Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7076

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200605557/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2006 heeft verweerder aan Noorderland Onroerend Goed B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor onder meer het composteren van groenafval, het biologisch reinigen van grond en het ontwateren van baggerspecie en slib op het adres Hoendiep 7a te Oldekerk, gemeente Grootegast. Dit besluit is op 16 juni 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2007/51 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605557/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2006 heeft verweerder aan Noorderland Onroerend Goed B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor onder meer het composteren van groenafval, het biologisch reinigen van grond en het ontwateren van baggerspecie en slib op het adres Hoendiep 7a te Oldekerk, gemeente Grootegast. Dit besluit is op 16 juni 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 17 januari 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman, en verweerder, vertegenwoordigd door M.J. Hopma, M. van Kampen en H.L. van der Leij, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. ing. M.A.W. Koning en drs. A.J. de Boer, en het dagelijks bestuur van het Waterschap Noorderzijlvest, vertegenwoordigd door mr. J.J. Feunekes en E. Huizinga, ambtenaren van het waterschap.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geluid- en trillinghinder

2.2.    Appellant vreest geluidhinder vanwege de inrichting. Hij betoogt dat hij met name op zaterdag geluidhinder zal ondervinden doordat de inrichting vanaf 7.00 uur in werking mag zijn. Hij stelt zich op het standpunt dat het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport onvoldoende inzicht geeft in de bronvermogens van de gebruikte machines en voertuigen en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het gelijktijdig in werking zijn van meerdere machines en voertuigen.

2.2.1.    Verweerder heeft in de voorschriften 9.1.2 en 9.1.3 grenswaarden gesteld voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau. Hij heeft zich hierbij gebaseerd op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). Verweerder heeft de omgeving van de inrichting aangemerkt als landelijke omgeving.

2.2.2.    Verweerder stelt dat in het akoestisch onderzoek de representatieve bedrijfssituatie uitvoerig is beschreven. Omdat sprake is van een discontinue bedrijfssituatie, is daarbij uitgegaan van de situatie waarin de aangevraagde capaciteit van de inrichting volledig wordt benut. Het akoestisch rapport houdt derhalve rekening met de cumulatie van geluidbronnen. De aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften zijn op die situatie afgestemd. Ten aanzien van machines en voertuigen kon volgens verweerder in het akoestisch rapport worden aangesloten bij de bronvermogens die elders zijn gemeten.

2.2.3.    De Afdeling overweegt dat in hoofdstuk 9 van het akoestisch onderzoek de geluidbelasting is berekend voor een aantal varianten in de bedrijfsvoering. Daarbij is rekening gehouden met de cumulatie van de daar vermelde activiteiten. Het gelijktijdig verrichten van activiteiten anders dan vermeld in hoofdstuk 9 van het akoestisch rapport is aangevraagd noch vergund. Gelet op het deskundigenbericht kan voorts worden aangenomen dat de in het akoestisch rapport vermelde bronvermogens voor vrachtwagens en machines representatief zijn. De Afdeling ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit niet op het akoestisch rapport heeft kunnen baseren.

2.2.4.    Verweerder heeft, conform de Handreiking, als de dagperiode aangemerkt de periode van 7.00 tot 19.00 uur. Volgens paragraaf 5.7 van de Handreiking wordt de zaterdag beschouwd als een gewone werkdag. De in vergunningvoorschrift 9.1.2 neergelegde grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de avond- en nachtperiode komen overeen met de richtwaarden die in de Handreiking voor een landelijke omgeving worden aanbevolen. De in dat voorschrift opgenomen grenswaarden voor de dagperiode zijn gesteld op 43 respectievelijk 47 dB(A) en zijn derhalve hoger dan de richtwaarde van 40 dB(A). Volgens de Handreiking kan echter voor bestaande inrichtingen een overschrijding van de richtwaarden tot aan het referentieniveau van het omgevingsgeluid toelaatbaar zijn. Het referentieniveau van het omgevingsgeluid bedraagt volgens het akoestisch rapport 47 dB(A) in de dagperiode. De in de vergunning neergelegde grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de dagperiode overschrijden derhalve het referentieniveau van het omgevingsgeluid niet en zijn voorts niet hoger dan de volgens de Handreiking maximaal aanvaardbaar te achten grenswaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde.

   De in de vergunning gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn lager dan de volgens de Handreiking aanvaardbaar geachte waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   Verweerder heeft de in de voorschriften 9.1.2 en 9.1.3 opgenomen geluidgrenswaarden derhalve in redelijkheid toereikend kunnen achten.

   Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.3.    Appellant vreest daarnaast voor geluid- en trillinghinder als gevolg van een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Hij betoogt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de toename van het verkeer op het Hoendiep en de gevolgen daarvan voor geluid en trilling.

2.3.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de geluidhinder van het verkeer van en naar de inrichting de circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer’ van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire) tot uitgangspunt genomen. In het bestreden besluit en in het akoestisch onderzoek is ingegaan op geluid- en trillinghinder door verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ter plaatse van de woning van appellant een geluidbelasting optreedt van ten hoogste 55 dB(A); bij andere woningen in de omgeving van de inrichting is de geluidbelasting lager. Gelet op de stukken acht de Afdeling het aannemelijk dat ook in de woning van appellant kan worden voldaan aan een binnenwaarde van 35 dB(A), zijnde de maximaal toelaatbare binnengrenswaarde op grond van de Wet geluidhinder.

   Voorts kan naar het oordeel van de Afdeling, gelet op hetgeen hierover in het deskundigenbericht is vermeld, worden aangenomen dat zich ter plaatse van de woning van appellant geen trillingen zullen voordoen die kunnen worden toegerekend aan de verkeersbewegingen van en naar de inrichting.

   Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanvullende voorschriften nodig zijn ter voorkoming dan wel beperking van geluid- en trillinghinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting.

   Deze beroepsgrond slaagt niet.

Luchtkwaliteit

2.4.    Volgens appellant is onvoldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen van de toename van verkeersbewegingen van en naar de inrichting voor de luchtkwaliteit in de omgeving van de inrichting.

2.4.1.    Verweerder betoogt dat de toename van het verkeer van en naar de inrichting slechts een zeer geringe stijging van de concentraties stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) tot gevolg heeft. De concentraties van deze stoffen blijven volgens verweerder ruim beneden de grenswaarden op grond van het Besluit luchtkwaliteit 2005.

2.4.2.    Mede gelet op het deskundigenbericht acht de Afdeling het aannemelijk dat de te verwachten toename van verkeersbewegingen van en naar de inrichting niet zal leiden tot een overschrijding van de op grond van artikel 7 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 in acht te nemen grenswaarden voor de concentraties NO2 en PM10. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder hiernaar nader onderzoek had moeten verrichten.

   Deze beroepsgrond treft geen doel.

Verontreiniging grondwater

2.5.    Appellant vreest voor ontoelaatbare verontreiniging van het grondwater door de uitbreiding van de activiteiten.

2.5.1.    Verweerder betoogt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende bescherming bieden tegen bodem- en grondwaterverontreiniging.

2.5.2.    Bij het stellen van voorschriften inzake de bescherming tegen bodem- en grondwaterverontreiniging heeft verweerder de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming als uitgangspunt gehanteerd. Appellant heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting nader onderbouwd waarom de aan de vergunning verbonden voorschriften en maatregelen ontoereikend zouden zijn. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de aan de vergunning verbonden voorschriften onvoldoende bescherming bieden tegen verontreiniging van het grondwater.

   Deze beroepsgrond faalt.

Stofhinder

2.6.    Appellant voert aan dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot onaanvaardbare stofhinder, in het bijzonder door het shredderen van sloophout.

2.6.1.    Ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder heeft verweerder de voorschriften 8.2.1 tot en met 8.2.7 aan de vergunning verbonden. Hij heeft zich hierbij gebaseerd op de Nederlandse Emissie Richtlijn Lucht  (hierna: de NeR). De stoffen die in de inrichting worden aangevoerd en bewerkt, behoren tot stuifklasse S4 en S5 als bedoeld in de NeR. Volgens verweerder komen de voorschriften overeen met toepassing van de beste beschikbare technieken.

2.6.2.    Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten (hierna: de regeling) houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met de documenten vermeld in tabel 2 van de bij deze regeling behorende bijlage. De NeR is als document opgenomen in tabel 2 van de bijlage bij de regeling.

   Gelet hierop kon verweerder zich bij het stellen van voorschriften baseren op de NeR. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 8.2.4 is echter slechts bepaald dat ter voorkoming van stofhinder de maatregelen, behorende bij klasse S4 en S5, moeten worden genomen zoals beschreven in paragraaf 3.8 van de NeR. Paragraaf 3.8 van de NeR vermeldt in verband met het tegengaan van stofemissies een aantal maatregelen. Uit de tekst van paragraaf 3.8 leidt de Afdeling af dat deze maatregelen gedeeltelijk als alternatieven moeten worden opgevat. Derhalve blijkt uit het bestreden besluit, gezien de enkele verwijzing naar paragraaf 3.8 van de NeR in voorschrift 8.2.4, onvoldoende welke maatregelen vergunninghoudster dient te treffen. Voorschrift 8.2.4 verdraagt zich daarom niet met het algemene rechtsbeginsel der rechtszekerheid.

   Deze beroepsgrond slaagt.

Geurhinder

2.7.    Appellant betoogt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar geurhinder vanwege het composteren van groenafval binnen de inrichting. Volgens hem is onvoldoende onderzoek gedaan naar de geurbelasting. Daardoor is niet uitgesloten dat onaanvaardbare geurhinder zal optreden. Anders dan verweerder stelt, blijkt volgens appellant uit het bestreden besluit niet dat een vergelijking met andere composteerinrichtingen heeft plaatsgevonden.

2.7.1.    Bij de beoordeling van geurhinder vanwege het composteren van groenafval binnen de inrichting heeft verweerder aansluiting gezocht bij bijzondere regeling G2 (Compostering van groenafval, hierna: de bijzondere regeling) van de NeR. In afwijking van de bijzondere regeling heeft verweerder evenwel in voorschrift 8.3.2, kort weergegeven, bepaald dat de geurimmissie vanwege het in werking zijn van de inrichting bij woningen en andere gevoelige objecten niet meer mag bedragen dan 1 geureenheid per m3 als 98-percentiel.

2.7.2.    In de inrichting wordt een hoeveelheid van maximaal 20.000 ton groenafval per jaar gecomposteerd conform methode B van de bijzondere regeling. Uit de bijzondere regeling en het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat bij compostering van groenafval volgens deze methode bij de thans vergunde capaciteit op een afstand van 600 tot 750 meter vanaf de grens van de feitelijke compostering een geurbelasting kan worden verwacht van ongeveer 3 g.e./m3 als 98-percentiel. Op grond van het deskundigenbericht kan naar het oordeel van de Afdeling voorts worden aangenomen dat de in paragraaf 5.1 van de voorschriften opgenomen maatregelen slechts de toepassing van methode B waarborgen, en derhalve niet tot een geringere geurbelasting zullen leiden dan volgens de bijzondere regeling bij toepassing van methode B is te verwachten. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat zich op minder dan 600 tot 750 meter vanaf de rand grens van de feitelijke compostering woningen van derden bevinden. Gelet hierop staat niet vast dat de in voorschrift 8.3.2 opgenomen geurnorm van 1 g.e./m3 als 98-percentiel bij toepassing van methode B ter plaatse van woningen van derden kan worden nageleefd.

   Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.8.    Het beroep is gegrond. Nu het aspect geurhinder mede bepalend is voor de vraag of een vergunning kan worden verleend, komt het bestreden besluit in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking.

2.9.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 6 juni 2006, kenmerk 2006-9567/23, MV;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Groningen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Groningen aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Groningen aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld                    w.g. Fransen

Voorzitter                          ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

407-483.