Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7103

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200606057/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2005 heeft de gemeenteraad van Bergen (Limburg), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2005, het bestemmingsplan "KOBS-locatie" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Natuurbeschermingswet 1998 19j
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606057/1.

Datum uitspraak: 12 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1],

2.    [appellant sub 2],

allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2005 heeft de gemeenteraad van Bergen (Limburg), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2005, het bestemmingsplan "KOBS-locatie" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 20 juni 2006, kenmerk 2006/27626, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Verweerder heeft bij zijn besluit van 20 juni 2006, kenmerk 2006/27626, tevens beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan op grond van artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998).

Tegen het besluit omtrent goedkeuring op grond van de WRO hebben appellant sub 1 bij brief van 14 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2006, en appellant sub 2 bij brief van 17 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2006, beroep ingesteld.

Tegen het besluit omtrent goedkeuring op grond van de Nbw 1998 heeft [appellant sub 2], eveneens per brief van 17 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 17 oktober 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad en [appellant sub 2]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2007, waar [appellant sub 1], in persoon, en [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.M.T.J. van Zandvoort, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Bergen, vertegenwoordigd door P.C.W. Peters en drs. E.R.M. Kuiper, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan op grond van de WRO en op grond van de Nbw 1998. Ingevolge de WRO rust ingevolge artikel 28, tweede lid, van die wet in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. Ingevolge de Nbw 1998 rust op verweerder in het voorliggende geval de taak om te bezien of het plan niet in strijd is met het bepaalde in artikel 19j, eerste en derde lid, van de Nbw 1998.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele aspecten

2.3.    [appellant sub 1] heeft bezwaar tegen de samengevatte weergave van zijn bedenkingen alsmede tegen de wijze waarop verweerder deze bedenkingen heeft behandeld.

2.3.1.    De Afdeling overweegt allereerst dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat verweerder de bezwaren samengevat weergeeft.

Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Ten aanzien van de stelling dat verweerder in zijn besluit niet kon verwijzen naar de reactie van de gemeenteraad op de ingebrachte bedenkingen, overweegt de Afdeling het volgende. Nu verweerder in zijn besluit heeft aangegeven in te stemmen met de reactie van gemeenteraad op de onder meer door appellant ingebrachte bedenkingen en hij deze reactie als bijlage bij zijn besluit heeft gevoegd, dient deze reactie te worden beschouwd als het standpunt van verweerder met betrekking tot de door appellant bij hem ingebrachte bedenkingen. De Afdeling overweegt dat in beginsel geen wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel aan een dergelijke handelwijze in de weg staat. Niet is gebleken dat dit in dit geval anders is.

   Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling in de omstandigheid dat verweerder de bedenkingen samengevat heeft weergegeven en in zijn besluit heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de reactie van de gemeenteraad op de door appellant ingebrachte bedenkingen, geen aanleiding te oordelen dat het bestreden besluit reeds daarom, gelet op de in rechtsoverweging 2.2 geformuleerde maatstaf, voor vernietiging in aanmerking zou komen.

Het standpunt van appellanten

2.4.    Appellanten stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan.

   Beide appellanten stellen dat het plangebied deel uitmaakt, of althans deel zou moeten uitmaken, van de (Provinciaal) Ecologische Hoofdstructuur (hierna respectievelijk de PES en de EHS), waar bouwen niet is toegestaan. Zij wijzen hierbij op de natuurwaarden van het betreffende bosgebied en het feit dat deze gronden in het voorgaande bestemmingsplan waren bestemd als "Bosgebied" en ingevolge dat plan deel uitmaakten van de EHS. Bovendien, zo stelt [appellant sub 2], liggen de gronden direct naast, en maken zij van oorsprong integraal deel uit, van het natuurgebied Maasduinen. Volgens hem leidt het plan tot verstorende effecten op dit gebied en had verweerder het plan op grond van artikel 19j van de Nbw 1998 niet mogen goedkeuren. Daarbij, zo stelt [appellant sub 2], is ten onrechte geen vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Nbw 1998 aangevraagd.

[appellant sub 2] stelt verder dat het plan in strijd is met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2001 (hierna: POL 2001) door woningbouw toe te staan in een gebied waar verstening juist wordt tegengegaan. Voorts stelt hij dat het plan in strijd is met de Ruimte voor Ruimteregeling en verder dat het plan in strijd is met het Pact van Brakkenstein doordat het bebouwing in een waardevol gebied toestaat.

Daarnaast hebben beide appellanten twijfels over de toepassing van het zogenoemde "nee, tenzij-principe". Zo zijn naar hun mening het zwaarwegend maatschappelijk belang en de noodzaak onvoldoende aangetoond en ligt aan de locatiekeuze slechts een financiële onderbouwing ten grondslag. Bovendien zijn appellanten van mening dat het onderzoek naar alternatieve locaties, waarbij de locaties Vogellaan, Bergsche bos en Droogstal 2 als alternatieven zijn afgewezen, ondeugdelijk is. Het feit dat in het plan thans wordt uitgegaan van een natuurcompensatiefactor van 1,66 in plaats van 3, bewijst volgens [appellant sub 1] de ondeugdelijke financiële onderbouwing. In dit verband stelt hij verder dat is uitgegaan van een hogere opbrengst van de gronden dan de marktprijs rechtvaardigde waarbij hij wijst op grondprijzen voor het Bargapark. Ten slotte is naar de stelling van [appellant sub 1] in de exploitatieberekening ten onrechte geen rekening gehouden met de te betalen rente en uit te keren planschadeclaims.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening dan wel het recht geacht en heeft het goedgekeurd. Verweerder heeft met de reactie van de gemeenteraad op de ingebrachte bedenkingen ingestemd en die - door aanhechting - ten grondslag gelegd aan zijn eigen besluit.

In deze reactie wordt gesteld dat het plangebied niet binnen de EHS of PES is gelegen en dat de Ruimte voor Ruimteregeling een uitzondering maakt op het beleid dat bouwen in het buitengebied in beginsel uitgesloten is. Voorts wordt gesteld dat het "nee, tenzij-principe", waarnaar appellanten verwijzen, ten grondslag ligt aan de natuurcompensatieregeling en dat het zwaarwegend maatschappelijk belang voor de bouw van de woningen is aangetoond. In dit verband wordt in de reactie vermeld dat de subsidies voor de sloop van 250.000 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing moeten worden terugverdiend met de bouw van 250 zogenoemde compensatiewoningen. De door appellanten genoemde alternatieve locaties Vogellaan, Bergsche bos (Vogellaan II) en Droogstal 2 bleken, onafhankelijk van de planologische onderbouwing, financieel niet haalbaar, en waren derhalve geen geschikt alternatief, aldus de reactie. Daarbij wordt in de reactie gesteld dat hoewel de locatie Bergsche bos op dit moment in ontwikkeling wordt genomen in het kader van de Ruimte voor Ruimteregeling (tweede tranche), dit niet afdoet aan de afwijzing van de locatie als alternatief in de eerste tranche, omdat de gronden niet in eigendom waren van de gemeente en thans worden ontwikkeld door de (particuliere) eigenaar. Voorts, zo wordt in de reactie gesteld, weegt het belang dat met de bouw van de woningen is gediend zwaarder dan het belang van de ter plaatse aanwezige natuurwaarden, hetgeen wordt bevestigd door natuuronderzoek. Verder wordt in de reactie vermeld dat de gehanteerde grondprijs in de exploitatieberekening realistisch is en is gebaseerd op de recent verkregen hogere grondprijs voor gronden in de directe omgeving van het plangebied. Verder kunnen mogelijke planschadeclaims worden gedekt door een positieve reserve en door de vermoedelijk hogere verkoopprijs van de gronden. In de reactie wordt dan ook gesteld dat het plan financieel uitvoerbaar is.

In aanvulling op de reactie van de gemeenteraad heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de zogenoemde habitattoets, het veldonderzoek en de provinciale natuurgegevens is gebleken dat geen significante effecten zijn te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied Maasduinen.

Het standpunt van de gemeenteraad

2.6.    De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat het zwaarwegend maatschappelijk belang van het plan is aangetoond, gelet op de doelstellingen van de Ruimte voor Ruimteregeling, te weten ontstening van het buitengebied en milieuwinst, tezamen met het financiële belang dat met de bouw van de woningen samenhangt.

De vaststelling van de feiten

2.7.    De Afdeling gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.1.    Het plan voorziet in de bouw van tien vrijstaande woningen op ruime kavels in een bosgebied. Dit gebied wordt globaal omsloten door de Burgemeester van Kempenstraat, De Oude Baan, het Bargapark en de Siebengewaldseweg. De bouwvlakken hebben alle een maximale oppervlakte van ongeveer 600 m2.

Het plangebied was in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" bestemd als "Bosgebied".

2.7.2.    Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, wijst de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister van LNV) gebieden aan ter uitvoering van richtlijn (EEG) nr. 79/409 en richtlijn (EEG) nr. 92/43.

2.7.3.    Ingevolge artikel V, eerste lid, van de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Staatsblad 2005, 195) gelden de besluiten van de minister van LNV houdende de aanwijzing van gebieden ter uitvoering van richtlijn (EEG) nr. 79/409 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103) (hierna: de Vogelrichtlijn) als besluiten als bedoeld in artikel 10a van de Nbw 1998.

2.7.4.    De minister van LNV heeft bij besluit van 24 maart 2000 (Stcrt. 31 maart 2000, nr. 65) het gebied de Maasduinen aangewezen als Speciale Beschermingszone (hierna: SBZ) als bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn.

Uit de toelichting bij het besluit, dat onderdeel uitmaakt van dit aanwijzingsbesluit, blijkt dat het gebied zich kwalificeert als SBZ vanwege het voorkomen van onder meer de volgende kwalificerende soorten: zwarte specht, nachtzwaluw en boomleeuwerik. Andere relevante soorten zijn onder meer de dodaars en de oeverzwaluw.

   Voorts staat Maasduinen op de lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en wilde flora en fauna (hierna: de Habitatrichtlijn)

   Reden voor aanmelding van het gebied Maasduinen is onder meer de hier voorkomende habitattypen "Veenbossen", Psammofiele heide met Calluna en Genista" en "Noord-Atlantische heide met Erica tetralix" alsmede de drijvende waterweegbree.

2.7.5.    Ingevolge artikel 19j, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, van de Nbw 1998, behoeft een besluit tot het vaststellen van een bestemmingsplan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het aangewezen gebied kan verslechteren of een verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, de goedkeuring van het college van gedeputeerde staten.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel zijn bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan als bedoeld in het eerste lid, ongeacht de beperkingen in het wettelijk voorschrift waarop dat berust, de artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van overeenkomstige toepassing. In deze artikelen is de zogenoemde habitattoets neergelegd.

2.7.6.    In het kader van de vaststelling van het plan heeft Res Nova op 15 december 2003 een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het plan in het kader van de Flora- en Faunawet, de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natuurbeschermingswet. In dit onderzoek "Bargapark, Projectplan Flora- en faunawet, Bouwlocatie Bergen Noord-Limburg" wordt geconcludeerd dat het plangebied enige ecologische waarden vertegenwoordigt, maar geen beschermde status geniet. Het maakt als zodanig geen deel uit van de SBZ en het gebied dat in het kader van de Habitatrichtlijn is aangemeld. Verder vermeldt het onderzoek dat het plan niet leidt tot noemenswaardige schade aan de biotopen in het gebied Maasduinen. Ten slotte wordt in het onderzoek gesteld dat enige beschermde flora- en faunasoorten voorkomen en wordt een aanvraag om ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet aanbevolen.

   In aanvulling op het onderzoek van Res Nova is in 2005 door Van der Mast een veldonderzoek uitgevoerd. In het onderzoeksrapport wordt vermeld dat het plangebied geen broedgebied is voor de kwalificerende soorten die in de aangrenzende SBZ voorkomen en dat de beschermde flora- en faunasoorten die volgens het onderzoek van Res Nova in het plangebied zouden voorkomen, niet werden aangetroffen. Ten slotte vermeldt het onderzoeksrapport dat als gevolg van de in het plan voorziene woningbouw geen significante effecten zullen optreden voor de specifieke natuur- en landschapswaarden in het gebied Maasduinen.

   Bij brief van 7 juli 2005 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het college van burgemeester en wethouders van Bergen medegedeeld dat voor de voorziene activiteiten binnen het plangebied geen ontheffing op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet is vereist.

2.7.7.    Provinciale staten hebben op 29 juni 2001 het POL 2001 vastgesteld. Het plangebied is hierin aangeduid als Perspectief 4: Vitaal landelijk gebied (hierna: P4 gebied). Het beleid in gebieden waaraan deze aanduiding is toegekend is, voor zover hier van belang, gericht op de bescherming van de omgevingskwaliteiten en het terugdringen van verstening.

Bij besluit van 14 oktober 2005 hebben provinciale staten de "POL herziening op onderdelen EHS" vastgesteld (hierna: het POL 2005). In deze herziening van het POL 2001 wordt de PES opgesplitst in de EHS, welke nauwkeuriger wordt begrensd, en de Provinciale Ontwikkelingszone Groen (hierna: POG). Bovendien wordt het beschermingsregime voor deze gebieden herzien. Verder blijkt uit het POL 2005 dat er ook bos- en natuurgebieden zijn die niet in de EHS dan wel de POG zijn opgenomen.

Blijkens de tekst van het POL 2005 heeft de herziening alleen gevolgen voor de Perspectieven 1, 2 en 3. Op de plankaart behorende bij het POL 2005 is het plangebied niet aangemerkt als EHS of POG.

2.7.8.    Het Pact van Brakkenstein vormt de grondslag voor de Ruimte voor Ruimteregeling. Het pact werd op 15 maart 2000 ondertekend door de ministeries van LNV en VROM, de provincies Gelderland, Overijssel, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

In het pact is onder meer neergelegd dat bij de bouw van compensatiewoningen waardevolle gebieden moeten worden ontzien.

   In het POL 2001 wordt op pagina 252 de Ruimte voor Ruimteregeling uiteengezet. Hier wordt vermeld dat bij beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van een intensieve veehouderij en de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing het mogelijk is om in ruil daarvoor de bouw van woningen op een passende locatie toe te staan. Kern van de regeling is dat de voorgefinancierde sloopsubsidie aan de agrariër wordt terugverdiend met de bouw van zogenoemde compensatiewoningen. Het POL 2001 vermeldt in dit verband dat hoewel de bouw van woningen in het buitengebied in beginsel uitgesloten is, de Ruimte voor Ruimteregeling hierop een uitzondering maakt. Wel is vereist dat de bouw van de compensatiewoningen uitsluitend plaatsvindt in de directe nabijheid van een bebouwingsconcentratie en moet aansluiten op bestaande bebouwing, bij voorkeur op de bebouwde kom. Bovendien moet de bouw van één woning volgens het POL 2001 samenhangen met de sloop van 1.000 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing en de inlevering van de milieurechten.

2.7.9.    In het POL 2001 is voorts een regeling voor natuurcompensatie opgenomen. Uit deze regeling blijkt, voor zover hier van belang, dat activiteiten die leiden tot verlies van bosgebieden die als zodanig in bestemmingsplannen zijn bestemd, niet zijn toegestaan, tenzij sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en alternatieven ontbreken. Volgens de natuurcompensatieregeling zal per activiteit worden beoordeeld of het maatschappelijk belang van de ingreep opweegt tegen de nadelige gevolgen, waarbij tevens wordt gekeken naar mitigerende maatregelen.

   In de gemeentelijke notitie "Waar is Ruimte voor Ruimte" van 17 augustus 2000 is vermeld dat de gemeente Bergen, op basis van het aantal gesloopte vierkante meters aan agrarische bedrijfsbebouwing, in aanmerking komt voor de bouw van vijf compensatiewoningen. Daarnaast wordt in de notitie vermeld dat de gemeente Bergen bereid is extra compensatiewoningen te bouwen voor gemeenten die niet beschikken over geschikte woningbouwlocaties. In overleg met ambtenaren van de provincie zijn elf locaties op financiële en ruimtelijke haalbaarheid beoordeeld. Daarbij vielen diverse locaties af doordat zij financieel niet haalbaar bleken, aldus de notitie. Uiteindelijk heeft het college van burgemeester en wethouders vier locaties aan verweerder voorgesteld waarbij hij zijn voorkeur voor de KOBS-locatie heeft uitgesproken.

   Bij brief van 1 februari 2001 heeft het college van gedeputeerde staten aan het college van burgemeester en wethouders medegedeeld dat de KOBS-locatie voldoet aan het "nee, tenzij-principe" van de natuurcompensatieregeling. In de brief heeft het college van gedeputeerde staten de bouw van 250 compensatiewoningen in het kader van de Ruimte voor Ruimteregeling (eerste tranche) op basis van de sloop van ongeveer 250.000 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing, als maatschappelijke noodzaak aangemerkt. Als uitgangspunt bij het zoeken naar alternatieve locaties geldt dat op basis van de oppervlakte aan gesloopte bedrijfsbebouwing in een gemeente, binnen de gemeentegrenzen wordt gezocht naar geschikte locaties voor de bouw van compensatiewoningen.

In de brief is voorts vermeld dat de gemeente Bergen vervolgens een selectie heeft gemaakt van locaties in de directe omgeving van de kern welke in eigendom zijn van de gemeente. Hierna is voor elke locatie een financiële en ruimtelijke beoordeling gemaakt, waarna het college van burgemeester en wethouders vier locaties aan verweerder hebben voorgelegd. Uiteindelijk bleek er buiten de KOBS-locatie geen reëel financieel haalbaar alternatief te bestaan, zo volgt uit de brief.

2.7.10.    Op pagina 6 van de plantoelichting is vermeld dat ter compensatie van het grondoppervlak dat wordt onttrokken aan het bosgebied - ongeveer 1,43 ha aan uitgeefbare grond en infrastructuur - elders in de gemeente een bestaand waardevol gebied wordt versterkt met een oppervlakte van ongeveer 2,37 ha.

Ten aanzien van de te hanteren natuurcompensatiefactor heeft verweerder het college van burgemeester en wethouders bij brief van 30 juni 2005 medegedeeld dat de natuurcompensatiefactor afhankelijk is van de ontwikkelingstijd van de te compenseren gronden. Volgens deze brief is het bosgebied in het plangebied ouder dan 25 jaar waarvoor een toeslag van 66% geldt, en derhalve een natuurcompensatiefactor van 1,66.

2.7.11.    In de bij het bestemmingsplan behorende exploitatieberekening is een overzicht opgenomen van de kosten en opbrengsten die met de ontwikkeling van het plan samenhangen. Elke post is daarbij voorzien van een nadere onderbouwing.

Voor de berekening van de kosten voor natuurcompensatie is uitgegaan van de te compenseren oppervlakte van 1,43 ha welke is vermenigvuldigd met een prijs per vierkante meter en de omvang van de oppervlakte van de compensatiegronden van 2,37 ha vermenigvuldigd met een prijs per vierkante meter.

Onder de post opbrengsten is uitgegaan van een grondprijs van € 181,41 exclusief BTW per vierkante meter.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.    Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 2] dat ten onrechte geen vergunning op grond van artikel 19d van de Nbw 1998 is aangevraagd, overweegt de Afdeling dat geen rechtsregel bestaat die vereist dat ten tijde van het nemen van een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan overeenkomstig artikel 19j van de Nbw 1998, de vereiste vergunning op grond van artikel 19d Nbw 1998 reeds is aangevraagd.

   Zoals in overweging 2.7.5. is vermeld dient een bestuursorgaan bij de vaststelling van een plan, ingevolge artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998, de zogenoemde habitattoets uit te voeren. De in overweging 2.7.6. genoemde onderzoeken geven blijk van een dergelijke toets. Verweerder heeft zich bij zijn besluit gebaseerd op deze onderzoeken alsmede op de provinciale natuurgegevens. Hieruit blijkt dat uitgesloten kan worden dat het plan  significante gevolgen heeft voor de SBZ Maasduinen. In de onderzoeken zijn tevens de effecten van het plan op het gebied zoals dat is aangemeld als Habitatrichtlijngebied beoordeeld. Het plan zal blijkens de onderzoeksresultaten evenmin leiden tot significante gevolgen voor het als Habitatrichtlijn aangemelde gebied Maasduinen. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze onderzoeken zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat verweerder zich daarop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren.

   Het betoog van [appellant sub 2] dat artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998 niet is nageleefd, slaagt derhalve niet.

2.9.    Het plangebied is in het POL 2001 aangeduid als P4 gebied. In het POL 2005 is deze aanduiding niet herzien. Het gebied maakt gelet op overweging 2.7.7., geen deel uit van de PES dan wel de EHS. Hoewel appellanten stellen dat de gronden, gelet op de aldaar voorkomende natuurwaarden en de daaraan in het voorgaande bestemmingsplan toegekende bosbestemming, juist aangemerkt hadden moeten worden als PES dan wel EHS, heeft verweerder voor het plangebied in redelijkheid van de aanduiding als P4 gebied kunnen uitgaan. Daarbij heeft verweerder zich kunnen baseren op de in overweging 2.7.6. genoemde natuuronderzoeken waaruit blijkt dat de natuurwaarden in het plangebied geen beschermde status genieten en dat het gebied, anders dan [appellant sub 2] meent, geen deel uitmaakt van het natuurgebied Maasduinen. Ten slotte acht de Afdeling van belang dat uit het POL 2005 blijkt dat niet beoogd is alle bosgebieden binnen de provincie als EHS dan wel POG aan te merken.

De stelling van [appellant sub 1] dat verweerder door toepassing van het "nee, tenzij-principe" erkent dat het plangebied als PES dan wel EHS had moeten worden aangemerkt, is niet juist. Het "nee, tenzij-principe" dient volgens het POL 2001 te worden toegepast zodra sprake is van activiteiten die leiden tot verlies van bosgebied, ongeacht of dit gebied is aangeduid als PES dan wel EHS.

2.10.    Niet in geschil is dat de bouw van de compensatiewoningen plaatsvindt in aansluiting op de bestaande bebouwing van het Bargapark in de kern Nieuw Bergen.

Ten aanzien van de gestelde strijd met het POL 2001 overweegt de Afdeling dat het POL 2001 zich voor P4 gebieden weliswaar richt op het terugdringen van verstening in het buitengebied, maar dat de Ruimte voor Ruimteregeling voor de bouw van compensatiewoningen hierop uitdrukkelijk een uitzondering maakt. Daarbij acht de Afdeling van belang dat verweerder terecht heeft gesteld dat het plan substantieel bijdraagt aan de zogenoemde ontstening van het buitengebied. Voor de sloop van elke 1.000 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing wordt in dit plan namelijk één woning teruggebouwd met een maximaal bouwvlak van 600 m2.

Verder is het doel van de Ruimte voor Ruimteregeling, anders dan [appellant sub 2] stelt, niet gelegen in de versterking van de EHS maar in het ontstenen van het buitengebied en het verminderen van de milieuproblematiek. Voorts heeft verweerder kunnen stellen dat het plan evenmin in strijd is met het Pact van Brakkenstein. Hij heeft zich daarbij mogen baseren op de in overweging 2.7.6. genoemde natuuronderzoeken waaruit blijkt dat het plangebied geen beschermde status geniet en geen bijzondere, te beschermen natuurwaarden bevat.

2.11.    Ten aanzien van de vraag of aan het "nee, tenzij-principe" van de natuurcompensatieregeling is voldaan, overweegt de Afdeling dat, gelet op hetgeen in de gemeentelijke notitie "Waar is Ruimte voor Ruimte" is vermeld, verweerder de noodzaak voor de bouw van tien woningen in het kader van de Ruimte voor Ruimteregeling aanwezig heeft kunnen achten. Het feit dat dit plan vijf compensatiewoningen meer mogelijk maakt dan de vijf compensatiewoningen die de gemeente Bergen, gelet op het aantal gesloopte vierkante meters aan agrarische bedrijfsbebouwing binnen de gemeente, mag bouwen, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat in gemeenten in de directe omgeving van Bergen geen geschikte locaties voor de bouw van compensatiewoningen voorhanden waren.

   Dat verweerder bij de beoordeling of sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang gewicht heeft toegekend aan het feit dat de woningen worden gebouwd in het kader van de Ruimte voor Ruimteregeling, acht de Afdeling niet onredelijk. Verweerder heeft de dubbele doelstelling van de regeling, namelijk de ontstening van het buitengebied en de afname van milieuproblematiek, dan ook bij zijn beoordeling kunnen betrekken.

Ten aanzien van het onderzoek naar alternatieven hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van zijn besluit niet had mogen baseren. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling, gelet op de kern van de Ruimte voor Ruimteregeling, bij dit onderzoek dan ook kunnen richten op de vraag of woningbouw op de alternatieve locaties financieel haalbaar is. Kern van deze regeling is immers dat de compensatiewoningen worden gebouwd op een locatie die potentieel voldoende rendement oplevert om de voorgefinancierde sloopsubsidies te kunnen opbrengen. Gelet hierop heeft het onderzoek zich dan ook kunnen richten op gronden die in eigendom van de gemeente Bergen zijn en niet reeds voor een hoge prijs waren aangekocht, welke locaties immers het meest kansrijk zijn voor het behalen van voldoende rendement. Dit in aanmerking nemende heeft verweerder de locatie Vogellaan en Bergsche Bos (Vogellaan II) kunnen afwijzen als alternatieve locaties. Ter zitting is verder gebleken dat verweerder en de gemeenteraad voor de bouw van de compensatiewoningen geen locaties in aanmerking hebben genomen die als reguliere woningbouwlocaties zijn aangemerkt. Om die reden zijn volgens verweerder en de gemeenteraad de locaties Droogstal II en Afferdse Heide afgevallen. De Afdeling acht dit niet onredelijk nu verweerder en de gemeenteraad ter zitting hebben gesteld dat de locaties voor reguliere woningbouw zien op afwisselende woningbouw, gericht op huur- en koopwoningen in verschillende prijsklassen, welke niet geschikt is voor compensatiewoningen.

   Ten slotte is de Afdeling van oordeel dat verweerder bij de afweging van het belang dat met de woningbouw is gediend en het belang dat zich hiertegen verzet, gewicht heeft kunnen hechten aan de beperkte natuurwaarde van de betreffende gronden.

2.12.    Met de bijstelling van de natuurcompensatiefactor van 3 naar 1,66 is, anders dan [appellant sub 1] stelt, niet beoogd de exploitatierekening sluitend te maken, maar is, gelet op overweging 2.7.10., beoogd te bepalen welke natuurcompensatiefactor dient te gelden voor de te compenseren gronden in het plan.

   Wat betreft het bezwaar van [appellant sub 1] dat in de exploitatieberekening onvoldoende rekening is gehouden met vergoeding van de door hem verwachte planschade, overweegt de Afdeling als volgt.

In de exploitatieberekening van het plan is geen rekening gehouden met planschadevergoedingen. Blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 ligt het in de rede bij het onderzoek met betrekking tot de financiële uitvoerbaarheid van het plan aan mogelijke planschade aandacht te besteden, indien deze op voorhand is te voorzien. Appellant heeft gesteld dat er planschade zal optreden, maar heeft daarvoor geen argumenten aangevoerd. Gelet hierop ziet de Afdeling in het betoog van appellant geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder goedkeuring aan het plan had moeten onthouden wegens strijdigheid daarvan met artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985.

   Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder in de omstandigheden dat mogelijk nog rente over het jaar 2007 is verschuldigd en de gehanteerde grondprijs geen aanleiding behoeven te zien om goedkeuring aan het plan te onthouden. Hierbij heeft hij in aanmerking kunnen nemen dat de in de exploitatierekening gehanteerde grondprijs lager is dan de prijs waarvoor gronden in de omgeving van het plangebied onlangs zijn verkocht. Hetgeen [appellant sub 1] in dit verband heeft aangevoerd omtrent de recente verkoop van woningen in het Bargapark, leidt niet tot een ander oordeel.

Slotconclusie  

2.13.    Gezien het vorenstaande geeft hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de bestreden goedkeuringsbesluiten anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn mitsdien ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel                    w.g. Rop

Voorzitter                    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2007

417-461.