Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7086

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200608887/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een verzoek van appellant om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/439 met annotatie van Gerard-René de Groot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608887/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1529 van de rechtbank Dordrecht van 27 oktober 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een verzoek van appellant om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.

Bij besluit van 2 november 2005 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 oktober 2006, verzonden op 31 oktober 2006, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 16 januari 2007 heeft de Minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering van antwoord gediend.

Bij brief van 20 april 2007 heeft appellant nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2007, waar appellant, bijgestaan door mr. M.M. van Leeuwen, advocaat te Rotterdam, en de Minister van Justitie, vertegenwoordigd mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 niettemin afgewezen, indien de verzoeker die een andere nationaliteit bezit, niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel niet bereid is om, na de totstandkoming van de naturalisatie, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd.

   Ingevolge artikel 9, derde lid, aanhef en onder d is het eerste lid, aanhef en onder b, niet van toepassing op de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander.

   Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, wordt onder huwelijk mede verstaan het in Nederland geregistreerd partnerschap.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap zal het doen van afstand als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, met inachtneming van artikel 9, derde lid, niet worden verlangd, indien de verzoeker aantoont dat hij door het doen van afstand zodanige vermogensrechtelijke rechten, waaronder erfrechtelijke aanspraken, die hij thans in het land van oorsprong bezit, zal verliezen dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden.

2.1.1.    Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) zijn niet alle verzoekers verplicht om afstand van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) te doen. In artikel 9, derde lid, van de RWN worden vijf uitzonderingen genoemd. Daarnaast zijn er vreemdelingen van wie redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) afstand doen. Het gaat daarbij om de volgende categorieën:

"(…)

5.    de verzoeker die door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten zal verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden.

(…).".

Bij deze uitzondering op de afstandseis (hierna: de uitzondering) kan onder meer worden gedacht aan substantieel financieel nadeel wegens het verlies van reeds opgebouwde pensioenrechten. De verzoeker dient aan te tonen dat hij bepaalde rechten of bepaald eigendom heeft, wat de huidige waarde hiervan is en dat hij als gevolg van het verlies van deze rechten of dit eigendom een substantieel financieel nadeel leidt, aldus de Handleiding.

2.2.    Appellant klaagt dat de rechtbank zijn ter zitting gedane beroep op artikel 9, derde lid, aanhef en onder d, van de RWN, ten onrechte wegens strijd met de goede procesorde buiten de rechterlijke beoordeling heeft gelaten. Daartoe betoogt hij dat hij reeds in een brief van 2 november 2004, in reactie op het verzoek van de minister om aan te geven op welke uitzondering hij zich beroept, heeft aangevoerd dat hij nimmer heeft willen huwen om de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen en zich daarom gediscrimineerd voelt.

2.2.1.    De minister heeft zich in het primaire besluit van 25 februari 2005 op het standpunt gesteld dat, buiten het geval van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap, voor een verzoeker die met een Nederlander een duurzame relatie heeft de afstandseis onverkort geldt. In bezwaar is appellant hiertegen niet opgekomen en heeft hij zich expliciet tot een beroep op de uitzondering beperkt. In het besluit op bezwaar van 2 november 2005 heeft de minister voormeld standpunt uit het primaire besluit dan ook niet herhaald. Evenmin heeft appellant zich in zijn aanvullende beroepschrift op artikel 9, derde lid, aanhef en onder d, van de RWN beroepen. Eerst ter zitting van de rechtbank heeft hij het hiervoor vermelde betoog uit zijn brief van 2 november 2004 opnieuw naar voren gebracht.

   Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank dit betoog in redelijkheid wegens strijd met de goede procesorde buiten haar beoordeling kunnen laten. Voor de klacht van appellant dat de rechtbank hiertoe niet ambtshalve heeft kunnen overgaan, nu de minister niet ter zitting is verschenen, bestaat geen grond. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de rechter de goede procesorde te bewaken.

   Het betoog faalt.

2.3.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte, samengevat weergegeven, heeft overwogen dat de minister in het door hem gestelde verlies van zijn opgebouwde pensioenrechten geen grond heeft hoeven vinden voor toepassing van de uitzondering.

2.3.1.    De minister heeft appellant, gelet op de Handleiding, terecht tegengeworpen dat hij heeft nagelaten aan te tonen wat de contante waarde van zijn pensioenrechten is. Voor het betoog van appellant dat de rechtbank hem daartoe alsnog in de gelegenheid had moeten stellen, bestaat geen steun in het recht. Het was aan appellant die zich op de uitzondering heeft beroepen om de waarde van zijn pensioenrechten in de bestuurlijke fase aan te tonen. Dat deze waarde, naar appellant stelt, moeilijk is vast te stellen, kan aan deze verplichting niet afdoen.

   Het betoog faalt.

2.4.    Appellant betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de omstandigheid, dat zijn kledingbedrijf substantieel financieel nadeel zal lijden ingeval hij afstand van zijn Turkse nationaliteit doet, er niet toe leidt dat het doen van afstand redelijkerwijs niet van hem mag worden verlangd.

2.4.1.    De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat blijkens de Handleiding enkel financieel nadeel dat een gevolg is van het verlies van in het land van herkomst bestaande rechten of bestaand eigendom, ertoe kan leiden dat van een verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit doet. De minister heeft in het besluit van 2 november 2005 het door appellant gestelde toekomstige financiële nadeel evenzeer terecht niet als zodanig nadeel aangemerkt.

   Daarnaast heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door appellant gestelde omstandigheid niet zodanig bijzonder is dat die tot afwijking van de Handleiding zou kunnen nopen. De minister heeft de door appellant gestelde schade terecht als normaal bedrijfsrisico aangemerkt. Dit brengt mee dat het betoog van appellant, dat de rechtbank heeft miskend dat de minister bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid onverkort aan de Handleiding heeft kunnen vasthouden, geen bespreking behoeft.

   Het betoog faalt.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk                      w.g. Groeneweg

Voorzitter                               ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

32-485.