Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7093

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200606995/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel (hierna: het college) het verzoek van appellant om handhavend optreden tegen onder meer dorswerkzaamheden ten behoeve van derden door [vergunninghoudster] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) en tegen de zonder bouwvergunning opgerichte wagenberging op het perceel, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2007/183
Module Ruimtelijke ordening 2007/5339
ABkort 2007/315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606995/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/2147 van de rechtbank Leeuwarden van 10 augustus 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel (hierna: het college) het verzoek van appellant om handhavend optreden tegen onder meer dorswerkzaamheden ten behoeve van derden door [vergunninghoudster] op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) en tegen de zonder bouwvergunning opgerichte wagenberging op het perceel, afgewezen.

Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 augustus 2006, verzonden op 11 augustus 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 oktober 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2007, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S. Lemstra, is verschenen. Appellant en [vergunninghoudster] zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op grond van het geldende bestemmingsplan "Butengebiet Noard" rust op het perceel de bestemming "Agrarische bedrijven".        

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef, van de bij dit bestemmingsplan behorende planvoorschriften (hierna: de planvoorschriften), voor zover thans van belang, zijn de als zodanig op de plankaart aangegeven gronden bestemd voor agrarische bedrijven, met de bijbehorende gebouwen, waaronder dienstwoningen zijn begrepen, andere bouwwerken, erven en agrarische cultuurgronden, en voor zover aangeduid met "hoogspanningsleiding" tevens bestemd voor hoogspanningsleiding met de bijbehorende andere bouwwerken.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder u, van de planvoorschriften wordt onder agrarisch bedrijf verstaan; een bedrijf, dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/ of het houden van dieren; hieronder glastuinbouw niet begrepen.    

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college van handhavend optreden heeft kunnen afzien tegen het gebruik van het perceel door [vergunninghoudster] voor dorswerkzaamheden ten behoeve van derden. Appellant voert hiertoe aan dat deze werkzaamheden niet passen binnen de in het bestemmingsplan gegeven definitiebepaling van een agrarisch bedrijf.

2.2.1.    Dit betoog faalt. [vergunninghoudster] oefent ter plaatse een akkerbouw- en vleeskuikenbedrijf uit. Anders dan appellant stelt, is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk geworden dat de door [vergunninghoudster] ten behoeve van derden uitgevoerde dorswerkzaamheden geen substantieel onderdeel van de bedrijfsuitoefening uitmaken. Op kleine schaal wordt hulp geboden aan derden door gebruikmaking van machines die [vergunninghoudster] ten behoeve van zijn eigen akkerbouwbedrijf gebruikt en ter plaatse stalt. Het gebruik van deze machines vindt gedurende een beperkte periode van het jaar plaats. Het gaat dan ook om een ondergeschikte nevenactiviteit, die nauw samenhangt met het ter plaatse gevestigde akkerbouwbedrijf. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat de dorswerkzaamheden moeten worden aangemerkt als een zelfstandig, van de rest van het bedrijf losstaand, element.        

   De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden.

2.3.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

2.4.    Niet in geschil is dat de wagenberging zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning is gebouwd. Het college was derhalve bevoegd, gelet op artikel 40 van de Woningwet, handhavend op te treden.

2.5.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.    Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de rechtszekerheid zich verzet tegen handhavend optreden slaagt. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat uit de omstandigheid dat het college bekend was met de aanwezigheid van de wagenberging, maar gedurende een periode van elf jaar niet handhavend heeft opgetreden, niet kan worden afgeleid dat sprake is van een situatie waarin niet meer handhavend kan worden opgetreden. Het enkele tijdsverloop is, ongeacht de duur daarvan, geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college in redelijkheid van handhavend optreden had behoren af te zien. Dat appellant pas in 2004 om handhavend optreden heeft verzocht, terwijl hij sinds de bouw van de wagenberging op de hoogte was van de illegaliteit daarvan, kan hem niet worden tegengeworpen met name niet nu hij meerdere malen van deze illegale situatie bij het college melding heeft gemaakt.    

   De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de rechtszekerheid zich in dit geval tegen handhaving verzet.

2.7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het betreft het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid van handhavend optreden heeft kunnen afzien tegen de zonder bouwvergunning gebouwde wagenberging op het perceel. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2005 van het college alsnog gegrond verklaren, voor zover het betreft de in bezwaar gehandhaafde weigering om handhavend op te treden tegen deze wagenberging.

   In verband met het vorenstaande dient het college een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.8.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 augustus 2006 in zaak no. 05/2147, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard tegen de bij het besluit van 18 oktober 2005 gehandhaafde weigering om handhavend op te treden tegen de zonder bouwvergunning gebouwde wagenberging op het perceel [locatie] te [plaats];

III.    bevestigt de uitspraak voor het overige;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel van 18 oktober 2005, voor zover het betreft de in bezwaar gehandhaafde weigering om handhavend op te treden tegen boevengenoemde wagenberging;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Wûnseradiel aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Wûnseradiel aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 349,00 (zegge: driehonderdennegenenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink                           w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer                ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

328-552.