genomen.

Bij onderscheiden besluiten van 2 juli 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) voormelde aanvragen afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 23 januari 2006 heeft de minister de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 21 november 2006, verzonden op 28 november 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, (hierna: de rechtbank) de bezwaren van appellanten, gericht tegen de besluiten van 2 juli 2003, aangemerkt als beroepen en deze ongegrond verklaard, de door appellanten tegen de besluiten van 23 januari 2006 ingestelde beroepen gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 december 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 januari 2007 heeft de Minister van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.

2.1.1. De rechtbank heeft overwogen dat de besluiten van 2 juli 2003, naast de besluiten van 24 oktober 2001, deel uitmaken van de beslissingen op bezwaar tegen de besluiten van 7 april 1999, de door appellanten tegen de besluiten van 2 juli 2003 ingediende bezwaren aangemerkt en behandeld als beroepen en deze beroepen geregistreerd onder de kenmerken AWB 06/53909 en 06/53910. De beroepen tegen de besluiten van 23 januari 2006 heeft de rechtbank geregistreerd onder de kenmerken AWB 06/9101 en 06/9105.

2.1.2. De rechtbank heeft onder de aangevallen uitspraak een rechtsmiddelenclausule opgenomen, waarin staat vermeld dat tegen de uitspraak ten aanzien van de beroepen met kenmerken AWB 06/53909 en 06/53910 ingevolge artikel 120 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) geen hoger beroep openstaat en tegen de uitspraak ten aanzien van de beroepen met kenmerken AWB 06/9101 en 06/9105 hoger beroep openstaat.

2.1.3. De Afdeling zal allereerst beoordelen of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de besluiten van 2 juli 2003 als onderdeel van de beslissingen op bezwaar tegen de besluiten van 7 april 1999 dienen te worden aangemerkt en dientengevolge artikel 120 van de Vw 2000 aan het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is beslist op de als beroepen aangemerkte bezwaren tegen de besluiten van 2 juli 2003, in de weg staat.

2.1.4. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 22 juli 2005 in zaak no. 200503814/1 (AB 2005, 379) onder verwijzing naar haar uitspraak van 6 juni 1995 in zaak no. H01.94.0015 (AB 1995, 416) heeft overwogen, vloeit uit het karakter van de bezwaarschriftenprocedure voort dat, indien het bestuursorgaan na heroverweging van oordeel is dat het desbetreffend besluit niet in stand kan blijven, het niet kan volstaan met gegrondverklaring van het bezwaarschrift, doch voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats dient te stellen.

Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 20 november 2006 in zaak no. 200603727/1 (ter voorlichting van partijen aangehecht) heeft overwogen, dient in het geval een aanvraag uitsluitend buiten behandeling is gesteld omdat niet is voldaan aan de procedurele vereisten voor het indienen hiervan en het daartegen gemaakte bezwaar gegrond is, de daarop volgende beslissing op die aanvraag, die niet samenhangt met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen het niet in behandeling nemen ervan, te worden aangemerkt als primair besluit.

2.1.5. Bij de besluiten van 7 april 1999 zijn de aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van geldige machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv's).

Bij de besluiten van 24 oktober 2001 heeft de staatssecretaris de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren gegrond verklaard, omdat de beslissingen ten aanzien van de vrijstelling van het mvv-vereiste onzorgvuldig waren gemotiveerd.

Vervolgens heeft de minister de aanvragen bij de besluiten van 2 juli 2003 afgewezen omdat appellanten niet voldoen aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van het zogenoemde driejarenbeleid.

Nu laatstvermelde beslissingen niet samenhangen met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvragen, dienen deze besluiten te worden aangemerkt als primaire besluiten.

2.1.6. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de besluiten van 2 juli 2003 een onderdeel vormen van de beslissingen op bezwaar tegen de besluiten van 7 april 1999. Aangezien de - primaire - besluiten van 2 juli 2003 dateren van na 1 april 2001, staat artikel 120 van de Vw 2000 niet in zoverre aan hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak in de weg. De Afdeling is derhalve bevoegd kennis te nemen van het hoger beroep.

2.2. Nu de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de besluiten van 2 juli 2003 een onderdeel vormen van de beslissingen op bezwaar tegen de besluiten van 7 april 1999, heeft de rechtbank ten onrechte de bezwaarschriften als beroepschriften aangemerkt en in behandeling genomen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte de beroepen geregistreerd onder AWB 06/53909 en 06/53910 ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank niet onderkend dat de besluiten van 23 januari 2006 beslissingen op de bezwaren tegen de besluiten van 2 juli 2003 bevatten. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de besluiten van 23 januari 2006 in strijd met de wet zijn genomen en gelet daarop ten onrechte de daartegen ingestelde beroepen, met kenmerken AWB 06/9101 en 06/9105, gegrond verklaard en die besluiten vernietigd.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet hierop, behoeft de grief geen bespreking. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.4. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, van 21 november 2006 in de zaken nos. AWB 06/9101, 06/9105, 06/53909 en 06/53910;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;

V. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State het door appellanten betaalde griffierecht ten bedrage van € 211,00 (zegge: tweehonderdelf euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Zwemstra

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007

91-553.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak