Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7148

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
200701156/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewaring / ongewenstverklaring en uitzetting in 2002 / verstrijken redelijke termijn / rechtmatig verblijf

Gelet op het bepaalde in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000, en in aanmerking genomen dat appellant, naar gesteld, eerst op 29 januari 2007 een aanvraag tot opheffing van het besluit tot ongewenstverklaring heeft gedaan en de termijn, waarbinnen de staatssecretaris op dit verzoek moet beslissen, nog niet is verstreken, had appellant ten tijde van de inbewaringstelling geen toegang tot Nederland en derhalve evenmin rechtmatig verblijf hier te lande. Met de rechtbank kan derhalve worden geconcludeerd dat appellant in bewaring kon worden gesteld.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 8.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701156/1.

Datum uitspraak: 5 juni 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/3542 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 8 februari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2007 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 februari 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Minister van Justitie (hierna: de minister) is in de gelegenheid gesteld een reactie in te dienen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2007, waar de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris), vertegenwoordigd door mr. M.P. Bouma, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie, is verschenen. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld nadere stukken over te leggen. Bij faxbericht van 10 mei 2007 heeft de staatssecretaris dit gedaan. Bij brief van 23 mei 2007 heeft appellant hierop gereageerd. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: de Richtlijn) kunnen lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover thans van belang, moeten de om redenen van openbare orde genomen maatregelen in overeenstemming te zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd te zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Richtlijn, voor zover thans van belang, neemt een gastland, alvorens een besluit tot verwijdering van het grondgebied om redenen van openbare orde te nemen, de duur van het verblijf van de betrokkene op het grondgebied van dit land, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong, in overweging.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Richtlijn, voor zover thans van belang, kunnen personen die zijn verwijderd om redenen van openbare orde na verloop van een redelijke termijn, die afhankelijk is van de omstandigheden en in elk geval 3 jaar na de tenuitvoerlegging van het overeenkomstig het Gemeenschapsrecht rechtsgeldig uitgevaardigde definitieve besluit tot verwijdering, een aanvraag tot opheffing van dit besluit indienen onder aanvoering van argumenten om te bewijzen dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit rechtvaardigen om jegens hem een verwijderingsmaatregel uit te vaardigen. De betrokken lidstaat neemt zijn besluit binnen zes maanden te rekenen vanaf de indiening van de aanvraag.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel hebben de in het eerste lid genoemde personen gedurende de behandeling van deze aanvraag geen recht van toegang tot het grondgebied van de betrokken lidstaat.

2.2. Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) is Hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2 EG/EER van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000, voor zover thans van belang, kan aan een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.7, die in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, de toegang tot Nederland slechts worden geweigerd om redenen van openbare orde, indien hij om redenen van de openbare orde uit Nederland is verwijderd en sinds de verwijdering nog geen redelijke termijn is verstreken.

Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, van het Vb 2000, voor zover thans van belang, kan Onze minister het rechtmatig verblijf ontzeggen of beëindigen om redenen van openbare orde, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel, voor zover thans van belang, kan de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring slechts worden gedaan nadat sinds de verwijdering om redenen van openbare orde een redelijke termijn is verstreken of indien die verwijdering tenminste 3 jaren voorafgaand aan de aanvraag heeft plaatsgevonden.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel wordt binnen zes maanden een beschikking gegeven op de in het vierde lid bedoelde aanvraag.

2.3. In zijn enige grief klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris in het in rechte onaantastbare besluit tot ongewenstverklaring van 9 januari 2002, genoegzaam de in artikel 28 van de Richtlijn genoemde omstandigheden heeft betrokken, dat dit besluit gelijkgesteld kan worden met een besluit ter beëindiging van het verblijfsrecht, als bedoeld in de Richtlijn, en derhalve uit de ongewenstverklaring volgt dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en in bewaring kon worden gesteld. Daartoe voert appellant aan dat de artikelen 27, 28 en 29 van de Richtlijn, in onderlinge samenhang bezien, impliceren dat direct voorafgaand aan een besluit tot verwijdering dient te worden bezien of hij een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt, waarbij de omstandigheden, bedoeld in artikel 28 van de Richtlijn, worden betrokken. Volgens appellant voldoet het besluit tot ongewenstverklaring, die 5 jaar geleden is opgelegd, hieraan niet.

2.3.1. Appellant is van Italiaanse nationaliteit, zodat hij als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 1, onderdeel e, onder 1°, van de Vw 2000 in beginsel hier te lande rechtmatig verblijf heeft op de voet van artikel 8, aanhef en onder e, van die wet.

2.3.2. Appellant is bij besluit van 9 januari 2002 ongewenst verklaard, waarbij de staatssecretaris zich, onder verwijzing naar de strafrechtelijke veroordelingen van appellant in Nederland en Duitsland en het gevaar voor recidive, op het standpunt heeft gesteld dat zijn gedrag een actuele bedreiging vormt voor de openbare orde. Hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is.

Blijkens het verhandelde ter zitting en de door de staatssecretaris bij faxbericht van 10 mei 2007 overgelegde stukken, waaronder een bericht van verwijdering (Model M-100), is appellant reeds op 25 januari 2002 om redenen van openbare orde uitgezet naar Italië.

Gelet op het bepaalde in artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000, en in aanmerking genomen dat appellant, naar gesteld, eerst op 29 januari 2007 een aanvraag tot opheffing van het besluit tot ongewenstverklaring heeft gedaan en de termijn, waarbinnen de staatssecretaris op dit verzoek moet beslissen, nog niet is verstreken, had appellant ten tijde van de inbewaringstelling geen toegang tot Nederland en derhalve evenmin rechtmatig verblijf hier te lande. Met de rechtbank kan derhalve worden geconcludeerd dat appellant in bewaring kon worden gesteld. De grief faalt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Van Roosmalen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007

53-513.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak