Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200601433/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Rijnsburg, thans gemeente Katwijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 januari 2005, het bestemmingsplan "Klei Oost-Zuid" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2007/3286
JOM 2007/707
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601433/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

3.    [appellanten sub 3], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Rijnsburg, thans gemeente Katwijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 januari 2005, het bestemmingsplan "Klei Oost-Zuid" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 20 december 2005, kenmerk DRM/ARB/05/6635A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 22 februari 2006, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde dag, [appellanten sub 2] bij brief van 22 februari 2006, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde dag, en [appellanten sub 3] bij brief van 21 februari 2006, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 juni 2006 heeft verweerder meegedeeld dat de beroepschriften hem geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 oktober 2006 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2007, waar [appellanten sub 3], vertegenwoordigd door mr. M.H. Nooij, advocaat te Den Haag, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. E. Schepers, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar namens de gemeenteraad R. Klaverveld en mr. J.W. van Heesen, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, gehoord. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] zijn met bericht van afwezigheid niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het bestemmingsplan voorziet onder meer in uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Klei-Oost met ongeveer vijftien hectare. Verder maakt het in het westen van het plangebied de aanleg van een parkeerterrein met ongeveer 350 parkeerplaatsen mogelijk.

Het standpunt van appellanten

2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden (B2)" en de nadere aanduiding "te handhaven bebouwing", wat betreft hun percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] en de direct daaraan grenzende gronden. [appellanten sub 3] stellen voorts dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" wat betreft de gronden gelegen aan de achterzijde van het perceel [locatie 3].

   Verder stellen appellanten dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, nu niet wordt voldaan aan de normen van het Besluit Luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005).

2.4.1.    Ter zitting hebben [appellanten sub 3] hun beroep voor zover het betreft de goedkeuring van artikel 11, zesde lid en onder 3, van de planvoorschriften ingetrokken.

Bestemmingen "Bedrijfsdoeleinden (B)" en "Verkeersdoeleinden (V)"

Standpunt van appellanten

2.5.    Appellanten zijn van mening dat hun woningen overeenkomstig het bestaande gebruik als burgerwoning hadden moeten worden bestemd. Verder vrezen appellanten aantasting van hun woon- en leefklimaat vanwege milieu- en verkeershinder, nu het plan de vestiging van nieuwe bedrijven in categorie 2 in de nabijheid van hun woningen mogelijk maakt.

Volgens [appellanten sub 3] worden zij onevenredig in hun belangen geschaad. In dit verband voeren zij aan dat een groot deel van de tuin en de bestaande opstallen niet zijn aangeduid als "te handhaven bebouwing", terwijl de ruimtewinst die dit oplevert voor het bedrijventerrein, gelet op de omvang van het gehele bedrijventerrein, gering is. Verder betwijfelen zij de uitvoerbaarheid van het plan, nu niet is gebleken van voldoende financiële middelen om de gronden die niet zijn aangeduid als "te handhaven bebouwing" te verwerven om het bestaande gebruik te kunnen beëindigen en de bestemmingen te realiseren. Daarnaast betogen [appellanten sub 3] dat op het perceel gelegen tussen de percelen [locatie 4] en [locatie 3] ten onrechte niet is voorzien in een burgerwoning, maar alleen een bedrijfswoning is toegestaan.

Het standpunt van verweerder

2.6.    Verweerder heeft, behoudens het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B3b)", zoals met rode belijning op de plankaart is weergegeven, geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht te achten en heeft het goedgekeurd.

2.6.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de afstanden in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (verder: de VNG-brochure) als uitgangspunt zijn genomen. Afwijking van deze indicatieve afstanden die volgens de VNG-brochure aangehouden dienen te worden ten opzichte van een rustige woonwijk is volgens verweerder mogelijk, nu op de beoogde locatie sprake is van een gemengde situatie van wonen, bedrijven en verkeer. Gelet hierop acht hij aanvaardbaar dat in de directe nabijheid van de bestaande woningen categorie 1 en 2 bedrijven zijn toegestaan. Ter zitting heeft verweerder voorts gesteld dat milieuhinder verder voorkomen kan worden met de mogelijkheden die beschikbaar zijn in het kader van de milieuwetgeving.

Vaststelling van de feiten

2.7.    Het bestemmingsplan heeft betrekking op het gebied ten noorden van de kern Rijnsburg. Ten westen van het plangebied ligt het voor geluid gezoneerde industrieterrein 't Heen. Ten noorden van het plangebied ligt het bedrijventerrein Klei-Oost. Een groot deel van het plangebied, waaronder de percelen van appellanten, ligt binnen de 50 dB(A) contour van het industrieterrein 't Heen.

   In de plantoelichting staat dat voor het deel Noordwijkerweg het beeld wordt bepaald door een menging van wonen, bedrijvigheid en kantoren.

   Volgens het deskundigenbericht wordt het plangebied gekenmerkt door (glastuinbouw)bedrijven met tussengelegen woningen, agrarische percelen en grasvelden.        

2.7.1.    Aan de gronden van appellanten is overwegend de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B2)" toegekend. Aan een strook langs de Noordwijkerweg op deze percelen is tevens de aanduiding "zone bedrijfswoning toegestaan" gegeven. De woningen van appellanten en de direct daaraan grenzende gronden zijn nader aangeduid als "te handhaven bebouwing (W)". Aan een deel van de gronden van appellanten is voorts de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" toegekend. De afstand tussen de gevels van de woningen van appellanten en de dichtstbijzijnde grens van plandelen waar categorie 2 bedrijven zijn toegestaan bedraagt ongeveer zes meter.

   Volgens het deskundigenbericht is blijkens de plankaart ongeveer 60 meter van de 70 meter diepe achtertuin van de woning aan de [locatie 3] bestemd als "Bedrijfsdoeleinden (B2)", respectievelijk "Verkeersdoeleinden (V)".

2.7.2.    Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart voor "Bedrijfsdoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijfsactiviteiten behorende tot een categorie van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals aangegeven op de plankaart (…);

f. vrijstaande woningen met bijbehorende erven en tuinen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "te handhaven bebouwing".

   Ingevolge het tweede lid, onder 2, van dit artikel, voor zover thans van belang, dienen bij het inrichten van het bedrijventerrein de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

d3. Langs de Noordwijkerweg mogen binnen de op de kaart aangegeven aanduiding "zone bedrijfswoning toegestaan" uitsluitend bedrijfswoningen en bedrijfskantoren worden gesitueerd; het beleid is erop gericht bij nieuwe bedrijfswoningen aan te sluiten op de beeldkwaliteit van de bestaande woningen in het gebied;

e. Binnen de bestemming zijn bedrijfswoningen uitsluitend toegestaan binnen de op de kaart aangegeven aanduiding "zone bedrijfswoning toegestaan";

g. De op de kaart met "te handhaven bebouwing" aangeven woningen mogen worden gehandhaafd als zelfstandige woning dan wel een functie als bedrijfswoning gaan vervullen. Het beleid is er op gericht de omvang van percelen van zelfstandige woningen te behouden in vorm en omvang als op de kaart door de eerder genoemde aanduiding is bepaald, zolang op de betreffende gronden de zelfstandige woonfunctie wordt gehandhaafd.

   Ingevolge het zesde lid, en onder 3, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de aangegeven aanduiding "te handhaven bebouwing" van de plankaart te verwijderen indien de woonfunctie (anders dan een functie als bedrijfswoning) ter plaatse is beëindigd dan wel indien zekerheid omtrent beëindiging op korte termijn bestaat.

2.7.3.    Volgens de plantoelichting is bij het bepalen van de milieuzonering, zoals aangegeven op de plankaart, gebruik gemaakt van de VNG-brochure.

   In de VNG-brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van de milieufactoren geur, stof, gevaar en geluid uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De afstanden die de brochure aanbeveelt gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf enerzijds en de gevel van een - in een rustige woonwijk gelegen - woning anderzijds. Voor categorie 2 bedrijven wordt in de brochure een afstand van 30 meter aanbevolen.

   Verder staat in de VNG-brochure dat rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van het plangebied en de omgeving. In de brochure wordt het omgevingstype rustige woonwijk omschreven als: "Woonwijk volgens het principe van functiescheiding. De woonwijk heeft weinig verkeer en er zijn praktisch geen bedrijven en/of winkelcentra. De woonvlekken zijn vrijwel geheel gescheiden van de werk-, winkel- en verkeersgebieden." Onder gemengd gebied wordt in de brochure verstaan: "Gebied met een zekere mate van functiemenging; verkeerswegen zijn geïntegreerd in woonstraten en winkelstraten. Er is geen strikte scheiding tussen woon-, winkel-, werk- en verkeersgebieden."

   Volgens de brochure is bij het omgevingstype gemengd gebied een correctie van één afstandstap mogelijk voor het aspect geluid ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.    Nu in de doeleindenomschrijving in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften het gebruik van de woningen als burgerwoning is opgenomen, mist het betoog van appellanten dat de woningen niet overeenkomstig het huidige gebruik zijn bestemd feitelijke grondslag. Voor het gebruik van de woningen is het immers zolang het gebruik maar in de doeleindenomschrijving is opgenomen niet relevant of dit gebruik is toegekend door middel van een expliciete (woon)bestemming dan wel middels een nadere aanduiding.

2.8.1.    Verder heeft de gemeenteraad ter zitting verklaard dat hij voor zover het noodzakelijk is om de bestemmingen te verwezenlijken zal trachten de gronden die niet zijn aangeduid als "te handhaven bebouwing" op minnelijke wijze te verkrijgen. In het geval dit niet mogelijk is, zullen de gronden worden onteigend om binnen de planperiode het gewenste resultaat te bereiken, aldus de gemeenteraad. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat het plan in zoverre niet gedurende de planperiode kan worden gerealiseerd. Hierbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat niet aannemelijk is gemaakt dat met de verwezenlijking van het plan en de eventuele onteigening van gronden zodanige kosten zijn gemoeid dat het plan niet uitvoerbaar is.

2.8.2.    Met het plan wordt beoogd op de onderhavige locatie een bedrijventerrein te realiseren waarbij wat betreft de Noordwijkerweg is aangesloten bij het bestaande ruimtelijke beeld. Voorts is, zoals door de gemeenteraad ter zitting is bevestigd, het streven erop gericht om op termijn de burgerwoonfunctie in het plangebied te beëindigen. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op het terrein gelegen ten zuiden van [locatie 3] niet in een burgerwoning behoeft te worden voorzien.

2.8.3.    Voor zover [appellanten sub 3] zich richten tegen de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)", wat betreft de strook van ongeveer 30 meter breed aan de achterzijde van hun achtertuin, overweegt de Afdeling dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze gronden noodzakelijk zijn voor een goede verkeersafwikkeling en aldus voor een goede ontsluiting van het plangebied. Aan de rest van de achtertuin van appellanten is de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B2)" toegekend. Uit het bestreden besluit noch het verhandelde ter zitting is echter voldoende duidelijk geworden waarom aan slechts ongeveer 10 meter daarvan de nadere aanduiding "te handhaven bebouwing" is toegekend. Hierdoor verliezen appellanten in totaal ongeveer 60 meter van de 70 meter diepe achtertuin. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat daardoor bestaande opstallen onder het overgangsrecht zijn gebracht. In het bestreden besluit is onvoldoende aandacht besteed aan de wijze waarop de belangen van appellanten in zoverre bij de besluitvorming zijn betrokken. Het besluit is dan ook in zoverre niet toereikend gemotiveerd.

2.8.4.    Ten aanzien van het woon- en leefklimaat overweegt de Afdeling als volgt.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat naast de aanwezige bedrijfs- en burgerwoningen reeds (agrarische) bedrijven in het gebied gevestigd zijn. Voorts ligt het plangebied tussen de al bestaande bedrijventerreinen 't Heen en Klei-Oost, liggen de woningen binnen de geluidcontour van het bedrijventerrein 't Heen en is de Noordwijkerweg een doorgaandeweg met een hoge verkeersintensiteit. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van het omgevingstype "gemengd gebied". Verweerder heeft derhalve de indicatieve afstand voor het aspect geluid met één afstandsstap kunnen corrigeren. Dit betekent dat wat betreft het aspect geluid uitgegaan dient te worden van een aanbevolen afstand van 10 meter. De VNG-brochure voorziet voor het omgevingstype "gemengd gebied" echter niet in een correctiemogelijkheid wat betreft de aspecten geur, stof en gevaar. Anders dan verweerder meent, dient volgens de VNG-brochure voor deze aspecten dan ook te worden uitgegaan van een aanbevolen afstand van 30 meter.

   Blijkens de plankaart bedraagt de afstand van de gevels van de woningen tot de dichtstbijzijnde grens van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B2)" ongeveer zes meter. Het plan wijkt derhalve in zoverre in aanzienlijke mate af van de in de VNG-brochure aanbevolen afstanden.

   Het standpunt van verweerder dat deze afwijking toelaatbaar is omdat met milieuaspecten rekening kan worden gehouden bij de verlening van milieuvergunningen overtuigt de Afdeling niet om de aangehouden afstanden van de woningen van appellanten tot de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B2)" op voorhand aanvaardbaar te achten. Niet alleen is een deel van de inrichtingen in de categorieën 1 en 2 niet milieuvergunningplichtig, het bestemmingsplan dient bovendien het kader te vormen voor de beoordeling van de vraag of nieuwe bedrijven in de directe nabijheid van de bestaande woningen na afweging van alle belangen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn. Nu niet vaststaat dat eventuele hinder van bedrijven die volgens de Staat van bedrijfsactiviteiten op de genoemde korte afstanden van de gevels van de woningen zouden mogen worden opgericht, door het verbinden van voorschriften aan voor die bedrijven te verlenen milieuvergunningen kan worden voorkomen, kon verweerder niet volstaan met een enkele verwijzing naar de mogelijkheden die de milieuwetgeving biedt om milieuhinder te voorkomen.

   Gelet op het vorenstaande is niet gebleken dat voldoende rekening is gehouden met het woon- en leefklimaat van appellanten. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B2)" wat betreft de gronden gelegen binnen een zone van 30 meter vanaf de gevel van de woningen van appellanten en deze gronden niet tevens zijn aangeduid als "te handhaven bebouwing".

Luchtkwaliteit

Het standpunt van appellanten

2.9.    [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] stellen dat verweerder het plan ten onrechte heeft getoetst aan het Blk 2005. Volgens hen had verweerder het plan moeten toetsen aan het Besluit Luchtkwaliteit 2001 (hierna: het Blk 2001) dan wel aan richtlijn nr. 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163) (hierna: de eerste dochterrichtlijn). In dit verband stellen appellanten dat het Blk 2005 ruimere normen kent dan het Blk 2001. Verder voeren appellanten aan dat het plan is vastgesteld voordat het Blk 2005 van toepassing was. Hierdoor hebben zij zich niet eerder in de procedure over deze normen kunnen uitlaten en zijn zij in hun belangen geschaad, aldus appellanten.

2.9.1.    Voorts heeft verweerder volgens [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] het vervolgonderzoek naar de luchtkwaliteit van 10 november 2005 ten onrechte bij zijn beoordeling betrokken, nu dit dateert van na de vaststelling van het bestemmingsplan. Het is bovendien pas na de hoorzitting bij verweerder, en derhalve te laat, in de procedure overgelegd.

   Appellanten zijn van mening dat het onderzoek van 10 november 2005 niet deugdelijk is en de resultaten onvoldoende zijn onderbouwd. Bovendien blijkt uit het onderzoek dat op verschillende locaties de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) wordt overschreden, aldus appellanten.

Voorts is ten onrechte gemeten op tien meter uit de as van de weg en zijn de gehanteerde meetpunten niet representatief voor het plangebied nu het onderzoek is beperkt tot de Noordwijkerweg en Kloosterschuurweg. [appellanten sub 3] stellen dat onderzoek had moeten worden gedaan naar de gevolgen van de voorziene parkeerplaats voor de luchtkwaliteit. Daarnaast betogen zij dat bij de beoordeling van de luchtkwaliteit ten onrechte toepassing is gegeven aan de zogenoemde zeezoutaftrek in artikel 5, eerste lid, van het Blk 2005.

Het bestreden besluit

2.10.    Volgens verweerder blijkt uit onderzoek dat het Blk 2005 niet aan de realisering van het bedrijventerrein in de weg staat.

Vaststelling van de feiten

2.11.    Op 5 augustus 2005 is het Blk 2005 in werking getreden. In artikel 37 van het Blk 2005 is bepaald dat het besluit terugwerkende kracht heeft tot 4 mei 2005.

   In artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 is bepaald dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM10) in acht moeten nemen. In het tweede lid van dit artikel is onder meer het besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan aangewezen als bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid.

   In artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden, in afwijking van dat lid, mede kunnen worden uitgeoefend indien de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

   Ingevolge artikel 15 van het Blk 2005 geldt voor stikstofdioxide een grenswaarde van 200 microgram per m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. Voor stikstofdioxide geldt voorts een grenswaarde van 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

   Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 geldt voor zwevende deeltjes (PM10) een grenswaarde van 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie en een grenswaarde van 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.11.1.    In het kader van de planvaststelling is onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit in verband met de realisering van het bedrijventerrein Klei-Oost Zuid. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek en luchtkwaliteitsonderzoek Bestemmingsplan Klei-Oost Zuid", gedateerd 13 april 2005.

   In het kader van de beslissing omtrent de goedkeuring van het plan is aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit gedaan. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Luchtkwaliteitonderzoek Bestemmingsplan Klei-Oost Zuid", gedateerd 10 november 2005 (hierna: het rapport). In het rapport wordt geconcludeerd dat na realisatie van het terrein met aftrek van zeezoutcorrectie de in het Blk 2005 gestelde grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) ter hoogte van de Noordwijkerweg wordt overschreden. Verder blijkt daaruit dat ten gevolge van het plan het aantal overschrijdingsdagen toeneemt.

   Bij zijn reactie op het deskundigenbericht heeft het college van burgemeester en wethouders van Katwijk bij brief van 18 januari 2007 het rapport "Uitgebreide Memorie van toelichting op het deskundigenverslag StaB inzake luchtkwaliteit" (hierna: de memorie) overgelegd. In de memorie zijn onder meer aanvullende luchtkwaliteitsberekeningen opgenomen, gebaseerd op de meest actuele gegevens wat betreft achtergrondconcentraties. Geconcludeerd wordt dat wanneer het bedrijventerrein geheel is uitgegeven en in gebruik is genomen de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10), zowel met als zonder de zogenoemde zeezoutcorrectie, in 2010 noch in 2015 wordt overschreden. De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide wordt in 2010 wel overschreden. Verder staat daarin dat wanneer uitgegaan wordt van nieuwe gegevens wat betreft verkeersintensiteiten en van andere meetafstanden in 2010 noch in 2015 op één van de locaties sprake is van een overschrijding van de grenswaarden.

2.11.2.    In het deskundigenbericht staat dat het in het rapport gehanteerde meetpunt onder meer op vier meter van het midden van de rijbaan en aldus op zes meter van de wegas ligt.

In het bericht staat verder dat de concentraties zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide langs de toegangsweg naar het parkeerterrein maatgevend zijn. Indien de grenswaarden langs de toegangsweg, respectievelijk de drukste wegen in het plangebied niet worden overschreden, mag ervan worden uitgegaan dat de grenswaarden rondom het parkeerterrein en vergelijkbare wegen in het plangebied met minder verkeer evenmin worden overschreden, aldus het bericht.

2.11.3.    In artikel 4 van de richtlijn nr. 96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296) (hierna te noemen: de kaderrichtlijn) is bepaald dat, kort weergegeven en voor zover hier van belang, de toe te passen grenswaarden in nadere besluitvorming worden vastgesteld, waarbij tevens criteria en technieken voor de beoordeling ervan worden bepaald.

   In artikel 4, eerste lid, van de eerste dochterrichtlijn is bepaald dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de concentraties in de lucht van stikstofdioxide en, waar van toepassing, van stikstofdioxiden, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 7, met ingang van de in bijlage II, deel I, vermelde data de daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.

   In artikel 5, eerste lid, van de eerste dochterrichtlijn is bepaald dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de concentraties van (PM10) in de lucht, zoals beoordeeld overeenkomstig artikel 7, met ingang van de in bijlage III, deel I, vermelde data de daarin bepaalde grenswaarden niet overschrijden.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.    Wat betreft het betoog van appellanten dat verweerder had moeten toetsen aan de eerste dochterrichtlijn wordt het volgende overwogen. Het Blk 2005 strekt tot uitvoering van de eerste dochterrichtlijn en de kaderrichtlijn. Deze richtlijnen verplichten de lidstaten de in de eerste dochterrichtlijn opgenomen grenswaarden na te leven. Nu appellanten in beroep slechts stellen dat de richtlijnen onvolledig in het Blk 2005 zijn geïmplementeerd, maar deze stelling niet met nadere argumenten onderbouwen, ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor rechtstreekse toetsing van het plan aan de richtlijnen, verondersteld al dat aan deze richtlijnen rechtstreekse werking toekomt.

2.12.1.    Voorts heeft verweerder terecht het Blk 2005 van toepassing geacht, aangezien het goedkeuringsbesluit is genomen op 20 december 2005 en verweerder het plan diende te toetsen aan het recht dat geldt ten tijde van zijn beslissing. Nu het Blk 2005 op 5 augustus 2005 met terugwerkende kracht tot 4 mei 2005 in werking is getreden, moet het ervoor worden gehouden dat ten tijde van de vaststelling van het plan het Blk 2005 van toepassing was.

2.12.2.    Verder heeft verweerder het luchtkwaliteitsonderzoek van 10 november 2005 bij zijn besluitvorming kunnen betrekken. Alhoewel het in beginsel ingevolge artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 primair de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur is om bij de voorbereiding van een bestemmingsplan mede de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit te onderzoeken, staat deze bepaling, noch enige andere, er aan in de weg dat de gemeenteraad aanvullende resultaten van onderzoek overlegt, voorafgaand aan het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan. In dat geval kan verweerder dit onderzoek immers nog ten volle bij zijn besluitvorming betrekken.

   Appellanten zijn in overeenstemming met de op de hoorzitting gemaakte afspraken in de gelegenheid gesteld om op het rapport te reageren voordat verweerder heeft besloten over de goedkeuring van het plan. Niet is gebleken dat deze gelegenheid onvoldoende was zodat appellanten door deze handelwijze niet in hun belangen zijn geschaad.

2.12.3.    Voor zover appellanten stellen dat het onderzoek ten onrechte is beperkt tot de Noordwijkerweg en de Kloosterschuurlaan wordt als volgt overwogen. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat realisatie van het bedrijventerrein met name op de Noordwijkerweg en de Kloosterschuurlaan tot een stijging van het verkeersaanbod zal leiden. Indien het plan op deze wegen niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, mag ervan worden uitgegaan dat ook op de overige, minder drukke wegen in het plangebied geen sprake is van een verslechtering daarvan. Het in beroep aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de gehanteerde meetpunten op de Noordwijkerweg en de Kloosterschuurlaan niet representatief zijn voor het plangebied. Mede gelet op het in zoverre niet gemotiveerd weersproken deskundigenbericht heeft verweerder zich tevens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de grenswaarden op de toegangsweg naar het parkeerterrein maatgevend zijn voor de luchtkwaliteit rondom het parkeerterrein, waardoor bij het parkeerterrein niet in een meetpunt behoefde te worden voorzien.

2.12.4.    Uit het rapport blijkt dat na realisatie van het bedrijventerrein - ook na aftrek van de zogenoemde zeezoutcorrectie - de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) wordt overschreden en het aantal overschrijdingsdagen ten gevolge van het plan toeneemt. Gelet hierop leidt verwezenlijking van het plan tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit betekent dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 en dat de uitzonderingssituatie van artikel 7, derde lid, onder a, van het Blk 2005 zich niet voordoet.

   Voor zover verweerder ter zitting heeft verwezen naar de memorie als nadere onderbouwing van zijn besluit wordt als volgt overwogen. De memorie is uitgebracht na het nemen van het bestreden besluit en heeft daaraan derhalve niet ten grondslag gelegen. Zoals de Afdeling eerder (uitspraak van 13 april 2005 in zaak no. 200407748/1) heeft overwogen, is bij ingebrachte rapporten van onderzoek ter nadere toelichting van een genomen besluit van belang of deze kunnen worden beschouwd als nadere aanvulling in aansluiting op en voortvloeiend uit de aan het besluit ten grondslag gelegde motivering. In dit geval bevat de door de gemeenteraad overgelegde memorie niet alleen een aanvulling of nadere toelichting op het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapport van 10 november 2005, maar ook geheel nieuwe resultaten met betrekking tot eerdere gegevens, berekend op basis van substantieel gewijzigde uitgangspunten en methoden. Om die reden kan de memorie niet als nadere toelichting van het eerder genomen besluit worden aangemerkt. Gelet hierop heeft verweerder zich op basis van de hem ten tijde van het nemen van het bestreden besluit wel ter beschikking staande gegevens ten onrechte op het standpunt gesteld dat het plan voldoet aan het Blk 2005. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Gelet hierop behoeft het betoog van appellant dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de zogenoemde zeezoutcorrectie, wat daarvan verder zij, geen bespreking.

Eindconclusie

2.13.    Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.8.3. is het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B2)", wat betreft het perceel van [appellanten sub 3] en deze gronden niet tevens zijn aangeduid als "te handhaven bebouwing", in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

   Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.8.4. is het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B2)", wat betreft de gronden gelegen binnen een zone van 30 meter vanaf de gevel van de woningen van appellanten en deze gronden niet tevens zijn aangeduid als "te handhaven bebouwing", in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

   Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.12.4. is het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

   De beroepen van appellanten zijn gegrond.

   Het bestreden besluit dient voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan te worden vernietigd.

2.13.1.    Ter zitting heeft de gemeenteraad van Katwijk aan de Afdeling verzocht toepassing te geven aan de bevoegdheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten in geval van vernietiging, omdat volgens hem uit de memorie blijkt dat het Blk 2005 niet aan goedkeuring van het plan in de weg staat. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan dit verzoek tegemoet te komen. Daargelaten hetgeen is overwogen onder 2.8.3. en 2.8.4., zijn vanwege het late tijdstip waarop de gemeenteraad de memorie heeft overgelegd appellanten beperkt in de mogelijkheden tijdig op de memorie te kunnen reageren. Bovendien blijkt daaruit dat bij verwezenlijking van het plan in 2010 sprake is van een nieuwe overschrijding van de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide. Alleen indien wordt uitgegaan van andere verkeersintensiteiten en meetafstanden worden de grenswaarden op geen enkele locatie overschreden. [appellanten sub 3] hebben ter zitting de nieuwe verkeersintensiteiten gemotiveerd bestreden. Gelet op het vorenstaande kan niet zonder meer worden gesteld dat thans buiten twijfel is dat het plan voldoet aan het Blk 2005.

Proceskostenveroordeling

2.14.    Verweerder dient ten aanzien van appellanten op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en [appellanten sub 3] gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 20 december 2005, kenmerk DRM/ARB/05/6635A, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van ieder € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) en bij [appellanten sub 3] in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van ieder € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren                               w.g. Langeveld

Voorzitter                                   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

317-432.