Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7085

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200606696/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Losser (hierna: het college) het verzoek van appellanten om handhaving van de bepalingen van het bestemmingsplan "Luttermolenveld" (hierna: het bestemmingsplan), met name waar het gaat om de aanleg en instandhouding van de beplantingsstrook aan de westzijde van het plan, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606696/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/949 van de rechtbank Almelo van 8 augustus 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Losser.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Losser (hierna: het college) het verzoek van appellanten om handhaving van de bepalingen van het bestemmingsplan "Luttermolenveld" (hierna: het bestemmingsplan), met name waar het gaat om de aanleg en instandhouding van de beplantingsstrook aan de westzijde van het plan, afgewezen.

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 augustus 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 11 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 oktober 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2007, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. M. Nijkamp, advocaat te Enschede, en het college, vertegenwoordigd door H.H.G. Hilbink, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het handhavingsverzoek van appellanten, zoals dat is neergelegd in de brieven van 18 februari 2002 en 26 februari 2002, niet inhoudt een verzoek aan het college om handhavend op te treden tegen de bouwwerken die door de bewoners van het recreatiepark "Luttermolenveld" (hierna: het recreatiepark) op de gronden bedoeld voor de aanleg van een beplantingsstrook zijn gerealiseerd.

2.1.1.    Dit betoog slaagt. Uit de stukken blijkt dat appellanten het college hebben verzocht om handhavend op te treden tegen het oprichten van bouwwerken zonder vergunning op de in het bestemmingsplan opgenomen beplantingsstrook van 20 m, die is gelegen tussen het recreatiepark en de woningen van appellanten. Ingevolge het bestemmingsplan rust op deze beplantingsstrook de bestemming "Bos". Appellanten hebben erop gewezen dat een deel van de gronden die deel uitmaken van die beplantingsstrook, zijn verkocht. Op die gronden zijn bouwwerken gebouwd, waardoor ter plaatse geen sprake is van een beplantingsstrook van 20 m. Gelet op het voorgaande heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellanten het college niet hebben verzocht om handhavend op te treden tegen de bouwwerken die door de bewoners van het recreatiepark op de gronden bedoeld voor de aanleg van een beplantingsstrook zijn gerealiseerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.2.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 29 juni 2005 vernietigen. Het college dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.3.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 8 augustus 2006 in zaak no. 05/949;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Losser van 29 juni 2005;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Losser tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Losser aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Losser aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 349,00 (zegge: driehonderdnegenenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren                           w.g. Soede

Voorzitter                               ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

270-494.