Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7075

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200605513/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2006 heeft verweerder aan Shiptech een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onderhoud en reparatie aan schepen en jachten op het adres Nieuwland 18 te Uitgeest. Dit besluit is op 15 juni 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2007/3981
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605513/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van de Milieudienst IJmond,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2006 heeft verweerder aan Shiptech een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onderhoud en reparatie aan schepen en jachten op het adres Nieuwland 18 te Uitgeest. Dit besluit is op 15 juni 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 26 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 augustus 2006.

Bij brief van 12 december 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2007, waar appellant, in persoon, bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.A. Warmenhoven en M. van Tunen, ambtenaren van de Milieudienst IJmond, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door A.W. Stoter.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting heeft appellant de beroepsgronden inzake de toezending van een op naam gestelde kennisgeving van het ontwerpbesluit, de toepasselijkheid van het Besluit jachthavens, de bedrijfstijden en het vermelden in het bestreden besluit van de door verweerder gehanteerde richtlijnen, handreikingen en circulaires ingetrokken.

2.2.    Appellant voert aan dat niet op de juiste wijze kennis is gegeven van het ontwerpbesluit. Hij betoogt dat de kennisgeving van het ontwerpbesluit ten onrechte uitsluitend is verschenen in weekblad De Kennemer en niet (tevens) in weekblad De Uitgeester en Dagblad Kennemerland. In laatstgenoemde bladen worden volgens appellant de (ontwerp)besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest, dat zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten als het onderhavige aan verweerder heeft overgedragen, gepubliceerd.

2.2.1.    Op de totstandkoming van het bestreden besluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

   Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp.

2.2.2.    Voorop staat dat het bevoegd gezag op grond van artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een zekere vrijheid heeft in de keuze van het blad of de bladen waarin een kennisgeving wordt geplaatst, mits aldus een geschikte wijze van kennisgeving van het ontwerpbesluit plaatsvindt.

   De Afdeling is van oordeel dat de enkele kennisgeving van het ontwerpbesluit in weekblad De Kennemer niet in strijd is met het bepaalde in artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat De Kennemer onder meer in Uitgeest wordt verspreid. Het gegeven dat bestuursorganen van de gemeente Uitgeest hun (ontwerp)besluiten bekendmaken in twee andere bladen die in Uitgeest worden verspreid, zoals appellant heeft gesteld, roept voor verweerder geen verplichting in het leven om kennisgevingen van zijn (ontwerp)besluiten in deze zelfde bladen te publiceren.

   Deze beroepsgrond faalt.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.    Appellant voert voorts aan dat het verlenen van een vergunning voor de inrichting in strijd is met de ontwikkelingsvisie Noordelijke Dorpskom, de ontwikkelingsvisie Gemeentehaven Uitgeest en het geldende bestemmingsplan. Daarnaast betoogt appellant dat de inrichting niet thuishoort in de dorpskom van Uitgeest.

2.4.1.    Voor zover appellant aanvoert dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, omdat deze niet thuishoort in de dorpskom van Uitgeest, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. Het beroep treft in zoverre geen doel.

   Voor het overige hebben deze beroepsgronden betrekking op de verenigbaarheid van het bestreden besluit met het planologisch beleid en met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer. Deze beroepsgronden kunnen reeds om die reden niet slagen.

2.5.    Appellant vreest voor geluid- en trillinghinder, met name ten gevolge van het transport van boten van en naar de inrichting en op het terrein van de inrichting. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat de aan de vergunning verbonden voorschriften 3.1.5 en 3.1.6 onvoldoende duidelijk zijn.

2.5.1.    Bij de beoordeling van geluidhinder vanwege de inrichting heeft verweerder aansluiting gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) en de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire).

   Ter voorkoming dan wel beperking van geluid- en trillinghinder heeft verweerder voorschriften aan de vergunning verbonden.

2.5.2.    Volgens het akoestisch rapport, dat deel uitmaakt van de vergunning, blijft de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting beneden de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde die in de circulaire wordt aanbevolen. Appellant heeft geen redenen naar voren gebracht waarom het akoestisch rapport op dit punt onjuist zou zijn. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen onaanvaardbare geluidhinder optreedt ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting.    

2.5.3.    Ten aanzien van geluidhinder als gevolg van activiteiten op het terrein van de inrichting overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken blijkt dat bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege de inrichting rekening is gehouden met vervoersbewegingen op het terrein van de inrichting. Blijkens de stukken is de inrichting gelegen in een omgeving die akoestisch vergelijkbaar is met een woonwijk in de stad, waarvoor in de Handreiking richtwaarden van 50, 45 en 40 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode worden aanbevolen. De in de vergunningvoorschriften 3.1.1 en 3.1.2 opgenomen grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau zijn niet hoger dan de genoemde richtwaarden. De in voorschrift 3.1.3 gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau komen overeen met de volgens de Handreiking aanvaardbaar te achten waarden van 70 en 65 dB(A) in respectievelijk de dag- en avondperiode. Verweerder heeft deze grenswaarden in redelijkheid toereikend kunnen achten.

2.5.4.    De voorschriften 3.1.5 en 3.1.6 verwijzen naar een niet bestaand vergunningvoorschrift 0. Verweerder heeft gesteld dat hij heeft beoogd een uitzondering te maken op de in voorschrift 3.1.3 opgenomen grenswaarden voor het maximale geluidniveau. Nu uit de voorschriften 3.1.5 en 3.1.6 echter niet met zekerheid kan worden afgeleid dat naar voorschrift 3.1.3 wordt verwezen, verdragen de voorschriften 3.1.5 en 3.1.6 zich niet met het algemene rechtsbeginsel van de rechtszekerheid.

2.5.5.    Ten aanzien van voorschrift 3.1.6 overweegt de Afdeling voorts het volgende. In het voorschrift wordt een uitzondering gemaakt op de grenswaarden voor het maximale geluidniveau ten behoeve van verkeersbewegingen in de avondperiode. Op grond van paragraaf 3.2 van de Handreiking is het toelaatbaar dat voor het door transportbewegingen en laad- en losbewegingen veroorzaakte geluid gedurende de dagperiode een uitzondering wordt gemaakt op de grenswaarden voor het piekgeluidniveau die volgens de Handreiking maximaal aanvaardbaar kunnen worden geacht, indien het niet mogelijk is om door het treffen van maatregelen aan deze grenswaarden te voldoen. De Handreiking vermeldt evenwel dat voor de avondperiode geen ontheffing van de grenswaarde van 65 dB(A) mogelijk is. Verweerder is aldus afgeweken van het door hem gekozen uitgangspunt, zonder daarvoor een deugdelijke motivering te geven. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.6.    In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften 3.2.1 en 3.2.2, waarin onder meer grenswaarden zijn opgenomen voor de trillingniveaus vanwege de activiteiten in de inrichting, een toereikende bescherming bieden tegen trillinghinder.    

2.6.    Het beroep is, gelet op de rechtsoverwegingen 2.5.4 en 2.5.5, gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de voorschriften 3.1.5 en 3.1.6. De Afdeling zal op hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het dagelijks bestuur van de Milieudienst IJmond van 22 juni 2006, voor zover het betreft de voorschriften 3.1.5 en 3.1.6;

III.    bepaalt dat voorschrift 3.1.5 komt te luiden: "Voorschrift 3.1.3 is niet van toepassing op transportbewegingen en het laden of lossen ten behoeve van de inrichting voor zover dit plaatsvindt tussen 07.00 en 19.00 uur.";

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

V.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI.    veroordeelt het dagelijks bestuur van de Milieudienst IJmond tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Milieudienst IJmond aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de Milieudienst IJmond aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld                     w.g. Fransen

Voorzitter                           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

407-483.