Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7073

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200606977/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 30 mei 2005 heeft appellante het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas (hierna: het college) verzocht het op 2 mei 2005 door de raad van de gemeente Binnenmaas (hierna: de gemeenteraad) vastgestelde structuurplan "Regionaal bedrijventerrein Hoeksche Waard" (hierna: het structuurplan) in te trekken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/314
JOM 2007/542
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606977/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Noordrand Open", gevestigd te Heinenoord, gemeente Binnenmaas,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1087 van de rechtbank Dordrecht van 11 augustus 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas.

1.    Procesverloop

Bij brief van 30 mei 2005 heeft appellante het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas (hierna: het college) verzocht het op 2 mei 2005 door de raad van de gemeente Binnenmaas (hierna: de gemeenteraad) vastgestelde structuurplan "Regionaal bedrijventerrein Hoeksche Waard" (hierna: het structuurplan) in te trekken.

Bij brief van 14 juli 2005 heeft appellante het college verzocht voor 1 september 2005 te reageren op haar verzoek tot intrekking van het structuurplan.

Bij brief van 21 juli 2005 heeft het college appellante bericht dat niet hij, maar de gemeenteraad bevoegd is te besluiten tot intrekking van het structuurplan en dat het college geen redenen ziet om aan de gemeenteraad een voorstel tot intrekking van het structuurplan te doen. Het college heeft daarbij aangegeven dat de brieven van appellante van 30 mei 2005 en 14 juli 2005 en de reactie van het college daarop op de lijst van ingekomen stukken van de eerstvolgende gemeenteraad worden geplaatst.

Bij uitspraak van 11 augustus 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) zich onbevoegd verklaard van het daartegen door appellante ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 15 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door J.M.P. Vermeulen, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.R. Vermeulen, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat tegen de brief van het college van 21 juli 2005 geen beroep kon worden ingesteld, omdat de brief niet is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de brief van het college van 21 juli 2005 niet kan worden aangemerkt als een besluit, inhoudende een weigering op het verzoek van appellante om het structuurplan in te trekken en evenmin als een besluit op bezwaar. In de brief heeft het college appellante slechts meegedeeld dat het college geen reden ziet aan de gemeenteraad een voorstel tot intrekking van het structuurplan te doen. Deze mededeling is niet op rechtsgevolg gericht en is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het college heeft in zijn brief overigens aangegeven dat niet hij, maar de gemeenteraad bevoegd is tot intrekking van een structuurplan. Ook deze mededeling kan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Daarbij is van belang dat aan het college geen enkele bevoegdheid is toegekend ten aanzien van de vaststelling, herziening en intrekking van structuurplannen, zodat geen sprake kan zijn van een weigering door het college om een besluit te nemen.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de brief van het college van 21 juli 2005 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, zodat daartegen geen beroep bij de rechtbank kon worden ingesteld. De rechtbank heeft zich derhalve terecht onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Soede

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

270-494.