Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7097

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200606058/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 13 januari 1999 heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Staatssecretaris) aanvragen van appellanten om een tegemoetkoming in schade tengevolge van extreem zware regenval geheel dan wel gedeeltelijk afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Wet op de Raad van State
Wet op de Raad van State 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 261 met annotatie van A.M.L. Jansen
NJB 2007, 1384
ABkort 2007/311
JB 2007/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606058/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. 05/237, 05/238, 05/239, 05/240, 05/241, 05/242, 05/243 en 05/342 van de rechtbank Assen van 4 juli 2006 in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 13 januari 1999 heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Staatssecretaris) aanvragen van appellanten om een tegemoetkoming in schade tengevolge van extreem zware regenval geheel dan wel gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluiten van 21 oktober 1999, 28 oktober 1999, 10 december 1999 en 19 januari 2000 heeft de Staatssecretaris de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2000 heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd, de bezwaren gegrond verklaard, bepaald dat de Staatssecretaris de aanvragen alsnog in behandeling neemt ter beoordeling op basis van een nieuwe ministeriële regeling en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

Bij uitspraak van 10 juli 2002 in zaak no. 200100171/1 heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, het daartegen door de Staatssecretaris ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.

Bij besluiten van 31 januari 2005 en 1 februari 2005 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister) de tegen de besluiten van 13 januari 1999 door appellanten gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juli 2006, verzonden op 7 juli 2006, heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 september 2006 heeft de Minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2007, waar van [gemachtigde], bijgestaan door mr. E.Tj. van Dalen, advocaat te Groningen, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. J.P. Henrich, advocaat te Den Haag, bijgestaan door drs. J.J.M. Schipper en drs. J.C.G. van Dam, beiden werkzaam bij LASER, zijn verschenen.

Voorts is als deskundige gehoord G. Nijhof, districtshydroloog Zuidwest bij het waterschap Hunze en Aa's.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: de Wet), voor zover van belang, wordt onder schadegebied verstaan het bij ministeriële regeling vastgestelde, in Nederland gelegen gebied waarin een ramp waarop deze wet ingevolge artikel 3 van toepassing is verklaard, heeft plaatsgevonden en waarin als gevolg daarvan schade is geleden, dan wel kosten zijn gemaakt als bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid.

    Ingevolge artikel 3 kan deze wet bij koninklijk besluit van toepassing worden verklaard in geval van een ramp of een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet rampen en zware ongevallen, die van ten minste vergelijkbare orde is als een overstroming door zoet water of een aardbeving.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, voor zover thans van belang, heeft een gedupeerde recht op een tegemoetkoming in de schade, voor zover de schade die hij heeft geleden, is ontstaan in het schadegebied en het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een ramp waarop deze wet ingevolge artikel 3 van toepassing is verklaard.

    Ingevolge artikel 1 van het Besluit van 5 maart 1999 (Stb. 1999, 128) is de Wet van toepassing op de schade en kosten die zijn ontstaan ten gevolge van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998.

    Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder d, van de Wet heeft de Staatssecretaris de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998 (Stcrt. 1998, 244, hierna: de WTS2-regeling) vastgesteld.

    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WTS2-regeling is deze van toepassing op de schade en kosten die zijn ontstaan als gevolg van de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998.

   Ingevolge het tweede lid worden als schadegebied, bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Wet aangewezen de gemeenten en delen van gemeenten die zijn genoemd in de bijlage behorende bij deze regeling.

    In de bijlage, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de WTS2-regeling, voor zover thans van belang, zijn in Drenthe de volgende gemeenten en delen van gemeenten als schadegebied aangewezen: Aa en Hunze (ged.), Assen (ged.), Borger-Odoorn (ged.) Coevorden, De Wolden, Emmen, Hoogeveen, Meppel, Middenveld, Noordenveld (ged.), Westerveld en Zuidlaren (ged.).

2.2.    Bij besluiten van 31 januari 2005 en 1 februari 2005 heeft de Minister de gehele of gedeeltelijke afwijzing van de aanvragen om een tegemoetkoming op grond van de WTS2-regeling gehandhaafd, omdat en voor zover de percelen waarop zij betrekking hebben buiten het schadegebied vallen. Gevolg gevend aan de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2002 heeft de Minister bezien of aanleiding bestaat het schadegebied uit te breiden. Bij de vaststelling van het schadegebied heeft de Minister de criteria gehanteerd, zoals vermeld in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 11 november 1998 (TK 1998-1999, 24 071, nr. 39). Een van de criteria is dat sprake is van een regenval van 75 mm of meer binnen 24 uur op 27 en 28 oktober 1998 (het zogenoemde 75 mm-gebied). Onder het schadegebied valt een strook over zuidelijk Drenthe, waar een neerslag van 75 mm binnen 24 uur op 27 en 28 oktober 1998 is gevallen en het gebied dat ten noorden direct aansluit op dit zogenoemde 75 mm-gebied, grofweg de gronden behorend tot de gemeenten Westerveld en Midden-Drenthe (voorheen: Middenveld), omdat door de afvoer van overtollig water het stroomgebied van het Meppelerdiep, in zuidelijke richting, gestremd raakte. Vanwege de uitzonderlijke situatie op de Groninger boezem is ook het stroomgebied van de Hunze in het oostelijk deel van de provincie Drenthe als schadegebied aangewezen. Omdat ook in het noordelijke gedeelte van Drenthe problemen zijn ontstaan bij de afwatering richting de Groninger boezem, heeft de Minister ook de benedenloop van de Drentse Aa tot aan de N33 (Provincialeweg Assen-Gieten) en tot op een afstand van 250 meter aan weerszijde van de bedding als schadegebied aangewezen. De percelen van appellanten liggen in het noordelijk deel van de provincie Drenthe, onder meer in het stroomdal van het Amerdiep, dat qua ligging en afwatering onderdeel uitmaakt van de bovenloop van de Drentsche Aa.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen dat de Minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door appellanten gestelde schade niet een rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van de binnen het schadegebied gevallen regen op 27 en 28 oktober 1998.

    Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de situatie op de percelen van appellanten niet vergelijkbaar was met de situatie in de gemeenten Westerveld en Midden-Drenthe (voorheen: Middenveld). Appellanten zijn volgens de Minister niet geconfronteerd met de problemen die de extreme regenval in het zogenoemde 75 mm-gebied heeft veroorzaakt in het stroomgebied van het Meppelerdiep. De percelen van appellanten behoren tot het stroomgebied van de Eems-Dollard, waarbij de afwatering loopt over (noordelijk) Drents gebied via de Drentsche Aa en de Hunze richting de provincie Groningen. Aannemelijk is geworden dat de stuwen in de Drentsche Aa niet zijn dichtgezet ten tijde van de extreme regenval, nu in de brieven van het waterschap Hunze en Aa's staat dat deze stuwen onveranderd op winterpeil zijn blijven staan. Ten aanzien van het dichtzetten van de stuwen in het Noord-Willemskanaal heeft de Minister gemotiveerd aangegeven dat dit niet heeft kunnen leiden tot wateroverlast op de percelen van appellanten.

    De Minister heeft voorts voldoende onderbouwd waarom de met toepassing van het criterium "waterstromen" aangewezen benedenloop van de Drentsche Aa als schadegebied in de lengte- en breedterichting is begrensd tot de N33 in het zuiden en tot op 250 meter aan weerszijde van de bedding.

    Ten aanzien van het grote tijdsverloop tussen de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2002 en de nieuwe beslissingen op bezwaar van 31 januari 2005 en 1 februari 2005 heeft de rechtbank overwogen dat dit er onder de gegeven omstandigheden niet toe leidt dat deze besluiten onrechtmatig moeten worden geacht.

2.4.    Het betoog van appellanten dat zij schade hebben geleden ten gevolge van de afvoer van het water uit het gebied in zuidelijk Drenthe, waar 75 mm of meer regen is gevallen, kan niet slagen, reeds omdat vast staat dat dit gebied ten zuiden van de waterscheiding bij Elp is gelegen en de percelen van appellanten ten noorden van die waterscheiding liggen in het stroomgebied van de Drentsche Aa.

2.4.1.    Dat de gestelde wateroverlast op de percelen van appellanten dezelfde oorzaak heeft gehad als die in de door de Minister als schadegebied aangewezen benedenloop van de Drentsche Aa tot op een afstand van 250 meter van de bedding, is door appellanten niet aannemelijk gemaakt en is door de Minister gelet op de ter plaatse van belang zijnde hoogteverschillen terecht ook niet aannemelijk geacht.

2.4.2.    Appellanten hebben voorts betoogd dat de rechtbank ten aanzien van hun stelling, dat de gestelde schade mede is veroorzaakt door het dichtzetten van de stuwen in de Drentsche Aa en het Noord-Willemskanaal, ten onrechte heeft overwogen dat de Minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de stuwen in de Drentsche Aa niet zijn dichtgezet ten tijde van de extreem zware regenval en dat het dichtzetten van de stuwen in het Noord-Willemskanaal niet tot wateroverlast op de percelen van appellanten heeft geleid. Onder verwijzing naar de rapporten van het door de Minister ingeschakelde Bureau Coördinatie Expertise-organisaties betogen appellanten dat het handmatig dichtzetten van de stuwen wel heeft geleid tot overstroming van hun percelen, gelegen in de buurt van het Amerdiep.

    De Minister heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de stuw bij het verdeelwerk Loon, dat de watertoevoer tussen het Noord-Willemskanaal en respectievelijk het Deurzerdiep en de Drentsche Aa reguleert, geen sprake is geweest van handmatig ingrijpen in de waterafvoer, waardoor de benedenstroom van de Drentsche Aa kunstmatig meer water te verwerken zou krijgen. Ter zitting is door de heer Nijhof bevestigd dat op voormeld verdeelwerk niet door handmatig ingrijpen de waterafvoer is veranderd. Ook dit betoog van appellanten slaagt dan ook niet.

2.4.3.    De conclusie is dat de rechtbank in hetgeen appellanten hebben aangevoerd terecht geen grond heeft gezien voor vernietiging van de in eerste aanleg bestreden besluiten.

2.5.    Appellanten klagen verder over de lange duur van de procedure sedert de besluiten van 13 januari 1999.

    Met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) dient deze klacht aldus te worden opgevat dat appellanten betogen dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), is geschonden, zoals appellanten ter zitting hebben bevestigd. Ter zitting hebben appellanten verzocht om vergoeding van schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn.

2.5.1.    De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellanten gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellanten, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak no. no. 30979/96, AB 2001, 86 en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, no. 62361/00, JB 2006, 134 ).

2.5.2.    Bij de vraag of de redelijke termijn is overschreden, neemt de Afdeling allereerst in aanmerking dat sedert de ontvangst door de Minister op 15 februari 1999, 2 maart 1999 en 4 maart 1999 van de bezwaarschriften tegen de besluiten van 13 januari 1999, ten tijde van deze uitspraak van de Afdeling ruim acht jaar is verstreken. Dit grote tijdsverloop is slechts ten dele te verklaren door het gegeven dat de zaak tot tweemaal toe in twee rechterlijke instanties is behandeld. Naar het oordeel van de Afdeling maakte de complexiteit van de zaak het grote tijdsverloop niet onvermijdelijk. Opvallend en door de Minister niet verklaard is voorts het tijdsverloop tussen de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2002 en de besluiten van de Minister van 31 januari 2005 en 1 februari 2005. Vastgesteld moet worden dat het tijdsverloop niet is veroorzaakt door het procesgedrag van appellanten.

    Dit samenstel van feiten en omstandigheden leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Deze klacht van appellanten treft derhalve doel.

2.6.    Bij gebreke van een andere wettelijke voorziening dan het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 39, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, is de Afdeling gehouden het hoger beroep gegrond te verklaren en de aangevallen uitspraak te vernietigen. De Afdeling zal de besluiten van 31 januari 2005 en 1 februari 2005 vernietigen in verband met hetgeen in overweging 2.5.2. is overwogen.

    Aangezien de Minister zich, gelet op de overwegingen 2.4. tot en met 2.4.3. terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 13 januari 1999 ongegrond dienen te worden verklaard, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven.

2.7.    De Afdeling ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 39, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, ter voorbereiding van een uitspraak omtrent het verzoek om vergoeding van immateriële schade ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn, het onderzoek te heropenen.

2.8.    De Minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 4 juli 2006 in de zaken nos. 05/237, 05/238, 05/239, 05/240, 05/241, 05/242, 05/243 en 05/342;

III.    verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV.    vernietigt de besluiten van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 31 januari 2005, kenmerk 04.02.045, 04.2.0042, 04.2.0041, 04.2.0039, 04.2.0043, 04.2.0040 en 04.0.044 en het besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 1 februari 2005, kenmerk 04.2.0046;

V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven;

VI.    bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder zaak no. 200701932/1 ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevorderde schadevergoeding;

VII.    veroordeelt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.932,00 (zegge: negentienhonderdtweeëndertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 1.512,00 (zegge: vijftienhonderdtwaalf euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

De Voorzitter                     w.g. Groenendijk

is verhinderd de uitspraak         ambtenaar van Staat

te ondertekenen.  

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

385