Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200605457/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (hierna: het college) geweigerd aan [partij vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woonhuis op het perceel aan de [locatie] te Amstelveen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605457/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te Amstelveen,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 04/4430 en 04/4536 van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (hierna: het college) geweigerd aan [partij vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woonhuis op het perceel aan de [locatie] te Amstelveen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 november 2001 heeft het college het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 maart 2003 heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [partij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 november 2001 vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak.

Bij uitspraak van 27 mei 2003 in zaak no. 200302351/4 heeft de Afdeling het daartegen door [twee van de appellanten] ingestelde hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 mei 2003 in zaak nos. 200302351/1 en 200302351/2 heeft de Afdeling het door het college ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 maart 2003 ongegrond verklaard en die uitspraak bevestigd.

Bij besluit van 27 juli 2004 heeft het college het door [partij] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2001 gegrond verklaard en alsnog vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woonhuis op het perceel.

Bij uitspraak van 15 juni 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 26 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 5 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

[partij], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, heeft bij brief van 3 november 2006 een reactie ingediend.

Bij brief van 14 december 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2007, waar [twee van de appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. R.A.M. Schram, advocaat te Haarlem, die ook optrad namens de overige appellanten, zijn verschenen. Voorts is [partij], bijgestaan door mr. C.M. Saris, advocaat te Amsterdam, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Anders dan het college en [partij] betogen, heeft de rechtbank appellanten terecht ontvankelijk verklaard wegens verschoonbare termijnoverschrijding. Appellanten zijn door de bewoordingen in de brief van het college van 11 augustus 2004, waarbij hun de beslissing op bezwaar van 27 juli 2004 is medegedeeld, voor wat betreft de aanvang van de beroepstermijn op het verkeerde been gezet. Gelet hierop kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellanten in verzuim zijn geweest, zodat de rechtbank appellanten met verwijzing naar artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) terecht in hun beroep heeft ontvangen.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Heemraadschapslaan" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Eengezinshuizen".

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor eengezinshuizen aangewezen gronden bestemd voor eengezinshuizen.

   Ingevolge artikel 7, derde lid, mogen de eengezinshuizen, als genoemd in het eerste lid, onder a, slechts worden gebouwd met inachtneming van de op de kaart aangegeven aanduidingen.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 5, wordt onder bouwlaag verstaan: een horizontaal gedeelte van een gebouw, begrensd door op gelijke, of bij benadering gelijke, hoogte liggende vloeren; een onderhuis, kelder, souterrain, zolder en/of vliering wordt niet als een bouwlaag aangemerkt.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 14, wordt onder kap verstaan: het gedeelte van een gebouw, begrensd door een bouwlaag en hellende vlakken, al dan niet onderbroken door dakvensters en/of dakkapellen.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, mag de bebouwingsgrens niet door gebouwen of onderdelen van gebouwen worden overschreden.

   Ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen en daarmee gelijk te stellen onderdelen van gebouwen, voor zover de bebouwingsgrens met niet meer dan 0.25 meter wordt overschreden.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte de door [partij] tussentijds aangebrachte wijzigingen in het bouwplan als van onderschikte aard heeft aangemerkt. Daartoe voeren zij aan dat een aantal van de wijzigingen evenals andere onderdelen van het bouwplan in strijd zijn met het bestemmingsplan, zonder dat daarvoor vrijstelling is verleend. Bovendien had het college, alvorens te beslissen op bezwaar, hen ingevolge artikel 7:9 van de Awb in de gelegenheid moeten stellen over deze wijzigingen opnieuw te worden gehoord, aldus appellanten.

2.3.1.    Dit betoog faalt.

   De wijzigingen, bestaande uit een verplaatsing van de entree met toevoeging van een luifel, het aanbrengen van een traplift en een andere indeling van de raampartij, zijn zowel op zichzelf beschouwd als afgezet tegen het totale bouwplan van ondergeschikte aard. De wijzigingen zijn immers niet zodanig ingrijpend dat redelijkerwijs niet meer gesproken kan worden van hetzelfde bouwplan.

   Voorop staat dat in het bij de beslissing op bezwaar opnieuw geformuleerde vrijstellingsbesluit wordt verwezen naar het bouwplan, zoals dat na de aangebrachte wijzigingen voorlag. Anders dan appellanten betogen, is blijkens de formulering van de vrijstelling ook vrijstelling verleend voor de overschrijding van de bebouwingsgrens door de hoofdingang aan de voorzijde, waartoe tevens de luifel behoort. Appellanten kunnen voorts niet worden gevolgd in hun betoog dat voor de overschrijding van de bebouwingsgrens door erkers aan de west- en voorzijde van het gebouw een vrijstelling is vereist. Zo van een dergelijke overschrijding door de circa 25 centimeter uitstekende raamkozijnen al sprake zou zijn, moet een dergelijke overschrijding, gelet op artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, toelaatbaar worden geacht.

   De traplift maakt in constructief opzicht deel uit van de entreepartij aan de achterzijde van het pand, waarvoor in de beslissing op bezwaar eveneens vrijstelling is verleend. Voor zover het plateau van de lift de in het vrijstellingsbesluit toegestane bouwdiepte overschrijdt, moet de vrijstelling, zo deze voor een dergelijk bewegend onderdeel al zou zijn vereist, anders dan appellanten betogen, worden geacht mede daarop betrekking te hebben. Het college heeft voorts, anders dan appellanten betogen, geen aanleiding hoeven zien voor de traplift een afzonderlijk welstandsadvies te vragen, nu de traplift in welstandelijk opzicht niet van invloed is op de omgeving.

    Voorts is de afstand van het pand tot de woning aan de [locatie 1] van minder dan vier meter niet in strijd met het bestemmingsplan. Op de plankaart staat bij het perceel achter het Romeinse cijfer "I" de index "4". Uit de tekst van het renvooi blijkt dat deze index de minimum afstand tussen de woningen bepaalt. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, geldt de minimumafstand van vier meter tussen twee woningen alleen voor het bouwblok waarin het bouwplan is gelegen en niet voor het afzonderlijke bouwblok waarin het perceel aan de [locatie 1] is gelegen, omdat dit bouwblok op de plankaart een andere aanduiding heeft.

   Appellanten hebben zich over een deel van de in het bouwplan aangebrachte wijzigingen in de bezwaar- en beroepsprocedure kunnen uitlaten en daartoe op onderdelen ook zienswijzen ingediend. Voor zover na de hoorzitting van 2 december 2003 nog wijzigingen in het bouwplan zijn aangebracht kunnen deze wijzigingen, gelet op de ondergeschikte aard daarvan, niet worden aangemerkt als feiten of omstandigheden die voor de te nemen beslissing op bezwaar van aanmerkelijk belang konden zijn als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb.

2.4.    Appellanten betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan voorziet in de bouw van drie bouwlagen, hetgeen in strijd is met de planvoorschriften.

2.4.1.     Dit betoog faalt. Op de plankaart staat bij het perceel de aanduiding "2B". Uit de tekst van het renvooi blijkt dat dit twee bouwlagen met een kap betekent. In navolging van de rechtbank stelt de Afdeling vast dat uit de bij de bouwvergunning behorende bouwtekeningen blijkt dat de op de twee bouwlagen voorziene kap van de woning bestaat uit hellende dakvlakken. De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat sprake is van een kap in de zin van artikel 1, aanhef onder 14 van de planvoorschriften en niet van een derde bouwlaag.

2.5.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mist dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in ieder geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarop het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

   Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.6.    Het bouwplan is voor wat betreft de minimaal aan te houden afstand tot de oostelijke zijdelingse perceelsgrens, alsmede de maximale bouwdiepte, in strijd met de planvoorschriften van het bestemmingsplan. Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling verleend.

2.7.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het advies van de ambtelijke commissie voor de bezwaarschriften (hierna: de bezwaarschriftencommissie) van 18 juli 2003 niet als een goede ruimtelijke onderbouwing kan worden aangemerkt. Daartoe voeren zij aan dat sprake is van een ingrijpende planologische inbreuk, dat in voornoemd advies geen rekening is gehouden met de tussentijdse wijzigingen van het bouwplan en dat dit advies een onjuist oordeel geeft over de afwijking van de volgens de planvoorschriften aan te houden afstand van vier meter tot de oostelijke zijdelingse perceelgrens. Voorts voeren zij aan dat geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat realisering van het bouwplan tot gevolg heeft dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarde die is verbonden aan de bouwvergunning voor het oprichten van een garage op het perceel.  

2.7.1.    Onder verwijzing naar haar uitspraak van 17 december 2003 in zaak no. 200302949/1 (Gst. 7202, 30) overweegt de Afdeling dat de aan de ruimtelijke onderbouwing van een project te stellen eisen minder zwaar zijn, naarmate de inbreuk van het bouwplan ten behoeve waarvan vrijstelling wordt verleend op het bestaande planologische regime geringer is. Nu het bestemmingsplan het oprichten van een woning op het perceel toestaat en de vrijstelling alleen betrekking heeft op relatief geringe overschrijdingen van bebouwingsgrenzen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bouwplan een geringe inbreuk maakt op het bestaande planologische regime. Gelet hierop en gezien het feit dat in het aan de beslissing op bezwaar van 27 juli 2004 ten grondslag liggende advies van de bezwaarschriftencommissie van 13 juli 2004 de ruimtelijke onderbouwing is aangevuld, is er geen grond voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. Daarbij is in aanmerking genomen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omstandigheid dat op het oostelijk gelegen perceel [locatie 2] een uitbouw is gerealiseerd tot de perceelsgrens, in beginsel niet rechtvaardigt dat de bebouwingsmogelijkheid van het perceel [locatie] wordt beperkt. Anders dan appellanten betogen, is deze uitbouw slechts als bestaande bebouwing op de plankaart aangeduid en niet als zodanig bestemd.

Reeds omdat de aan de bouwvergunning voor het oprichten van de garage verbonden voorwaarde betrekking heeft op een andere bestemming, is het college bij het verlenen van de onderhavige vrijstelling niet gebonden aan deze voorwaarde. Het betoog faalt dan ook.

2.8.    Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen van het bestemmingsplan, faalt evenzeer. Gelet op de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de privacy of de lichttoetreding bij appellanten.

2.9.    Appellanten betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Daartoe voeren zij aan dat het bouwplan ten onrechte niet is getoetst aan de welstandsnota en dat het college het advies van de Welstandscommissie Amstelveen van 1 oktober 2003, gelet op de eerdere afwijking daarvan, niet zonder verdere toelichting mocht overnemen.

2.9.1.    Dit betoog faalt. Artikel VII, tweede lid, van de Wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van de Woningwet naar aanleiding van enerzijds de evaluatie van die wet en anderzijds het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (bouwvergunningsprocedure en welstandtoezicht) (hierna: de wijzigingswet), die op 1 januari 2003 in werking is getreden, luidt: "Uiterlijk 18 maanden na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, maakt de gemeenteraad de welstandsnota bekend, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet. Tot het tijdstip van die bekendmaking, doch uiterlijk tot en met 18 maanden na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, blijven de bepalingen in de bouwverordening die betrekking hebben op welstand, alsmede de artikelen 12, eerste lid, en 19 van de Woningwet, gelden zoals zij golden op de dag voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F".

   Artikel I, onderdeel F, van de wijzigingswet bestaat uit de formulering van hoofdstuk II, afdeling 3 van de Woningwet, te weten de artikelen 12, 12a, 12b en 12c.

   Artikel VII, derde lid, van de wijzigingswet luidt: "Tenzij artikel I, onderdeel N, ertoe leidt dat voor het bouwen geen bouwvergunning is vereist, is op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet of een melding als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Woningwet die is ingediend vóór de inwerkingtreding van de desbetreffende bepaling van deze wet, alsmede op een voor dat tijdstip gedane aanschrijving als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet of aanzegging tot het toepassen van bestuursdwang als bedoeld in artikel 26 van de Woningwet, het recht van toepassing zoals dat gold op de dag waarop die aanvraag of melding is ingediend, of dat de aanschrijving of aanzegging is bekendgemaakt".

   De aanvraag is ingediend vóór 1 januari 2003, zodat artikel VII, derde lid, van de wijzigingswet van toepassing is. Nu artikel 12 van de Woningwet, zoals dit artikel luidde op de dag van indiening van de aanvraag, niet de verplichting bevatte het bouwplan te toetsen aan de welstandsnota, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat het bouwplan niet behoefde te worden getoetst aan de welstandsnota.

   Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2003 in zaak nos. 200302351/1 en 200302351/2, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de veronderstelde strijd van het souterrain met het bestemmingsplan voor het college bepalend was voor het afwijken van voormeld advies in eerste instantie. Nu van voormelde strijd geen sprake is, moet met de rechtbank geoordeeld worden dat daarmee voor het college de grondslag verviel om van voormeld advies af te wijken en kon het college in de beslissing op bezwaar het advies zonder nadere toelichting overnemen.

2.10.    Appellanten betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning ten onrechte niet heeft aangehouden. Daartoe voeren zij aan dat de geldigheidsduur van de door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) afgegeven saneringsbeschikking van 18 juni 2004 ongebruikt is verstreken, zodat de geldigheid van deze beschikking is vervallen.

2.10.1.    Ingevolge artikel 52a, eerste lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, houden burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en uit het onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, blijkt dat de grond ter plaatse van het te bouwen bouwwerk in zodanige mate is verontreinigd dan wel bij hen uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

   Ingevolge artikel 52a, tweede lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, duurt de aanhouding totdat het krachtens de Wet bodembescherming bevoegd gezag met het saneringsplan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die wet, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, heeft ingestemd.

2.10.2.    Ten tijde van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning op 27 juli 2004 gold geen aanhoudingsplicht, omdat het saneringsplan bij voormeld besluit van het college van gedeputeerde staten van 18 juni 2004 was goedgekeurd. Burgemeester en wethouders waren dan ook gehouden om vanaf dat moment op de aanvraag om bouwvergunning te beslissen. Dat de geldigheidsduur van voormeld besluit nadien is verstreken doet daaraan niet af. Het betoog faalt.

2.11.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 juni 2006 in zaak no. 200506294/1 (AB 2006, 236) betreft de door gedeputeerde staten in overeenstemming met de inspecteur vastgestelde lijst met categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, een algemeen verbindend voorschrift waarvan de bekendmaking ingevolge artikel 136, tweede lid, van de Provinciewet dient te geschieden door plaatsing in het Provinciaal Blad. Naar door appellanten ter zitting is betoogd en door het college niet weersproken, was voormelde lijst ten tijde van het besluit van 27 juli 2004 niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Hieruit volgt dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor het bouwplan. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak en het besluit van 27 juli 2004 komen dan ook voor vernietiging in aanmerking.

   Inmiddels heeft bekendmaking van een door gedeputeerde staten in overeenstemming met de inspecteur vastgestelde lijst met categorieën van gevallen op de in de Provinciewet voorgeschreven wijze plaatsgevonden door plaatsing daarvan in het Provinciaal Blad van Noord-Holland, no. 48, uitgegeven op 2 augustus 2006. De Afdeling ziet hierin aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 27 juli 2004 in stand blijven.

2.12.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen het besluit van 27 juli 2004 alsnog gegrond verklaren. Dit besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

2.13.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2006 in de zaak nos. AWB 04/4430 en 04/4536;

III.    verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen van 27 juli 2004, kenmerk VVO/9900073/VVH;

V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Amstelveen aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de gemeente Amstelveen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 443,00 (zegge: vierhonderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Boermans

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

429-531.