Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7083

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200606207/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een verzoek van appellante om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606207/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1356 van de rechtbank Dordrecht van 7 juli 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een verzoek van appellante om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.

Bij besluit van 3 mei 2005 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 juli 2006, verzonden op 10 juli 2006, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 oktober 2006 heeft de minister van antwoord gediend.

Bij brief van 23 april 2007 heeft appellante een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, en de Minister van Justitie, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN), voor zover thans van belang, komt voor verlening van het Nederlanderschap slechts in aanmerking de verzoeker, tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland geen bedenkingen bestaan.

   De minister heeft het verzoek met toepassing van deze bepaling afgewezen, omdat hij van oordeel is dat tegen zodanig verblijf van appellante bedenkingen bestaan.

2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat tegen haar verblijf voor onbepaalde tijd bedenkingen bestaan. Volgens appellante dient, juist omdat het beleid ter uitvoering van de vreemdelingenwetgeving en dat inzake naturalisatie met elkaar moeten stroken, geen rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van intrekking van haar verblijfsvergunning.

2.2.1.    Ter toelichting op de in de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) neergelegde richtlijnen inzake de toepassing van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN is namens de Minister van Justitie ter zitting onder meer het volgende naar voren gebracht. Uitgangspunt van de richtlijnen is, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever bij de totstandkoming van de RWN, dat verlening van het Nederlanderschap het vreemdelingenbeleid niet mag doorkruisen. In dit verband is, voor zover in deze zaak van belang, in bijlagen 2 en 3 van de Handleiding, behorend bij artikel 8 van de RWN vermeld dat ten tijde van het nemen van een beslissing op het verzoek om verlening van het Nederlanderschap geen redenen mogen bestaan om de verblijfsvergunning in te trekken. Bepalend is of op dat moment een grond voor intrekking aanwezig is, niet of de verblijfsvergunning daadwerkelijk is ingetrokken. Feitelijke intrekking van de verblijfsvergunning is in de naturalisatieprocedure niet aan de orde, maar dient, zoals eveneens in de richtlijnen is vermeld, inzet te zijn van een procedure op de voet van de Vreemdelingenwet 2000. In bijlage 6 van de Handleiding is, voor zover thans van belang, een beknopt overzicht gegeven van de gronden voor intrekking van de verschillende verblijfsvergunningen.

   Indien in de naturalisatieprocedure wordt geconstateerd dat zich mogelijk een intrekkingsgrond voordoet, maar daarover geen zelfstandig oordeel kan worden gegeven, wordt, alvorens een beslissing op het verzoek te nemen, het onderdeel van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) dat is belast met vreemdelingrechtelijke procedures geraadpleegd. Wanneer, zoals in dit geval, de in de naturalisatieprocedure gebleken feiten voor zich spreken en op grond daarvan kan worden geconstateerd dat het verblijfsdocument behoort te worden ingetrokken, blijft raadpleging van voormeld onderdeel van de IND achterwege.

2.2.2.    Niet in geschil is dat appellante ten tijde van het besluit van 3 mei 2005 beschikte over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf bij [echtgenoot]'. Voorts staat vast dat zij volgens de Gemeentelijke basisadministratie sinds 3 juni 2003 niet meer op hetzelfde adres als [echtgenoot] is ingeschreven en dat het huwelijk op 3 september 2003 door echtscheiding is ontbonden. Ten tijde van het besluit van 3 mei 2005 beschikte appellante derhalve weliswaar over een verblijfsvergunning met een niet-tijdelijk karakter, maar bestond gegronde reden om die vergunning in te trekken, omdat zij op dat tijdstip niet aan de daaraan verbonden beperking voldeed.

   De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat tegen het verblijf van appellante voor onbepaalde tijd in Nederland om die reden bedenkingen, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN, bestaan. Dat inmiddels een aanvraag van appellante om wijziging van de beperking in 'voortgezet verblijf' is ingewilligd, leidt niet tot een ander oordeel. Appellante heeft die aanvraag eerst in juli 2006 ingediend, terwijl ten tijde van het besluit van 3 mei 2005 niet op voorhand duidelijk was dat appellante desgevraagd een verblijfsvergunning met een niet-tijdelijk karakter niet met recht zou kunnen worden onthouden.

   Het betoog faalt.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk                              w.g. Prins

Voorzitter                                      ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

363