Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7140

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
200701377/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken van besluiten geen misbruik van bevoegdheid

Niet in geschil is dat de minister, naar deze in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift heeft aangevoerd, de door appellant bedoelde besluiten onvoldoende draagkrachtig had gemotiveerd en deze daarom heeft ingetrokken. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister misbruik van voormelde bevoegdheid heeft gemaakt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701377/1.

Datum uitspraak: 1 juni 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/31013 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 25 januari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), voor zover thans van belang, een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 januari 2007, verzonden op 29 januari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 februari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 maart 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de beroepsgrond dat de minister, door twee maal een besluit tot afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kort voor de behandeling ter zitting van de rechtbank van het daartegen ingestelde beroep in te trekken en vervolgens in een nieuw besluit nieuwe gronden voor de afwijzing van de aanvraag aan te voeren, zich aan misbruik van bevoegdheid schuldig heeft gemaakt.

2.1.1. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op de in de grief aan de orde gestelde beroepsgrond. De grief slaagt derhalve.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende.

2.2.1. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Awb brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

2.2.2. Niet in geschil is dat de minister, naar deze in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift heeft aangevoerd, de door appellant bedoelde besluiten onvoldoende draagkrachtig had gemotiveerd en deze daarom heeft ingetrokken. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister misbruik van voormelde bevoegdheid heeft gemaakt.

De grond faalt.

2.2.3. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.2.4. Gelet op het voorgaande, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaren.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 25 januari 2007 in zaak no. AWB 06/31013;

III. verklaart het door appellant bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

Voorzitter w.g. Hazen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007

452

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak