Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7071

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200600136/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2005 heeft de gemeenteraad van Venray, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 december 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 14
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/706
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600136/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Venray,

2.    de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel", gevestigd te Deurne,

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    Hengelsportvereniging "Het Alvertje" Oostrum, gevestigd te Venray,

6.    [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7.    [appellante sub 7]), gevestigd te [plaats],

8.    de stichting "Stichting Dorpsraad Oostrum", gevestigd te Oostrum, gemeente Venray (hierna: de Dorpsraad Oostrum),

9.    [appellante sub 9]), gevestigd te [plaats],

10.    [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B], wonend respectievelijk gevestigd te [plaats],

11.    [appellante sub 11], gevestigd te [plaats],

12.    [appellante sub 12], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2005 heeft de gemeenteraad van Venray, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 december 2004, het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 december 2005, no. 2005/57938, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

Bij brief van 9 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 27 november 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Bij brief van 15 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders de beroepsgrond betreffende het auto-/motorcrosscircuit "De Peel" ingetrokken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2007, waar het college van burgemeester en wethouders van Venray, vertegenwoordigd door F. Aarts, ing. F.H.A. van Bergen, ir. G.A.A. Melis en ing. L.J.M. Raaijmakers, ambtenaren van de gemeente, de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel", vertegenwoordigd door [bestuurslid] van appellante, en mr. J.E. Dijk, advocaat te Dordrecht, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, Hengelsportvereniging "Het Alvertje", vertegenwoordigd door mr. G.G.J. Bastiaans-Dupont, [appellante sub 7], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, de Dorpsraad Oostrum, vertegenwoordigd door [voorzitter] van appellante, [appellante sub 9], vertegenwoordigd door mr. A. Groenewoud, advocaat te 's-Hertogenbosch, [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B], vertegenwoordigd door [appellant sub 10A] in persoon en mr. M.L.J. Bomers, advocaat te Nijmegen, [appellante sub 11], vertegenwoordigd door B.J.G. Driessen, gemachtigde, en [appellante sub 12], vertegenwoordigd door B.J.G. Driessen, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D.R. Boer en ir. A.F.M. Dohmen, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de gemeenteraad van Venray, vertegenwoordigd door F. Aarts, ing. F.H.A. van Bergen, ir. G.A.A. Melis en ing. L.J.M. Raaijmakers, voornoemd, Forensisch Psychiatrisch Instituut De Rooyse Wissel, vertegenwoordigd door mr. A.A. van den Brand, advocaat te Venlo, [partij A], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, [partij B], in persoon en bijgestaan door L.J.M. Verhaegh, gemachtigde, en [partij C], in persoon en bijgestaan door A.A.J. Albers, gemachtigde, daar als partij gehoord. [appellant sub 3] en [appellant sub 6] zijn niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

DIFFERENTIATIEVLAK "WEIDEVOGELGEBIED" TEN ZUIDEN VAN DE LUCHTHAVEN

Het standpunt van appellante

2.3.    De stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel" stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" direct ten zuiden van de luchthaven, voor zover deze gronden op waardenkaart A niet in het differentiatievlak "leefgebied van weidevogels" liggen. Tevens kan zij zich niet verenigen met artikel 4, eerste en derde lid, van de planvoorschriften.

Appellante voert hiertoe aan dat de aanwezige natuurwaarden onvoldoende worden beschermd. Nu de gemeenteraad heeft erkend dat de ter plaatse aanwezige waarden de ligging in genoemd differentiatievlak rechtvaardigen, had verweerder in zoverre goedkeuring aan het plan dienen te onthouden, aldus appellante.

Het standpunt van verweerder

2.3.1.    Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft daaraan goedkeuring verleend. Hij heeft het te verstrekkend geacht om in zoverre goedkeuring te onthouden nu de gemeenteraad en appellante niet van mening verschillen over de waarden in het gebied en het niet aanpassen van de waardenkaart een zuiver administratieve vergissing betreft.

De vaststelling van de feiten

2.3.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.3.3.    De gronden ten zuiden van de luchthaven, voor zover hier van belang, hebben op plankaart 1 de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-".

   In artikel 4 van de planvoorschriften is bepaald dat de gronden op plankaart 1 aangewezen voor "Agrarisch gebied" zijn bestemd voor de volgende doeleinden:

a. een duurzame agrarische bedrijfsvoering;

b. instandhouding van aanwezige cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en/of archeologische waarden;

c. het behoud van het aanwezige veldkruis of veldkapel op de gronden die als zodanig zijn aangewezen;

d. burgerwoningen, uitsluitend op of nabij die bestemming op de plankaart. Ten aanzien van de doeleinden, de inrichting en het bouwen geldt het bepaalde in artikel 21;

e. extensief recreatief medegebruik.

   In artikel 4, derde lid, van de planvoorschriften is bepaald dat de gronden voor zover gelegen binnen een van de op Waardenkaart A aangegeven differentiatievlakken, tevens zijn bestemd voor de instandhouding van de cultuurhistorische en visueel-landschappelijke waarde "schootsveld Peel-raamstelling".

2.3.4.    Appellante heeft in haar zienswijze naar voren gebracht dat de gronden ten zuiden van de vliegbasis op waardenkaart A ten onrechte niet in het differentiatievlak "leefgebied van weidevogels" liggen. De gemeenteraad heeft deze zienswijze gegrond verklaard. Per abuis is de plankaart behorend bij het vastgestelde plan niet aangepast bij de vaststelling van het plan.

Het oordeel van de Afdeling

2.3.5.    Blijkens het bestreden besluit gaat verweerder ervan uit dat de gemeenteraad ter voldoening aan de uit artikel 30 van de WRO voortvloeiende verplichting een nieuw plan zal opstellen waarbij de gemeenteraad ook het differentiatievlak "leefgebied van weidevogels" zo zal aanpassen dat de onderwerpelijke gronden ten zuiden van de luchthaven in dit differentiatievlak liggen. Nu verweerder evenwel aan dit plandeel geen goedkeuring heeft onthouden, vloeit uit artikel 30 van de WRO niet de verplichting voort om op dit punt een nieuw plan op te stellen. Voor het oordeel dat het niet wijzigen van de bestemmingsplankaart een evidente verschrijving betreft ziet de Afdeling geen aanknopingspunt. Overigens had verweerder ook in geval van een evidente verschrijving in zoverre goedkeuring aan het plan dienen te onthouden.

Nu verweerder van mening is dat het ter plaatse aanwezige weidevogelgebied de ligging in het differentiatievlak "leefgebied voor weidevogels" rechtvaardigt, maar het differentiatievlak zich niet over deze gronden uitstrekt, had verweerder dan ook in zoverre goedkeuring aan het plan dienen te onthouden.

Bovendien heeft verweerder miskend dat het plan geen voorschriften ter instandhouding van het leefgebied voor weidevogels bevat, aangezien een koppeling tussen de waardenkaart en de bestemmingsvoorschriften op dit punt ontbreekt. In dit kader wijst de Afdeling erop dat artikel 4, eerste en derde lid, van de planvoorschriften geen betrekking heeft op de instandhouding van natuurwaarden.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Hieruit volgt dat verweerder, door goedkeuring te verlenen aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-", voor zover dat betrekking heeft op de gronden ten zuiden van de luchthaven, zoals nader aangegeven op de van deze uitspraak onderdeel uitmakende kaart, alsmede voor zover hij goedkeuring heeft verleend aan artikel 4, eerste en derde lid, van de planvoorschriften, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel" is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op deze punten dient te worden vernietigd.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het genoemde plandeel en de genoemde voorschriften.

AANLEGVERGUNNINGSTELSEL/STRIJDIG GEBRUIK

Het standpunt van appellante

2.4.    De stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel" stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend, voor zover het plan geen aanlegvergunningstelsel bevat voor werken en werkzaamheden die de aanwezige waarden van het weidevogelgebied, het dassenleefgebied en de Heidsche Peel kunnen aantasten.

Het standpunt van verweerder en de gemeenteraad dat de Keur van het waterschap Peel en Maasvallei en de Natuurbeschermingswet en andere wet- en regelgeving de aanwezige waarden reeds beschermen, zodat het opnemen van een aanlegvergunningstelsel zou leiden tot dubbele regelgeving, acht zij onjuist.

Verder is volgens appellante ook een aanlegvergunningstelsel nodig om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Habitatrichtlijn.

Subsidiair stelt appellante dat als er geen aanlegvergunningstelsel wordt opgenomen, in het plan een groter aantal werken en werkzaamheden als strijdig gebruik dient te worden aangemerkt.

Verder voorziet het plan volgens appellante ten onrechte niet in een hydrologische beschermingszone rond de Mariapeel, de Heidsche Peel en de Bult met een daaraan verbonden aanlegvergunningstelsel.

Het standpunt van verweerder

2.4.1.    Verweerder heeft het plan in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft in zoverre goedkeuring aan het plan verleend.

Verweerder heeft overwogen dat, alhoewel hij betwijfelt of het plan zonder aanlegvergunningstelsel voldoende bescherming biedt, hij deze twijfel niet in zijn algemeenheid kan onderbouwen. Gezien het streven naar vermindering van regelgeving en het leggen van meer verantwoordelijkheid bij de gemeenten heeft verweerder besloten de gemeenteraad het voordeel van de twijfel te geven. Voorts heeft hij van belang geacht dat in de afgelopen tien jaar slechts één aanlegvergunning in de gemeente Venray is aangevraagd en uit navraag bij verschillende instanties niet van alarmerende zaken is gebleken, die ertoe nopen onverkort vast te houden aan een regulier aanlegvergunningstelsel.

Wel acht verweerder het noodzakelijk dat de effecten van de fysieke ingrepen en werken die voorheen aanlegvergunningplichtig waren worden gemonitord en geëvalueerd. Tevens heeft verweerder van belang geacht dat de gemeenteraad op een kaart in beeld brengt waarop de werkingssfeer van diverse wet- en regelgeving betrekking heeft en waaruit derhalve ook blijkt of sprake is van een eventuele leemte.

Ook ten aanzien van de hydrologische beschermingszones heeft verweerder overwogen dat de ter plaatse aanwezige waarden voldoende door andere wet- en regelgeving worden beschermd, zodat het opnemen van een dergelijke aanduiding met een aanlegvergunningstelsel niet noodzakelijk is.

De vaststelling van de feiten

2.4.2.     Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.3.    In artikel 26, eerste lid, van de planvoorschriften, is bepaald dat het verboden is de in het plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangegeven in de doeleinden.

   In artikel 26, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is bepaald dat onder strijdig gebruik als bedoeld in lid 1 in ieder geval die vormen van gebruik worden verstaan, die in de "Tabel strijdig gebruik" zijn aangegeven.

Volgens de stukken bevatte artikel 26 in het ontwerp van het bestemmingsplan een aanlegvergunningstelsel. Bij de vaststelling van het plan heeft de gemeenteraad onder meer naar aanleiding van een aantal ingediende zienswijzen besloten het plan gewijzigd vast te stellen met dien verstande dat het aanlegvergunningstelsel geen deel meer uitmaakt van het plan.

   Ingevolge artikel 14 van de WRO kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) voor zover zulks noodzakelijk is:

a.  om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming;

b. ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming als bedoeld onder a.

2.4.4.    Het door verweerder nodig geachte systeem van monitoring en evaluatie heeft tot doel te bezien of landschappelijke, archeologische, bodemkundige, cultuurhistorische, hydrologische en ecologische waarden in stand blijven, dan wel niet wezenlijk worden aangetast nu het plan geen aanlegvergunningstelsel bevat.

Volgens de stukken zal in het monitoringssysteem worden neergelegd dat wanneer blijkt dat een traditioneel aanlegvergunningstelsel of delen daarvan toch niet kunnen worden gemist een dergelijk stelsel alsnog zal worden opgenomen in een herziening van het onderhavige bestemmingsplan.

Blijkens de stukken beschikte de gemeenteraad ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet over een voltooid systeem van monitoring en evaluatie en was niet in kaart gebracht in hoeverre alle waarden in het gebied ook daadwerkelijk door andere wet- en regelgeving worden beschermd.

Het oordeel van de Afdeling

2.4.5.    Niet in geschil is dat de Heidsche Peel en de gronden die op waardekaart A zijn aangeduid als "leefgebied van weidevogels", "dassenleefgebied", alsmede de gronden die volgens appellante de aanduiding "hydrologische beschermingszone" dienen te krijgen, te beschermen waarden hebben. Evenmin is in geschil dat ook andere dan de in de "Tabel Strijdig gebruik" genoemde vormen van gebruik deze waarden kunnen aantasten. De Afdeling ziet zich dan ook uitsluitend gesteld voor de vraag of deze waarden voldoende worden beschermd.

Voor zover verweerder en de gemeenteraad stellen dat een aanlegvergunningstelsel niet noodzakelijk is vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, omdat deze waarden reeds door andere regelingen worden beschermd, overweegt de Afdeling dat volgens de stukken ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet was onderzocht in hoeverre een aanlegvergunningstelsel een toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de reeds bestaande regelgeving.

Ook uit het feit dat verweerder een systeem van monitoring en evaluatie noodzakelijk heeft geacht blijkt reeds dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit onvoldoende duidelijk was of de geldende wet- en regelgeving de aanwezige waarden reeds in voldoende mate beschermt.

Het achterwege laten van een onderzoek naar de toegevoegde waarde van een aanlegvergunningstelsel klemt naar het oordeel van de Afdeling des te meer nu een bestemmingsplan en andere wetgeving, waaronder bijvoorbeeld een keur van het waterschap doorgaans niet dezelfde doelen dienen. Een bestemmingsplan heeft een goede ruimtelijke ordening ten doel en coördineert de verschillende belangen tot een harmonisch geheel dat een grotere waarde vertegenwoordigt dan het dienen van de belangen afzonderlijk. Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat bij het opstellen van andere regelgeving zoals bijvoorbeeld een keur en bij de beslissing omtrent het verlenen van een vergunning op grond van die keur de belangen bij de bescherming van bepaalde waarden - waaronder natuurwaarden - niet in dezelfde mate als bij de uitvoering van bestemmingsplanvoorschriften betrokken behoeven te worden.

2.4.6.    Voorts kan de Afdeling verweerder niet volgen in zijn stelling dat nu het aanlegvergunningstelsel door de gemeenteraad de afgelopen tien jaar niet strikt is gehandhaafd, hetgeen volgens de stukken niet tot grote misstanden heeft geleid, meebrengt dat in dit plan geen aanlegvergunningstelsel behoeft te worden opgenomen.

   Voor zover verweerder met betrekking tot de hydrologische zones rondom de beschermde natuurmonumenten Mariapeel en de Deurnese Peel nog heeft overwogen dat artikel 12 van de Natuurbeschermingswet afdoende bescherming biedt, merkt de Afdeling op dat dit artikel ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds was vervallen, zodat het bestreden besluit ook in zoverre niet deugdelijk is gemotiveerd.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit wat dit aspect betreft is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en evenmin berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel" is ook in zoverre gegrond. Gelet op de omvang van de gronden waarop de beroepsgrond van appellante betrekking heeft en de samenhang tussen deze en de overige gronden waarop het plan ziet, ziet de Afdeling aanleiding het bestreden besluit voor zover verweerder daarbij goedkeuring aan het plan heeft verleend, wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb geheel te vernietigen.

In aanvulling op het overwogene in 2.3.5. dient derhalve ook vorenstaande reden aan de vernietiging van de goedkeuring van het in overweging 2.3.5. genoemde plandeel ten grondslag te worden gelegd.

Gelet op het vorenstaande behoeven de overige bezwaren van appellante geen bespreking meer.

BESTEMMINGSREGELING TUINCENTRUM EN PERCEEL [LOCATIE 1]

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft in de bedenkingen van [appellante sub 7] aanleiding gezien artikel 23, tweede lid, onder g, van de planvoorschriften gedeeltelijk in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft goedkeuring onthouden aan de zinsnede 'op gronden met de aanduiding B6 bedraagt 400 m²'. Hij heeft zich met de gemeenteraad op het standpunt gesteld dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat de gemeenteraad heeft beoogd het maximale toegestane bedrijfsvloeroppervlak voor [appellante sub 7] op 4.000 m² vast te stellen. Verweerder heeft gesteld dat de omvang van het bedrijfsvloeroppervlak in het kader van de planherziening als bedoeld in artikel 30 van de WRO nader dient te worden afgewogen.

   Verweerder heeft in de bedenkingen van [appellante sub 7] geen aanleiding gezien het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden -Aln-", de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" en de aanduidingen "B6" en "1BW" ter plaatse van het perceel [locatie 1] te [plaats] in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan voldoende uitbreidingsmogelijkheden biedt aan het bedrijf van [appellante sub 7].

2.5.1.    Verweerder heeft in de bedenkingen van [appellant sub 6] geen aanleiding gezien de in artikel 1, onderdeel 85, neergelegde begripsomschrijving van 'tuincentrum' in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

De standpunten van appellanten

2.5.2.    Het college van burgemeester en wethouders voert in beroep onder meer aan dat verweerder aan de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan artikel 23, tweede lid, onder g, van de planvoorschriften een ondeugdelijke motivering ten grondslag heeft gelegd. Onder verwijzing naar de plansystematiek betoogt appellant dat de onthouding van goedkeuring ertoe leidt dat de gronden met de aanduiding "B6" in hun geheel voor detailhandel mogen worden gebruikt. Het college stelt dat dit in strijd is met het gemeentelijke en provinciale beleid inzake detailhandel in het buitengebied.

2.5.3.    [appellant sub 6] voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 1, onderdeel 85, van de planvoorschriften. Appellant stelt dat de begripsomschrijving voor 'tuincentrum' niet overeenkomt met hetgeen daaronder in het algemeen spraakgebruik wordt verstaan. Verder betoogt hij dat deze begripsomschrijving in strijd met het gemeentelijke en provinciale beleid nieuwvestiging en uitbreiding van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid mogelijk maakt.

2.5.4.    [appellante sub 7] voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden -Aln-", de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" en de aanduidingen "B6" en "1BW". Appellante betoogt dat het toegestane bebouwingsoppervlak voor haar bedrijf te beperkt is. Daarnaast stelt zij dat het plan dient te voorzien in de mogelijkheid het bedrijf te kunnen omschakelen naar een ander bedrijfstype.

Vaststelling van de feiten

2.5.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.6.    Aan de gronden van [appellante sub 7] aan de [locatie 1] te [plaats] zijn de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden -Aln-", de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" en de aanduidingen "B6" en "1BW" toegekend.

   Blijkens de plankaart bedraagt de maximale toegestane bebouwingsoppervlakte 1.500 m².

2.5.7.    Blijkens de stukken heeft het perceel [locatie 1] een oppervlakte van ongeveer 1,7 ha en ligt het op een afstand van ongeveer 1 km van de kern Venray in een half-open agrarisch gebied.

   De oppervlakte van de bedrijfsbebouwing op het door appellante gebruikte gedeelte van het perceel bedraagt ongeveer 1.365 m². Van de buitenruimte is een oppervlakte van meer dan 4.000 m² in gebruik voor detailhandel.

2.5.8.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder a, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart 1 voor "Bedrijfsdoeleinden -B-" aangewezen gronden overeenkomstig de aanduiding "B6" bestemd voor de uitoefening van een tuincentrum annex hoveniersbedrijf.

2.5.9.    Volgens de in artikel 24, veertiende lid, onder a, van de planvoorschriften neergelegde beschrijving in hoofdlijnen, voor zover hier van belang, zijn niet-agrarische bedrijven niet in functioneel opzicht aan het buitengebied gebonden.

   Volgens artikel 24, veertiende lid, onder b, van de planvoorschriften is het beleid ten aanzien van bestaande niet-agrarische bedrijven in het algemeen gericht op verplaatsing naar een bedrijventerrein.

   Ingevolge artikel 24, veertiende lid, onder c, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen ten behoeve van een grotere uitbreiding dan het rechtstreeks toegestane, onder meer onder de voorwaarde dat de vergroting maximaal 10 procent van het op de plankaart aangegeven maximale bebouwingsoppervlak bedraagt.

2.5.10.    Ingevolge artikel 24, zestiende lid, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen ten behoeve van de wijziging van het bestaande bedrijfstype van een niet-agrarisch bedrijf, onder meer op voorwaarde dat er geen sprake is van detailhandelsactiviteiten.

2.5.11.    Ingevolge artikel 1, onderdeel 48, van de planvoorschriften wordt onder een hoveniersbedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op de inrichting en het onderhoud van tuinen en plantsoenen en/of het kweken van planten en siergewassen met eventueel detailhandel als nevenfunctie in ter plaatse gekweekte gewassen.

   Ingevolge artikel 1, onderdeel 85, van de planvoorschriften wordt onder een tuincentrum verstaan een bedrijf dat is gericht op de verkoop van boomkwekerijproducten, planten, bloembollen, kamerplanten en dergelijke en/of attributen voor het onderhoud en de verfraaiing van tuinen alsmede alle daarbij behorende hulpmaterialen.

2.5.12.    Blijkens de toelichting bij artikel 23 van de planvoorschriften heeft dit voorschrift betrekking op bestaande niet-agrarische bedrijven binnen het plangebied. Deze bedrijven zijn specifiek bestemd door de toevoeging van een nummer achter de "B" op plankaart 1. In de voorschriften is per nummer de toegestane bedrijfsactiviteit genoemd, maar het is mogelijk via een vrijstelling om het bedrijfstype te wijzigen. Tevens is op plankaart 1 aangegeven of een bedrijfswoning is toegestaan of niet. Voor aan-huis-gebonden beroepen/bedrijven geldt dezelfde regeling als verwoord onder artikel 21 evenals de regeling voor een monument of een cultuurhistorisch/architectonisch waardevol pand is (dat wil zeggen opgenomen in bijlage 1 van de voorschriften). Bij een beperkt aantal bedrijven is detailhandel toegestaan tot het oppervlak dat per bedrijf in het eerste lid van het voorschrift is genoemd. Voor het overige is detailhandel uitgesloten. Bedrijven die vallen onder artikel 2.4 van het Inrichtingen en Vergunningen Besluit zijn niet toegestaan. Het gaat hier om de zogenaamde ‘grote lawaaimakers’. De bestemming Bedrijfsdoeleinden kan onder voorwaarden gewijzigd worden in "Burgerwoning".

2.5.13.    Blijkens de toelichting bij het bestemmingsplan heeft de gemeenteraad onder meer de volgende uitgangspunten gehanteerd bij de regeling van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied.

   Nieuwbouw of nieuwvestiging ten behoeve van niet-agrarische bedrijven is in het gehele plangebied uitgesloten. Niet-agrarische bedrijven zijn niet functioneel aan het buitengebied gebonden; deze veroorzaken een onnodige verstening van het buitengebied.

   Net als de agrarische bedrijven hebben de niet-agrarische bedrijven in beginsel een 'bouwvlak op maat' gekregen. Dit houdt in dat de bestemming specifiek wordt toegesneden op de huidige situatie van het betreffende bedrijf. Alle positief bestemde niet-agrarische bedrijven hebben in het plan de mogelijkheid gekregen om het bestaande bebouwingsoppervlak uit te breiden met 10 %. Voor een extra uitbreiding met 10 % is voor de niet-agrarische bedrijven in het bestemmingsplan een vrijstellingsbevoegdheid opgenomen. Voordat het gemeentebestuur beslist of deze uitbreiding al dan niet wordt toegestaan, dient met een gekwalificeerd bedrijfsplan te worden aangetoond dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en dat verplaatsing naar een bedrijventerrein financieel niet haalbaar is. Ter plaatse dient de bebouwing landschappelijk inpasbaar zijn en mag de uitbreiding van bedrijfsactiviteiten geen onevenredige (milieu)hinder voor de omliggende functies en waarden opleveren.

   De activiteiten mogen geen publieksgericht karakter hebben en mogen geen verkeershinder veroorzaken. In geval detailhandel plaatsvindt dient dit als ondergeschikte nevenactiviteit te gebeuren.

   Nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid is beperkt tot vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Via een gebiedszonering gelden specifieke voorwaarden voor de hergebruikmogelijkheden. Er zal dan ook zeer zorgvuldig/terughoudend worden omgegaan met hergebruikmogelijkheden.

   Bedrijfswoningen van niet-agrarische bedrijven zijn alleen opgenomen indien zij aanwezig zijn op het moment van inventarisatie. Er worden geen vrijstellingen verleend voor de bouw van een nieuwe dan wel tweede bedrijfswoning bij niet-agrarische bedrijven.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.14.    Verweerder heeft aan zijn gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan artikel 23, tweede lid, onder g, van de planvoorschriften de motivering ten grondslag gelegd dat van de zijde van het gemeentebestuur te kennen is gegeven dat het in het plan opgenomen maximale bedrijfsvloeroppervlak van 400 m² een aperte verschrijving is. Voorts heeft verweerder gesteld dat het maximale bedrijfvloeroppervlak nadere afweging behoeft. Anders dan het college van burgemeester en wethouders blijkens zijn beroepschrift veronderstelt, strekt de onthouding van goedkeuring er niet toe dat het bij het op grond van artikel 30 van de WRO vast te stellen herzieningsplan een onbeperkt bedrijfsvloeroppervlak moet worden opgenomen. Het betoog van het college van burgemeester en wethouders treft gelet hierop geen doel.

2.5.15.    Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 6] overweegt de Afdeling dat aan de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begripsomschrijvingen van een bestemmingsplan. Er valt dan ook geen rechtsregel aan te wijzen op grond waarvan een begripsomschrijving in een bestemmingsplan gelijkluidend dient te zijn aan de beschrijving in het woordenboek 'Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal'. De Afdeling is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat verweerder zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde omschrijving van het begrip 'tuincentrum' niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hetgeen [appellant sub 6] over het gemeentelijke en provinciale beleid inzake de nieuwvestiging en uitbreiding van niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien de begripsomschrijving niet voorziet in vergroting van bouwmogelijkheden.

2.5.16.    Wat betreft het beroep van [appellante sub 7] wordt overwogen dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de gemeentelijke uitgangspunten voor de bestemmingsregeling voor niet-agrarische bedrijven. Niet in geschil is dat het bedrijf van appellante als een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied moet worden aangemerkt. Gelet op de verhouding tussen de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte en de oppervlakte van de bestaande bedrijfsbebouwing, moet worden vastgesteld dat het plan voor het bedrijf van appellante overeenstemt met de gemeentelijke uitgangspunten. [appellante sub 7] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de uitbreidingsmogelijkheden voor het bedrijf onvoldoende zijn. Van concrete voornemens voor uitbreidingen die de beschikbare ruimte binnen het bouwvlak te boven gaan, is niet gebleken.

   Ten aanzien van de door appellante gemaakte vergelijking met het bedrijf Intratuin aan de Langstraat 133 te Venray overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan. Wat betreft het bedrijf aan de Castenrayseweg 14 te Oirlo is niet aangetoond dat de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan is afgeweken van de uitgangspunten voor niet-agrarische bedrijven in het buitengebied.

   In artikel 24, zestiende lid, van de planvoorschriften is een regeling opgenomen waardoor het voor het college van burgemeester en wethouders mogelijk is onder voorwaarden vrijstelling te verlenen voor de wijziging van bedrijfstype ten behoeve van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. Het betoog van appellante dat niet is voorzien in een zodanige regeling, mist daarom feitelijke grondslag. Overigens heeft appellante geen argumenten naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat verweerder aan deze bepaling geen goedkeuring had mogen verlenen.

2.5.17.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de zinsnede 'op gronden met de aanduiding B6 bedraagt 400 m²' uit artikel 23, tweede lid, onder g, van de planvoorschriften in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan genoemde zinsnede.

Dit onderdeel van het beroep van het college van burgemeester en wethouders is mitsdien ongegrond.

2.5.18.    Gelet op het vorenoverwogene treft hetgeen [appellant sub 6] tegen de goedkeuring van de in artikel 1, onderdeel 85, neergelegde begripsomschrijving van 'tuincentrum' heeft aangevoerd, geen doel.

Het enkele feit dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan, blijkens het onder 2.4.6. voor vernietiging in aanmerking komt, brengt niet met zich dat het beroep van [appellant sub 6] om die reden gegrond wordt verklaard.

Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond.

2.5.19.    Gezien het vorenstaande treft hetgeen [appellante sub 7] tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden -Aln-", de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" en de aanduidingen "B6" en "1BW" ter plaatse van het perceel [locatie 1] te [plaats] heeft aangevoerd, geen doel.

Het enkele feit dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan, blijkens het onder 2.4.6. overwogene voor vernietiging in aanmerking komt, brengt niet met zich dat het beroep van [appellante sub 7] om die reden gegrond wordt verklaard.

Het beroep van [appellante sub 7] is ongegrond.

HET PERCEEL [LOCATIE 2]

Het standpunt van verweerder

2.6.    Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" ten noorden en noordoosten van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-", de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "B43" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te [plaats]. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van de betrokken gronden voor buitenopslag ten behoeve van het ter plaatse gevestigde bedrijf van [partij B] mogelijk onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan valt en dat de gemeenteraad dit heeft miskend. Volgens verweerder heeft de gemeenteraad het plan op dit punt onzorgvuldig voorbereid.

Het standpunt van appellant

2.6.1.    Het college van burgemeester en wethouders voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan genoemd plandeel. Volgens appellant heeft het ter plaatse gevestigde bedrijf niet aangetoond dat het gebruik van de gronden voor opslagdoeleinden onder het overgangsrecht valt. Daarnaast stelt appellant dat het gebruik in de loop der tijd is gewijzigd waardoor de afwijking van het plan naar de aard is vergroot, zodat geen beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht.

Vaststelling van de feiten

2.6.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.3.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de betrokken gronden worden gebruikt voor opslag van materialen en het parkeren van voertuigen. Voor een deel zijn de gronden verhuurd aan andere bedrijven.

2.6.4.    Aan de betrokken gronden is de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" toegekend.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op plankaart 1 aangewezen voor "Agrarisch gebied" bestemd voor de volgende doeleinden:

a. een duurzame agrarische bedrijfsvoering;

b. instandhouding van aanwezige cultuurhistorische, visueel-landschappelijke abiotische en/of archeologische waarden;

c. het behoud van het aanwezige veldkruis of veldkapel op de gronden die als zodanig zijn aangewezen;

d. burgerwoningen, uitsluitend op of nabij die bestemming op de plankaart. Ten aanzien van de doeleinden, de inrichting en het bouwen geldt het bepaalde in artikel 21;

e. extensief recreatief medegebruik.

2.6.5.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder a, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart 1 voor "Bedrijfsdoeleinden -B-" aangewezen gronden overeenkomstig de aanduiding "B43" bestemd voor de productie en verhuur van bouwmaterialen.

2.6.6.    Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangegeven in de doeleinden.

2.6.7.    Blijkens de plankaart van het voorheen geldende plan "Buitengebied" waren de betrokken gronden deels bestemd als "Agrarisch gebied met landschappelijke openheid (AG-LO)" en deels als "Bosgebied".

   Opslagactiviteiten ten behoeve van niet-agrarische bedrijven waren ingevolge het vorige bestemmingsplan niet toegestaan op deze gronden.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.8.    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting moet worden geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gemeenteraad het bestemmingsplan voor het onderhavige plandeel onzorgvuldig heeft voorbereid. Gelet op de door [partij B] ingediende zienswijze had de gemeenteraad dienen te onderzoeken in hoeverre het overgangsrecht van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" van toepassing is op het gebruik van de gronden voor opslagdoeleinden. In dat verband had tevens onderzocht moeten worden of en in hoeverre in het kader van de door [partij B] genoemde ruilverkavelingprocedure afspraken zijn gemaakt voor de ingebruikname van een deel van de gronden voor opslagdoeleinden. Uit de reactie op de zienswijze van [partij B] blijkt niet dat de opslagactiviteiten bij de besluitvorming zijn betrokken.

2.6.9.    Uit het voorgaande volgt dat het bestemmingsplan wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" ten noorden en noordoosten van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-", de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "B43" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te [plaats] in strijd met artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 is vastgesteld.

In hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan genoemd plandeel.

Dit onderdeel van het beroep van het college van burgemeester en wethouders is mitsdien ongegrond.

HET PERCEEL [LOCATIE 3]

Het standpunt van verweerder

2.7.    Verweerder heeft in de bedenkingen van [partij A] aanleiding gezien de medebestemming "Burgerwoning" ter plaatse van het perceel [locatie 3] te Heide in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft in zoverre goedkeuring onthouden aan het plan. Volgens verweerder heeft de gemeenteraad aan het plandeel geen goede belangenafweging ten grondslag gelegd en had de gemeenteraad onderzoek moeten doen naar de mogelijkheden het ter plaatse gevestigde hoveniersbedrijf als zodanig te bestemmen. Verweerder wijst erop dat het gemeentebestuur naar aanleiding van de zienswijze van de inspecteur voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de VROM-inspectie Zuid) na afloop van de terinzagelegging van het ontwerpplan een nader onderzoek naar agrarische en niet-agrarische bedrijven heeft verricht. Bij dat onderzoek had het hoveniersbedrijf betrokken moeten worden. Verweerder heeft hierbij van belang geacht dat het college van burgemeester en wethouders van Venray bij brief van 12 november 2003 aan de [partij A] hebben bericht niet onwelwillend te staan tegenover een legalisering onder voorwaarden van het hoveniersbedrijf.

Het standpunt van appellant

2.7.1.    Het college van burgemeester en wethouders voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan genoemd plandeel. Volgens appellant heeft hij alles gedaan wat in zijn vermogen lag om de legalisering van de bestaande activiteiten te onderzoeken. Hij stelt dat de exploitanten hebben nagelaten de gevraagde gegevens te verschaffen en dat de gemeenteraad niet voornemens was zonder deze informatie het illegale gebruik als zodanig te bestemmen.

Vaststelling van de feiten

2.7.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.3.    Blijkens de plankaart zijn aan het perceel [locatie 3] te [plaats] de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden -Aln-" en de medebestemming "Burgerwoning" toegekend.

2.7.4.    Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op plankaart 1 aangewezen voor "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden -Aln-" voor de volgende doeleinden:

a. een duurzame agrarische bedrijfsvoering;

b. instandhouding van aanwezige natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke abiotische en archeologische waarden;

c. burgerwoningen, uitsluitend op of nabij die bestemming op de plankaart. Ten aanzien van de doeleinden, de inrichting en het bouwen geldt het bepaalde in artikel 21;

d. extensief recreatief medegebruik;

2.7.5.    Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden binnen het betrokken plandeel op en nabij de medebestemming "Burgerwoning" voor een oppervlak van ten hoogste 750 m² mede bestemd voor:

a. het wonen;

b. aan-huis-gebonden beroepen in het hoofdgebouw, tot maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van 40 m², behoudens vrijstelling op grond van artikel 25;

c. (…).

2.7.6.    Ingevolge artikel 1, onderdeel 1, van de planvoorschriften wordt onder een aan-huis-gebonden beroep verstaan: een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend.

2.7.7.    Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, zijn aan de [locatie 3] te [plaats] het renovatie- en onderhoudsbedrijf De Aanpak B.V. en het hoveniersbedrijf De Groen Aanpak B.V. gevestigd. Op het perceel worden werktuigen en voertuigen gestald. Verder vindt er opslag van onderhoudsmateriaal en kleine producten plaats.

   Het hoofdgebouw, de voormalige boerderij Janslust, is deels bij deze bedrijven in gebruik als kantoor en magazijn. Het overige deel van de boerderij is als woning ingericht voor de [partij A], eigenaren van De Aanpak B.V. en De Groen Aanpak B.V..

   Verder staat een voormalige agrarische bedrijfwoning op het perceel [locatie 3].

2.7.8.    Bij brief van 26 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray aan [partij A1] onder meer bericht dat het ontwerp van het voorliggende plan voorziet in de mogelijkheid het plan te wijzigen ten behoeve van het hergebruik van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen ten behoeve van een hoveniersbedrijf, indien wordt voldaan aan de toepasselijke voorwaarden. Het college heeft [partij A1] in de gelegenheid gesteld een verzoek tot wijziging van het ontwerpplan in te dienen. Bij een zodanig verzoek dienen een inrichtingsschets van de door het hoveniersbedrijf te gebruiken bedrijfsruimten, alsmede foto's van de opstal(len) waarin het hoveniersbedrijf zal zijn gevestigd, gevoegd te worden.

2.7.9.    [partij A] hebben geen verzoek gedaan als bedoeld in de brief van 26 augustus 2003.

   Bij hun zienswijze van 26 september 2003 hebben [partij A] verzocht om toekenning van een bedrijfsbestemming ten behoeve van een hoveniersbedrijf, tuincentrum, installatiebedrijf, bouwbedrijf of opslagbedrijf. De in de brief van het college van burgemeester en wethouders van 26 augustus 2003 gevraagde informatie is niet met de zienswijze meegezonden.

2.7.10.    Uit de stukken blijkt dat de VROM-inspectie Zuid een zienswijze heeft ingediend omdat zij de motivering voor het als zodanig bestemmen van de niet-agrarische bedrijven in het buitengebied onvoldoende achtte. Het college van burgemeester en wethouders heeft blijkens het raadsvoorstel van 21 april 2005 in deze zienswijze aanleiding gezien de bestemmingsregeling van alle in het ontwerpplan opgenomen niet-agrarische bedrijven aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dit heeft geleid tot een aantal aanpassingen van de bebouwingsmatrices en bouwblokken.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.11.    Anders dan verweerder stelt, vallen de bedrijfsactiviteiten van De Aanpak B.V. en De Groen Aanpak B.V. niet onder de strekking van de zienswijze van de VROM-inspectie Zuid, aangezien deze activiteiten in het ontwerpplan niet als zodanig waren bestemd. Gelet hierop, en in aanmerking genomen de omstandigheden van dit geval, in het bijzonder het gegeven dat [partij A] niet de benodigde informatie hebben verschaft op grond waarvan een bedrijfsbestemming zou kunnen worden overwogen, heeft de gemeenteraad in de zienswijze van [partij A] geen aanleiding hoeven te zien de in het ontwerpplan neergelegde bestemmingsregeling voor het perceel [locatie 3] te [plaats] gewijzigd vast te stellen. Hieruit volgt dat verweerder aan zijn standpunt dat deze bestemmingsregeling onzorgvuldig is voorbereid, een ondeugdelijke motivering ten grondslag heeft gelegd.

2.7.12.    Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep van het college van burgemeester en wethouders in zoverre gegrond is, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan de medebestemming "Burgerwoning" ter plaatse van het perceel [locatie 3] te [plaats].

HET PERCEEL [LOCATIE 4]-[LOCATIE 5]

Het standpunt van verweerder

2.8.    Verweerder heeft in de bedenkingen van de [partij D] aanleiding gezien de aanduiding "1BW" binnen het plandeel met de medebestemming "Agrarisch bouwblok -AB-" ter plaatse van het perceel [locatie 4]-[locatie 5] te [plaats] in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft daaraan goedkeuring onthouden. Volgens hem heeft de gemeenteraad zich bij de vaststelling van dit planonderdeel gebaseerd op onjuiste informatie. Verweerder stelt dat het voorste gebouw, de woning [locatie 5], waarschijnlijk nooit in het verleden is gesloopt. Daarnaast acht verweerder het niet onaannemelijk dat het voorste gebouw op min of meer regelmatige wijze bewoond is geweest, zodat hij niet kan uitsluiten dat het gebruik voor woondoeleinden onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan valt.

Het standpunt van appellant

2.8.1.    Het college van burgemeester en wethouders voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan genoemde aanduiding. Appellant betoogt dat het gemeentebestuur nimmer ervan is uitgegaan dat de woning [locatie 5] zou zijn gesloopt. Hij betwist dat het gebruik van dit pand voor woondoeleinden onder het overgangsrecht zou vallen.

Vaststelling van de feiten

2.8.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.3.    Blijkens de plankaart zijn aan het perceel, plaatselijk aangeduid met [locatie 4] en [locatie 5] te [plaats], de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-", de medebestemming "Agrarisch bouwblok -AB-" en de aanduiding "1BW" toegekend.

2.8.4.    Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op plankaart 1 aangewezen voor "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-" voor de volgende doeleinden:

a. een duurzame agrarische bedrijfsvoering;

b. instandhouding van aanwezige cultuurhistorische, visueel-landschappelijke abiotische en/of archeologische waarden;

c. burgerwoningen, uitsluitend op of nabij die bestemming op de plankaart. Ten aanzien van de doeleinden, de inrichting en het bouwen geldt het bepaalde in artikel 21;

d. extensief recreatief medegebruik;

e. het behoud van het aanwezige veldkruis of de veldkapel op de gronden die als zodanig zijn aangewezen.

2.8.5.    Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden, op de detailplankaart aangewezen voor "Agrarisch bouwblok -AB-", bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

   Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn op de gronden toegelaten:

a. bedrijfsgebouwen;

b. het aantal bedrijfswoningen met daarbij behorende bijgebouwen, dat blijkens een aanduiding op de detailplankaart is toegestaan en behoudens vrijstelling op grond van artikel 25;

c. (…).

2.8.6.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, staan op de betrokken gronden twee gebouwen die op dit moment als woning worden gebruikt. Het pand aangeduid als [locatie 4] betreft een tot woning verbouwde schuur. Het pand [locatie 5] betreft een woning in een voormalige boerderij.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.7.    Het geschil betreft het gebruik en de bestemmingsregeling van de gronden met het gebouw dat het dichtst bij de weg ligt en de plaatselijke aanduiding [locatie 5] heeft. Gelet op de nota van zienswijzen en de reactie van het gemeentebestuur op de bij verweerder ingediende bedenkingen is de gemeenteraad er bij zijn besluitvorming van uitgegaan dat het pand [locatie 5] is gesloopt en naderhand weer herbouwd. Gelet op de overige stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling genoegzaam aangetoond dat dit pand nimmer is gesloopt. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de gemeenteraad onjuiste gegevens aan de vaststelling van het plan ten grondslag heeft gelegd. Gelet hierop is het standpunt van verweerder dat de gemeenteraad in het kader van de planherziening als bedoeld in artikel 30 van de WRO dit plandeel gemotiveerd van een passende (mede)bestemming dient te voorzien, niet onredelijk.

2.8.8.    Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanduiding "1BW" binnen het plandeel met de medebestemming "Agrarisch bouwblok -AB-" ter plaatse van het perceel [locatie 5] te [plaats] in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan genoemde aanduiding.

Dit onderdeel van het beroep van het college van burgemeester en wethouders is mitsdien ongegrond.

TBS-KLINIEK DE ROOYSE WISSEL

Het standpunt van verweerder

2.9.    Verweerder heeft in de bedenkingen van de Stichting Forensisch Psychiatrisch Instituut De Rooyse Wissel (hierna: de Rooyse Wissel) aanleiding gezien de zinsnede "geen woningen zijnde" in artikel 16, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften en de zinsnede "dienen gebouwen te worden gerealiseerd binnen de beveiligingszone van de TBS-kliniek" in artikel 16, vierde lid, onder c, ten tweede, van de planvoorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en daaraan goedkeuring onthouden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeenteraad het plan op dit punt onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende gemotiveerd vastgesteld. Hij stelt dat de afwegingen van de gemeenteraad onduidelijk zijn en dat de zienswijzen van de Rooyse Wissel ten onrechte zijn weerlegd onder verwijzing naar de mogelijke bouw van resocialisatiewoningen elders.

Het standpunt van appellanten

2.9.1.    Het college van burgemeester en wethouders voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan genoemde zinsneden uit de planvoorschriften. Appellant bestrijdt de stelling van verweerder dat de bouw van resocialisatiewoningen op het Servatiusterrein in Venray niet meer haalbaar is. Hij betoogt verder dat het plan wel de bouw van verblijfsaccommodatie ten behoeve van patiënten op het terrein van de Rooyse Wissel mogelijk maakt. Voorwaarde is dat het gebruik niet strekt tot zelfstandige huisvesting van huishoudens. Volgens appellant wordt met de resocialisatiewoningen beoogd patiënten van de Rooyse Wissel gelegenheid te bieden onder begeleiding op afstand als zelfstandig gehuisveste huishoudens aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen. Hij stelt zich op het standpunt dat voor de behoefte aan woningen voor dat doeleinde een beroep op de reguliere woningmarkt dient te worden gedaan.

2.9.2.    De Dorpsraad Oostrum voert in beroep eveneens aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan genoemde zinsneden uit de planvoorschriften. Appellante verzet zich ertegen dat de bouw van resocialisatiewoningen buiten de beveiligde zone van de Rooyse Wissel mogelijk wordt gemaakt. Zij voert aan dat de komst van twee van dergelijke woningen met in totaal twaalf resocialisatieplaatsen een te zware belasting van de sociale veiligheid in de kern Oostrum vormt. Volgens appellante heeft verweerder het belang van de inwoners van Oostrum niet bij zijn besluitvorming betrokken.

Vaststelling van de feiten

2.9.3.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.9.4.    Het forensisch psychiatrisch centrum de Rooyse Wissel is gevestigd aan de Wanssumseweg 12a te Venray.

2.9.5.    Blijkens de plankaart zijn aan de betrokken gronden de bestemming "Maatschappelijke doeleinden -M-" en de aanduiding "M3" toegekend.

2.9.6.    Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden op plankaart 1 aangewezen voor "Maatschappelijke doeleinden" overeenkomstig de aanduiding "M3" bestemd voor een TBS-kliniek.

   Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn op de gronden in verband met de bestemming toegelaten:

a. gebouwen, geen woningen zijnde;

b. (…).

   Ingevolge artikel 16, vierde lid, onder c, ten tweede, van de planvoorschriften gelden op de gronden met de aanduiding "M3" voor de bouw van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de bepaling dat gebouwen dienen te worden gerealiseerd binnen de beveiligingszone van de TBS-kliniek.

2.9.7.    Ingevolge artikel 1, onderdeel 24, van de planvoorschriften wordt onder een beveiligingszone TBS-kliniek verstaan het deel van het bestemmingsvlak waar gebouwen in overeenstemming met de bestemming mogen worden opgericht dat omsloten is door een permanent bewaakte terreinafscheiding.

   Ingevolge artikel 1, onderdeel 96, van de planvoorschriften wordt onder een woning verstaan een gebouw of een gedeelte van een gebouw, geschikt en bestemd voor de zelfstandige huisvesting van een huishouden.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.8.    Gelet op de stukken moet ervan worden uitgegaan dat de vestiging van resocialisatiewoningen op het Servatiusterrein te Venray geen reële optie vormt voor de Rooyse Wissel. Daarbij is van belang dat de Rooyse Wissel bij brief van 26 juni 2002 aan het college van burgemeester en wethouders van Venray heeft bericht dat op basis van gewijzigde inzichten de voorkeur uitgaat naar de bouw van resocialisatieplaatsen bij de kliniek zelf in plaats van in de kern Venray. Bovendien heeft de ontwikkelaar van het Servatiusterrein, het Vincent van Gogh Instituut voor Geestelijke Gezondheid, bij brief van 24 februari 2003 aan de Rooyse Wissel meegedeeld dat de huisvesting van TBS-patiënten in het kader van hun resocialisatie niet langer past binnen de zorgvisie voor het Servatiusterrein. Gelet hierop acht de Afdeling het standpunt van verweerder dat de gemeenteraad de bestemmingsregeling voor de Rooyse Wissel dient te heroverwegen, niet onredelijk. In het kader van de heroverweging dienen de actuele behoefte van de Rooyse Wissel aan resocialisatieplaatsen en de door de Dorpsraad Oostrum naar voren gebrachte argumenten te worden betrokken.

2.9.9.    Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zinsnede "geen woningen zijnde" in artikel 16, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften en de zinsnede "dienen gebouwen te worden gerealiseerd binnen de beveiligingszone van de TBS-kliniek" in artikel 16, vierde lid, onder c, ten tweede, van de planvoorschriften in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen het college van burgemeester en wethouders en de Dorpsraad Oostrum hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan genoemde zinsneden.

Dit onderdeel van het beroep van het college van burgemeester en wethouders en het beroep van de Dorpsraad Oostrum zijn mitsdien ongegrond.

[LOCATIE 6] EN [LOCATIE 7]

Het standpunt van verweerder

2.10.    Verweerder heeft in de bedenkingen van [appellante sub 9] aanleiding gezien het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-", de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "B17" ter plaatse van het perceel [LOCATIE 7] te [plaats] in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft daaraan goedkeuring onthouden. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat ten tijde van de vaststelling van het plan geen bedrijfsmatige activiteiten plaatshadden op het betrokken plandeel. Volgens hem ligt het daarom, mede gelet op de uitgangspunten van de gemeenteraad voor de bestemmingsregeling van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied, niet zonder meer voor de hand dat aan de betrokken percelen een bedrijfsbestemming wordt toegekend. Verweerder stelt dat het aan de gemeenteraad is om in het kader van de planherziening als bedoeld in artikel 30 van de WRO te bezien of een bedrijfsbestemming kan worden toegekend. Wanneer dat het geval is, dienen daarbij de omvang van het bestemmingsvlak en het maximaal toegelaten bebouwingsvlak te worden betrokken.

   Verweerder heeft geen aanleiding gezien goedkeuring te onthouden aan het plandeel met uitsluitend de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" en het plandeel met de bestemming "Landschapselement" ter plaatse van genoemd perceel.

   Verweerder heeft de bedenkingen van [appellante sub 9] niet-ontvankelijk verklaard voor zover zij betrekking hebben op de bebouwingsmogelijkheid voor een bedrijfswoning en een uitrit op het perceel. Volgens hem heeft [appellante sub 9] ten aanzien van deze onderwerpen geen zienswijzen ingediend.

Het standpunt van appellante

2.10.1.    [appellante sub 9] kan zich niet verenigen met de motivering die verweerder aan de onthouding van goedkeuring ten grondslag heeft gelegd. Ook stelt zij in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met uitsluitend de bestemming "Agrarisch gebied  -Ag-" en het plandeel met de bestemming "Landschapselement".

   Volgens appellante dient aan het gehele perceel een bedrijfsbestemming te worden toegekend met gebruiksmogelijkheden voor diverse categorieën bedrijven. Zij betoogt verder dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op haar bedenkingen die betrekking hebben op de toegestane bouwhoogten. De bedenkingen over de bedrijfswoning en een uitrit zijn volgens appellante ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Vaststelling van de feiten

2.10.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.10.3.    Blijkens de plankaart zijn aan de gronden van appellante aan de Wanssumseweg te Oostrum deels de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" en deels de bestemming "Landschapselement" toegekend. Een gedeelte van de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" is tevens voorzien van de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" met de aanduidingen "B17" en "0BW".

   Blijkens de plankaart bedraagt de maximale toegestane bebouwingsoppervlakte 100 m². De maximale toegestane goot- en nokhoogten bedragen 3 respectievelijk 4,5 meter.

2.10.4.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op plankaart 1 aangewezen voor "Agrarisch gebied -Ag-" bestemd voor de volgende doeleinden:

a. een duurzame agrarische bedrijfsvoering;

b. instandhouding van aanwezige cultuurhistorische, visueel-landschappelijke abiotische en/of archeologische waarden;

c. het behoud van het aanwezige veldkruis of veldkapel op de gronden die als zodanig zijn aangewezen;

d. burgerwoningen, uitsluitend op of nabij die bestemming op de plankaart. Ten aanzien van de doeleinden, de inrichting en het bouwen geldt het bepaalde in artikel 21;

e. extensief recreatief medegebruik.

2.10.5.    Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op plankaart 1 aangewezen voor "Landschapselement" bestemd voor de instandhouding en het herstel van:

a. de natuurlijke, visueel-landschappelijke, abiotische en/of archeologische waarden;

b. het behoud van het aanwezige veldkruis of veldkapel op de gronden die als zodanig zijn aangewezen;

c. en voor extensief recreatief medegebruik.

2.10.6.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder a, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart 1 voor "Bedrijfsdoeleinden -B-" aangewezen gronden overeenkomstig de aanduiding "B17" bestemd voor de uitoefening van een opslagdepot voor zand en grind.

2.10.7.    Blijkens de plankaart van het voorheen geldende plan "Buitengebied" waren de betrokken gronden deels bestemd als "Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarden (AG-HL)" en deels als "Houtopstanden".

2.10.8.    Op de betrokken gronden staan, voor zover hier van belang, een romneyloods, een kantoor, magazijnen, een werkkeet, een elektriciteitshuisje, een weegbrug en diverse keerwanden.

2.10.9.    Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting, is tussen het begin van de jaren zestig en 2000 een asfaltcentrale in werking geweest.

2.10.10.    Blijkens de toelichting bij het bestemmingsplan heeft de gemeenteraad onder meer de volgende uitgangspunten gehanteerd bij de regeling van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied.

   Nieuwbouw of nieuwvestiging ten behoeve van niet-agrarische bedrijven is in het gehele plangebied uitgesloten. Niet-agrarische bedrijven zijn niet functioneel aan het buitengebied gebonden; deze veroorzaken een onnodige verstening van het buitengebied.

   Net als de agrarische bedrijven hebben de niet-agrarische bedrijven in beginsel een 'bouwvlak op maat' gekregen. Dit houdt in dat de bestemming specifiek wordt toegesneden op de huidige situatie van het desbetreffende bedrijf. Alle positief bestemde niet-agrarische bedrijven hebben in het plan de mogelijkheid gekregen om het bestaande bebouwingsoppervlak uit te breiden met 10 %. Voor een extra uitbreiding met 10 % is voor de niet-agrarische bedrijven in het bestemmingsplan een vrijstellingsbevoegdheid opgenomen. Voordat het gemeentebestuur beslist of deze uitbreiding al dan niet wordt toegestaan, dient met een gekwalificeerd bedrijfsplan te worden aangetoond dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en dat verplaatsing naar een bedrijventerrein financieel niet haalbaar is. Ter plaatse dient de bebouwing landschappelijk inpasbaar te zijn en mag de uitbreiding van bedrijfsactiviteiten geen onevenredige (milieu)hinder voor de omliggende functies en waarden opleveren.

   De activiteiten mogen geen publieksgericht karakter hebben en mogen geen verkeershinder veroorzaken. In geval detailhandel plaatsvindt dient dit als ondergeschikte nevenactiviteit te gebeuren.

   Nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid is beperkt tot vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Via een gebiedszonering gelden specifieke voorwaarden voor hergebruikmogelijkheden. Er zal dan ook zeer zorgvuldig/terughoudend worden omgegaan met hergebruikmogelijkheden.

   Bedrijfswoningen van niet-agrarische bedrijven zijn alleen opgenomen indien zij aanwezig zijn op het moment van inventarisatie. Er worden geen vrijstellingen verleend voor de bouw van een nieuwe dan wel tweede bedrijfswoning bij niet-agrarische bedrijven.

2.10.11.    In haar zienswijze van 19 september 2003 heeft appellante de gemeenteraad verzocht de bestemming van de betrokken gronden te verruimen met functies welke aansluiten op de aard van de locatie. Volgens de zienswijze diende daarbij gedacht te worden aan een algemeen bedrijfsmatige invulling met milieucategorieën welke aansluiten op het gebruik in het verleden.

Het oordeel van de Afdeling

2.10.12.    Ten aanzien van de bedenkingen over de woning en de uitrit op de betrokken gronden wordt het volgende overwogen.

   De WRO voorziet er niet in dat bij een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, de ingebrachte bedenkingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarom kan verweerder, in het geval dat aan artikel 27 geen recht tot het inbrengen van bedenkingen kan worden ontleend, de desbetreffende bedenkingen slechts buiten beschouwing laten. De Afdeling zal de niet-ontvankelijkverklaring door verweerder van genoemde bedenkingen opvatten alsof hij deze buiten beschouwing heeft gelaten.

   Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht.

   Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig een zienswijze in te brengen.

   Uit de zienswijze van appellante blijkt dat zij in algemene zin de bedrijfsmatige gebruiksmogelijkheden voor haar gronden aan de Wanssumseweg te Oostrum aan de orde heeft gesteld. De Afdeling is van oordeel dat uit deze zienswijze niet kan worden afgeleid dat appellante zich er niet mee kan verenigen dat de ter plaatse aanwezige woonbebouwing alsmede één van de twee uitritten op deze gronden niet als zodanig zijn bestemd. Voor het oordeel dat appellante redelijkerwijs niet in staat is geweest zich met op deze planonderdelen gerichte zienswijze tot de gemeenteraad te wenden, bestaat geen aanleiding. Voorts waren de bij verweerder ingebrachte bedenkingen niet gericht tegen wijzigingen die bij de vaststelling van het plan zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerp.    Aangezien de beroepsonderdelen inzake de uitrit en de woonbebouwing geen betrekking hebben op de onthouding van goedkeuring aan enig plandeel, kan appellante in verband met het voorgaande aan de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO geen recht tot het instellen van beroep ontlenen zodat haar beroep, voor zover dat betrekking heeft op de uitrit en de woonbebouwing, niet-ontvankelijk is.

2.10.13.    Ten aanzien van de door appellante gewenste gebruiksmogelijkheden voor haar gronden aan de Wanssumseweg overweegt de Afdeling het volgende.

   Voor zover verweerder goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-", de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "B17" ter plaatse van het perceel [locatie 7] te [plaats], waartegen de inhoudelijke bezwaren van appellante mede zijn gericht, is in zoverre aan haar bezwaren tegemoet gekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan. De Afdeling vat het beroep van appellante daarom aldus op dat zij zich er tegen verzet dat aan de onthouding van goedkeuring de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd.

   Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, heeft verweerder in redelijkheid kunnen stellen dat de toekenning van een bedrijfsbestemming aan een deel van de gronden van appellante in strijd is met de uitgangspunten die de gemeenteraad aan de bestemmingsregeling van niet-agrarische bedrijven in het plangebied ten grondslag heeft gelegd. Gelet hierop is het standpunt van verweerder dat de gemeenteraad in het kader van de planherziening als bedoeld in artikel 30 van de WRO dit plandeel gemotiveerd van een passende (mede)bestemming dient te voorzien, niet onredelijk.

2.10.14.        Uit het voorgaande volgt dat verweerder aan de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-", de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "B17" ter plaatse van het perceel [locatie 7] te [plaats] geen ondeugdelijke motivering ten grondslag heeft gelegd. In hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan genoemd plandeel.

Gelet op het vorenoverwogene treft hetgeen [appellante sub 9] tegen de goedkeuring van het plandeel met uitsluitend de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" en het plandeel met de bestemming "Landschapselement" ter plaatse van genoemd perceel heeft aangevoerd, geen doel.

Het enkele feit dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan, blijkens het onder 2.4.6. overwogene voor vernietiging in aanmerking komt, brengt niet met zich dat het beroep van [appellante sub 9] om die reden gegrond wordt verklaard.

Het beroep van [appellante sub 9] is in zoverre ongegrond.

[LOCATIE 8]

Het standpunt van appellant

2.11.    [appellant sub 4] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" gedeeltelijk met de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" en de aanduidingen "B36", "1BW" en "440 m2" voor het perceel [locatie 8]. Evenmin kan appellant zich verenigen met de goedkeuring van artikel 23, tweede lid, onder g, alsmede artikel 24, zestiende lid, van de planvoorschriften, voor zover deze betrekking hebben op genoemd perceel.

Appellant betoogt dat het plan onvoldoende ontwikkelingsmogelijkheden voor zijn bedrijf biedt en de continuïteit van zijn bedrijf in gevaar brengt.

Hij stelt dat het plan gezien de omvang van het toegekende bouwvlak geen uitbreiding van het bedrijf met 10% mogelijk maakt. Bovendien voorziet het plan voor een aantal andere bedrijven in een grotere uitbreidingsmogelijkheid dan 10%. Voorts sluit het bestemmingsplan niet aan bij de mogelijkheden die het streekplan biedt wat betreft ontwikkelingsmogelijkheden voor vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing, aldus appellant.

Verder betoogt hij dat het plan te geringe uitbreidingsmogelijkheden voor het verkoopvloeroppervlak biedt.

Voorts staat, nu binnen zijn bedrijf sprake is van detailhandel, artikel 24, zestiende lid, van de planvoorschriften ten onrechte in de weg aan omschakeling naar een ander bedrijfstype, aldus appellant.

Tevens ontbreken volgens hem binnen het bouwvlak feitelijke mogelijkheden voor uitbreiding van zijn bedrijfswoning, onder meer vanwege de ligging van de woning aan de weg en de staat van het fundament van de woning.

Het standpunt van verweerder

2.11.1.    Verweerder heeft genoemd plandeel en planvoorschriften niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft daaraan goedkeuring verleend.

Verweerder wijst erop dat het bouwblok niet is beperkt tot de bestaande bebouwing en dat bij de toekenning van het bouwvlak rekening is gehouden met een uitbreiding van 10% van de bestaande bedrijfsbebouwing.

Dat in andere gevallen wellicht een grotere uitbreidingsmogelijkheid wordt geboden dan 10% levert volgens verweerder geen strijd met het gelijkheidsbeginsel op, nu de door appellant genoemde gevallen geen gelijke gevallen betreffen en bovendien een maximum is gesteld aan de te bebouwen oppervlakte.

Voorts acht hij de beperking van het verkoopvloeroppervlak niet onredelijk aangezien detailhandel een extra belasting van het buitengebied met zich brengt.

Verder staat artikel 24, zestiende lid, van de planvoorschriften volgens verweerder niet in de weg aan omschakeling van het bedrijf van appellant.

Ook ten aanzien van de bedrijfswoning kan verweerder zich met het plan verenigen.

De vaststelling van de feiten

2.11.2.    De Afdeling gaat uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.3.    Appellant exploiteert aan de [locatie 8] een detailhandelsbedrijf in diepvriesproducten. Tevens verhuurt hij party-artikelen. Het bedrijf van appellant is gevestigd in een voormalige champignonkwekerij.

2.11.4.    De gronden van appellant aan de [locatie 8] hebben de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" gedeeltelijk met de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B- " en de aanduidingen "B36" en "1BW".

Volgens de plankaart bedraagt de maximale toegestane bebouwingsoppervlakte 440 m².

2.11.5.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften geldt daar waar een bestemming, aangegeven op plankaart 1, samenvalt met een medebestemming, primair het bepaalde ten aanzien van de medebestemming. De bepalingen met betrekking tot de bestemming zijn in dat geval uitsluitend van toepassing voor zover deze niet strijdig zijn met het bepaalde ten aanzien van de medebestemming.

2.11.6.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de gronden op plankaart 1 aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden -B-" overeenkomstig de aanduiding "B36" bestemd voor een diepvrieswinkel annex partyverhuur.

   Ingevolge artikel 23, tweede lid, onder g, van de planvoorschriften bedraagt het bedrijfsvloeroppervlak voor detailhandel op gronden met de aanduiding "B36" maximaal 90 m2.

   Ingevolge artikel 23, derde lid, onder a, van de planvoorschriften gelden voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de aanwijzingen op de plankaart alsmede dat deze uitsluitend mogen worden gebouwd binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak, zulks met uitzondering van terreinafscheidingen.

   Ingevolge artikel 23, derde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, het op de plankaart aangegeven bebouwingsoppervlak, met dien verstande dat het maximale bebouwingsoppervlak niet van toepassing is op de bedrijfswoning(en).

   Ingevolge artikel 23, derde lid, onder i, van de planvoorschriften mag de inhoud van een bedrijfswoning 770 m3 bedragen.

2.11.7.    Volgens de in artikel 24, veertiende lid, onder a, van de planvoorschriften neergelegde beschrijving in hoofdlijnen, voor zover hier van belang, zijn niet-agrarische bedrijven niet in functioneel opzicht aan het buitengebied gebonden.

   Volgens artikel 24, veertiende lid, onder b, van de planvoorschriften is het beleid ten aanzien van bestaande niet-agrarische bedrijven in het algemeen gericht op verplaatsing naar een bedrijventerrein.

   Ingevolge artikel 24, veertiende lid, onder c, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen ten behoeve van een grotere uitbreiding dan het rechtstreeks toegestane, onder meer onder de voorwaarde dat de vergroting maximaal 10 procent van het op de plankaart aangegeven maximale bebouwingsoppervlak bedraagt.

   Ingevolge artikel 24, zestiende lid, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen ten behoeve van de wijziging van het bestaande bedrijfstype, mits:

1. de milieubelasting van het nieuw te vestigen bedrijf naar aard en omvang lager is, dan wel gelijk is aan die van het bestaande bedrijf;

2. geen uitbreiding plaatsvindt van de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte;

3. er geen sprake is van detailhandelsactiviteiten;

4. de verkeersaantrekkende werking niet toeneemt.

2.11.8.    Ingevolge artikel 32, vierde lid, mag het gebruik van gronden anders dan voor bebouwing, alsmede het gebruik van zich op die gronden bevindende bouwwerken, dat in strijd is met het in artikel 26 bepaalde en dat reeds plaatsvond vóór de datum, waarop het plan in werking is getreden worden voortgezet.

   Ingevolge artikel 32, vijfde lid, van de planvoorschriften, is het bepaalde in lid 4 niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen, tot die datum geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van het plan, waartegen wordt of alsnog kan worden opgetreden.

2.11.9.    Volgens de plantoelichting hebben de niet-agrarische bedrijven in beginsel een 'bouwvlak op maat' gekregen. Dit houdt in dat de bestemming specifiek wordt toegesneden op de huidige situatie van het betreffende bedrijf. Alle positief bestemde niet-agrarische bedrijven hebben in het plan de mogelijkheid gekregen om het bestaande bebouwingsoppervlak uit te breiden met 10 %.

Tevens mogen de activiteiten van een niet-agrarisch bedrijf geen publieksgericht karakter hebben en geen verkeershinder veroorzaken. In geval detailhandel plaatsvindt dient dit als een ondergeschikte nevenactiviteit te gebeuren.

2.11.10.    Volgens de stukken heeft de gemeenteraad voor de omvang van het bestemmingsvlak "Bedrijfsdoeleinden -B-" als uitgangspunt genomen de reeds bestaande bouwrechten. Aan de hand waarvan een uitbreidingsmogelijkheid van 10% is bepaald.

Volgens de stukken is voor het bedrijf van appellante uitgegaan van een bebouwde oppervlakte van 400 m2.

2.11.11.    In 1998 heeft appellant een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend voor uitbreiding van de bedrijfsruimte van het diepvrieshuis met ongeveer 155 m2. De gemeenteraad heeft deze vergunning geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Bij uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 juni 1999 is het beroep van appellant gericht tegen de weigering van de vergunning ongegrond verklaard.

Volgens het deskundigenbericht bedraagt de oppervlakte van het bestaande bedrijfsgebouw, inclusief de inmiddels gerealiseerde uitbreiding ten behoeve van de opslag van party-artikelen, ongeveer 475 m2.

Volgens de stukken bedraagt de verkoopvloeroppervlakte thans 80 m2. De huidige winkelruimte is gevestigd in een van de voormalige champignonkweekcellen. Voor uitbreiding van het verkoopvloeroppervlak tot 90 m2 is het doorbreken van een scheidingsmuur met een andere kweekcel noodzakelijk, hetgeen volgens de stukken aanmerkelijke kosten met zich zal brengen.

   De huidige bedrijfswoning heeft een inhoud van 420 m3. Ten westen van de woning ligt binnen het bestemmingsvlak een onbebouwde strook grond met een breedte van 4 meter. Ten noorden van de woning ligt binnen het bestemmingsvlak een onbebouwde strook grond met een lengte van 30 meter en een breedte van circa 10 meter. De zuidelijke grens van het bestemmingsvlak ligt circa 7 meter van de voorgevel van de woning.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.12.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting moet artikel 24, zestiende lid, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften aldus worden verstaan dat dit artikelonderdeel betrekking heeft op het nieuw te vestigen bedrijf. Genoemd voorschriftonderdeel staat dan ook in beginsel niet in de weg aan de verlening van een vrijstelling ten behoeve van een wijziging van het bestaande bedrijfstype van appellant naar een ander bedrijfstype, mits in het kader van dit nieuwe bedrijf geen sprake zal zijn van detailhandelsactiviteiten. Het beroep mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag.

Ook overigens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het plan wat betreft omschakeling naar andere bedrijfstypes te beperkend is.

Gelet op het vorenoverwogene treft hetgeen [appellant sub 4] tegen de goedkeuring van artikel 24, zestiende lid, van de planvoorschriften heeft aangevoerd, geen doel.

Het enkele feit dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan, blijkens het onder 2.4.6. overwogene voor vernietiging in aanmerking komt, brengt niet met zich dat het beroep van [appellant sub 4] om die reden in zoverre gegrond wordt verklaard.

Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre ongegrond.

2.11.13.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting ging verweerder er bij het nemen van het bestreden vanuit dat het plan voor het bedrijf van appellant voorziet in een uitbreiding van het bouwvlak van 10% van de bestaande bedrijfsbebouwing. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting werd eerst na het uitbrengen van het deskundigenbericht duidelijk dat ter plaatse meer bebouwing aanwezig is dan waarvan in het plan werd uitgegaan. Gelet op het overwogene onder 2.11.11. heeft verweerder bij het nemen van het bestreden besluit dan ook miskend dat het plan niet voorziet in een uitbreidingsmogelijkheid van 10% ten opzichte van de bestaande bebouwing en dat ook het gebruik van de reeds aanwezige bebouwing niet geheel als zodanig is bestemd. Dit laatste klemt te meer nu ter zitting is gebleken dat de zaak eerst naar aanleiding van het deskundigenbericht in onderzoek is bij de gemeente. Derhalve bestond ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen duidelijkheid omtrent het antwoord op de vraag of tegen het bestaande gebruik voor zover dat niet als zodanig in het bestemmingsplan was bestemd, mede in aanmerking genomen het overgangsrecht, handhavend kon worden opgetreden. Derhalve bestond geen zekerheid dat het gebruik ook daadwerkelijk zou worden beëindigd.

Wat betreft het verkoopvloeroppervlak heeft verweerder in het algemeen overwogen dat hij een beperking van het verkoopvloeroppervlak in het buitengebied niet onredelijk acht, aangezien detailhandel een extra belasting met zich brengt. Evenwel blijkt uit de stukken niet of, dan wel in hoeverre verweerder in zijn afweging heeft betrokken dat voor een uitbreiding van het verkoopvloeroppervlak in de onderhavige situatie een celwand van de voormalige champignonkwekerij dient te worden doorbroken, hetgeen aanzienlijke kosten met zich brengt, zodat een uitbreiding van 10 m2 voor  appellant vermoedelijk niet rendabel is. Derhalve geeft het bestreden besluit geen blijk van een op de situatie ter plaatse toegesneden belangenafweging.

Wat betreft de bedrijfswoning blijkt uit het bestreden besluit evenmin van een op de situatie ter plaatse toegesneden belangenafweging, aangezien onduidelijk is of en in hoeverre verweerder de feitelijke mogelijkheden tot uitbreiding van de bedrijfswoning heeft betrokken.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover verweerder daarbij goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-" gedeeltelijk met de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B- " en met de aanduidingen "B36", "1BW" en "440 m2" voor het perceel [locatie 8], alsmede aan artikel 23, tweede lid, onder g, van de planvoorschriften, voor zover dat betrekking heeft op genoemd perceel, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd. In aanvulling op het overwogene in 2.4.6. dient derhalve ook vorenstaande reden aan de vernietiging van de goedkeuring van evengenoemd plandeel ten grondslag te worden gelegd.

PERCEEL [LOCATIE 9]

Het standpunt van appellant

2.12.    [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-", met de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" en de nadere aanduidingen "B22" en "1BW, één bedrijfswoning toegestaan" voor zover dat niet voorziet in de mogelijkheid een tweede bedrijfswoning op zijn perceel aan de [locatie 9] te realiseren.

Appellanten voeren hiertoe aan dat een tweede bedrijfswoning, anders dan verweerder stelt, niet in strijd is met provinciaal beleid. Zij wijzen er in dat kader op dat er geen duidelijk en specifiek beleid is voor tweede bedrijfswoningen behorende bij niet-agrarische bedrijven in het buitengebied.

Ook wanneer dergelijk beleid wel zou bestaan zijn uitzonderingen op dit beleid mogelijk. Gezien de aard van het bedrijf van appellanten heeft verweerder ten onrechte niet onderzocht of van een dergelijke uitzonderingssituatie sprake is.

Bovendien zijn appellanten van mening dat de tweede bedrijfswoning planologisch goed inpasbaar is tussen de woning [locatie 9] en de woningen aan de Van Berlostraat, die in het kader van de Ruimte-voor-Ruimte-regeling zullen worden gebouwd.

Het standpunt van verweerder

2.12.1.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft hieraan goedkeuring verleend.

Hij stelt zich op het standpunt dat het provinciale beleid zeer terughoudend is met het toestaan van tweede bedrijfswoningen in het buitengebied.

Verweerder is van mening dat de gemeenteraad dit provinciale beleid op juiste wijze heeft vertaald in het plan.

De vaststelling van de feiten

2.12.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.12.3.    Het provinciale beleid, zoals verwoord in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg en de "Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling Limburg, Ordening en ontwikkeling in balans" van oktober 2005, is gericht op beheersing en waar mogelijk terugdringing van de verstening van het landelijk gebied met het oog op de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

2.12.4.    Blijkens de toelichting bij het bestemmingsplan heeft de gemeenteraad bij de regeling van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied onder meer als uitgangspunt gehanteerd dat bedrijfswoningen van niet-agrarische bedrijven alleen zijn opgenomen indien zij aanwezig zijn op het moment van inventarisatie. Er worden geen vrijstellingen verleend voor de bouw van een nieuwe dan wel tweede bedrijfswoning bij niet-agrarische bedrijven.

2.12.5.    Het perceel [locatie 9] heeft de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-", met de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" en de nadere aanduidingen "B22" en "1BW, één bedrijfswoning toegestaan".

   Ingevolge artikel 23, eerste lid, onder a, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart 1 voor "Bedrijfsdoeleinden -B-" aangewezen gronden overeenkomstig de aanduiding "B22" bestemd voor de uitoefening van een autobergingsbedrijf.

   Ingevolge artikel 23, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften zijn op de gronden in verband met de bestemming toegelaten het aantal bedrijfswoningen met daarbij behorende bijgebouwen, dat blijkens een aanduiding op de plankaart is toegestaan.

2.12.6.    [appellant sub 10A] oefent samen met zijn zoon op het perceel aan de [locatie 9] een takel- en bergingsbedrijf uit. Op het perceel is reeds een bedrijfswoning aanwezig, waarin vader en zoon thans wonen. Appellanten wensen een afzonderlijke, tweede, bedrijfswoning voor de zoon.

Het bedrijf van appellanten verricht spoedeisende bergingswerkzaamheden van voertuigen die hoofdwegen in de regio van het bedrijf blokkeren.

Het bedrijf heeft een overeenkomst gesloten met de Stichting Incident Management Nederland met betrekking tot twee rayons. Daarnaast heeft het bedrijf nog met een aantal andere organisaties bergingsovereenkomsten gesloten, welke allemaal op de overeenkomst met de Stichting Incident Management Nederland zijn gebaseerd. Om een rayon toebedeeld te krijgen moeten de gecontracteerde bedrijven aan een aantal kwaliteitseisen voldoen. Eén van deze kwaliteitseisen betreft het onderhouden van een 24-uursdienst. Tevens zijn in de overeenkomst ook voorwaarden opgenomen met betrekking tot de aanrijdtijden.

2.12.7.    Het deskundigenbericht vermeldt dat de aanrijdtijden naar de grenzen van de rayons korter zijn dan de in de bergingsovereenkomsten genoemde maximale aanrijdtijden.

Volgens het deskundigenbericht is een tweede bedrijfswoning bij het bergingsbedrijf van appellant niet noodzakelijk, nu [appellant sub 10A] zelf in de reeds bestaande bedrijfswoning op het perceel blijft wonen. Bovendien is het volgens het deskundigenbericht mogelijk om een ruimte in het bedrijf in te richten voor avond- en nachtdiensten en kan eventueel worden voorzien in een slaapplaats.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.8.    De Afdeling stelt vast dat het plan op het perceel [locatie 9] één bedrijfswoning toelaat.

Uit het provinciale ruimtelijke beleid, zoals vermeld in overweging 2.12.3., vloeit voort dat de vestiging van een tweede bedrijfswoning voor niet-agrarische bedrijven in het buitengebied in beginsel is uitgesloten teneinde verdere verstening van deze gebieden te voorkomen.

Dit beleid acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk.

Het beroep van appellanten geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden. In dat verband is van belang dat de Afdeling geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de conclusie uit het deskundigenbericht dat een tweede bedrijfswoning niet noodzakelijk is voor het functioneren van het bergingsbedrijf. Daarbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 10A] woonachtig blijft in de bedrijfswoning, welke op korte afstand van het bergingsbedrijf staat, zodat de aanrijdtijden in zoverre niet behoeven te wijzigen. Tevens staat de feitelijke situatie volgens het deskundigenbericht niet in de weg aan het realiseren van een slaapruimte binnen het bedrijf ten behoeve van avond- en nachtdiensten.

   Gelet op het vorenstaande treft hetgeen [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B] tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-", met de medebestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" en de nadere aanduidingen "B22" en "1BW, één bedrijfswoning toegestaan" heeft aangevoerd, geen doel.

Het enkele feit dat het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plan, blijkens het onder 2.4.6. overwogene voor vernietiging in aanmerking komt, brengt niet met zich dat het beroep van [appellant sub 10A] om die reden gegrond wordt verklaard.

Het beroep van [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B] is ongegrond.

HENGELSPORTVERENIGING HET ALVERTJE    

Het standpunt van appellant

2.13.    Hengelsportvereniging "Het Alvertje" stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de in artikel 24, elfde lid, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid, alsmede aan het planonderdeel dat op plankaart 2 "Ontwikkelingen" de aanduiding "Vergroting visvijver" heeft.

Zij voert hiertoe aan dat verweerder er ten onrechte in het bestreden besluit vanuit gaat dat de visvijver kan worden aangemerkt als een object van dagrecreatie (stankgevoelig object categorie II) en hij eveneens ten onrechte stelt dat derhalve sprake is van een omgevingscategorie II. Appellante is van mening dat wanneer van de juiste object-categorie wordt uitgegaan het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft niet grotendeels binnen de hindercirkel van de veehouderij van [partij E] ligt.

Verder acht appellante de wijzigingsbevoegdheid voldoende objectief begrensd.

Het standpunt van verweerder

2.13.1.    Verweerder heeft in het bestreden besluit goedkeuring onthouden aan artikel 24, elfde lid, van de planvoorschriften, alsmede aan het planonderdeel dat op plankaart 2 "Ontwikkelingen" de aanduiding "Vergroting visvijver" heeft.

Hij voert hiertoe aan dat, nu de visvijver een categorie II-object betreft, en derhalve sprake is van een categorie II-omgeving, het grootste deel van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft, binnen de stankcirkel ligt van het agrarische bedrijf van [partij E]. Verweerder is dan ook van mening dat de wijzigingsbevoegdheid geen realiteitswaarde heeft.

Voorts stelt verweerder dat de wijzigingsbevoegdheid ten aanzien van de wijziging van de bestemming naar de bestemmingen "Natuurgebied -Na-" dan wel "Bosgebied -B-" onvoldoende objectief is begrensd.

In het verweerschrift heeft verweerder gesteld dat hij in het bestreden besluit van een onjuiste object- en omgevingscategorie en derhalve van een te grote stankcirkel is uitgegaan. Hij stelt zich dan ook, anders dan in het bestreden besluit, op het standpunt dat het gebied waarop de in artikel 24, elfde lid, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft, grotendeels buiten de hindercirkel van het bedrijf van [partij E] ligt. Hij kan zich niettemin verenigen met zijn besluit dat strekt tot onthouding van goedkeuring op dit punt, aangezien hij de wijzigingsbevoegdheid onvoldoende objectief begrensd acht. Hij voert hiertoe aan dat de aan deze wijzigingsbevoegdheid verbonden voorwaarden uitsluitend betrekking hebben op wijziging ten behoeve van de bestemming "Dagrecreatieve doeleinden -DR1-".

De vaststelling van de feiten

2.13.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.13.3.    De gronden waarop de Hengelsportvereniging de nieuwe visvijver wenst te realiseren hebben de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden -Aln-".

Op plankaart 2 "Ontwikkelingen" heeft het gebied de aanduiding "vergroting visvijver".

2.13.4.    In artikel 24, elfde lid, van de planvoorschriften is bepaald dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden -Aln-" te wijzigen in de bestemming "Dagrecreatieve doeleinden" of "Natuurgebied" / "Bosgebied" ten behoeve van de op plankaart 2 aangeduide vergroting van de visvijver (aangeduid met DR1) aan de Wanssumseweg, onder de volgende voorwaarden:

(1) uit een inrichtingsplan en bodemkundig/hydrologisch onderzoek blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn voor de aangrenzende waarden en functies;

(2) met de uitbreiding wordt een versterking van de ecologische structuur tot stand gebracht;

(3) de bestaande functies, zoals omliggende agrarische bedrijven mogen niet onevenredig worden belemmerd;

(4) de visvijver wordt op zorgvuldige wijze ingepast in het landschap zoals blijkt uit het inrichtingsplan.

Het oordeel van de Afdeling

2.13.5.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder gesteld dat hij in het bestreden besluit is uitgegaan van een onjuiste object- en omgevingscategorie. Ter zitting heeft verweerder eveneens anders dan in het bestreden besluit betoogd dat de in artikel 24, elfde lid, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid wel degelijk realiteitswaarde heeft. Nu verweerder zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.13.6.    De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

De Afdeling kan verweerder niet volgen in zijn stelling dat de aan de wijzigingsbevoegdheid verbonden voorwaarden specifiek zijn toegesneden op de uitbreiding van de visvijver via de wijziging in de bestemming "Dagrecreatieve doeleinden -DR-" en de voorwaarden onvoldoende objectief, dan wel niet relevant zijn indien de visvijver wordt vergroot door middel van wijziging in de bestemming "Bosgebied -B-", dan wel "Natuurgebied -Na-".

De Afdeling stelt vast dat de in artikel 24, elfde lid, onder (1) tot en met (4) genoemde voorwaarden betrekking hebben op de wijziging van de bestemming ten behoeve van de vergroting van een visvijver. Daarbij is naar het oordeel van de Afdeling niet van belang of vergroting van de visvijver geschiedt door een wijziging van de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke of natuurlijke waarden -Aln-" in de bestemming "Bosgebied -B-"/ "Natuurgebied -Na-" dan wel in de bestemming "Dagrecreatieve doeleinden -DR-". Derhalve acht de Afdeling de wijzigingsbevoegdheid voldoende objectief begrensd.

Omdat verweerder in zoverre niet het ontbreken van een objectieve begrenzing in redelijkheid aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen en het bestreden besluit in zoverre, gelet op het overwogene in 2.13.5. niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, is het beroep van de Hengelsportvereniging "Het Alvertje" gegrond. Derhalve dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 11 van de WRO te worden vernietigd, voor zover verweerder daarbij goedkeuring heeft onthouden aan de in artikel 24, elfde lid, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid alsmede aan het planonderdeel dat op plankaart 2 "Ontwikkelingen" de aanduiding "Vergroting visvijver" heeft.

PERCEEL [LOCATIE 10]

Het standpunt van verweerder

2.14.    Verweerder heeft ambtshalve goedkeuring onthouden aan de medebestemming "Agrarisch bouwblok -AB-" voor het perceel aan de [locatie 10].

Hij heeft daartoe overwogen dat het plan een substantiële uitbreiding mogelijk maakt, aangezien het bouwblok voor meer dan de helft onbebouwd is en er geen sprake is van concrete uitbreidingsplannen, dan wel van dierenwelzijnseisen die dit rechtvaardigen.

In het verweerschrift stelt verweerder dat gelet op de door het gemeentebestuur verleende vergunningen, waaruit wel degelijk blijkt van concrete plannen, een ander besluit in de rede had gelegen.

Het standpunt van appellant

2.14.1.    [appellant sub 3] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan genoemd planonderdeel.

Hij voert hiertoe aan dat hij concrete uitbreidingsplannen heeft en dat hiervoor ook reeds milieu- en bouwvergunningen zijn verleend.

Appellant stelt dat hij de resterende ruimte die het bouwblok biedt nodig heeft voor de uitbreiding van zijn bedrijf ter voldoening aan dierenwelzijnseisen.

De vaststelling van de feiten

2.14.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.14.3.    Appellant exploiteert een fok- en vleesvarkenshouderij annex bloembollenteeltbedrijf en akkerbouwbedrijf op het perceel [locatie 10].

Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden -Aln-", met de medebestemming "Agrarisch bouwblok -AB-" met de nadere aanduiding "1BW".

2.14.4.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften geldt daar waar een bestemming, aangegeven op plankaart 1, samenvalt met een medebestemming, primair het bepaalde ten aanzien van de medebestemming. De bepalingen met betrekking tot de bestemming zijn in dat geval uitsluitend van toepassing voor zover deze niet strijdig zijn met het bepaalde ten aanzien van de medebestemming.

   Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de detailplankaart aangewezen voor "Agrarisch bouwblok -AB-"

onder andere bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, behoudens vrijstelling op grond van artikel 25.    

2.14.5.    Blijkens de stukken heeft verweerder in het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit aan de gemeenteraad verzocht om een nadere motivering van de uitbreidingsmogelijkheid die het plan voor het bedrijf van appellant biedt.

De gemeenteraad heeft echter geen nadere motivering gegeven, naar aanleiding waarvan verweerder goedkeuring aan de medebestemming "Agrarisch bouwblok -AB-" heeft onthouden.

2.14.6.    Blijkens de stukken is de machineberging van het bedrijf van appellant onlangs uitgebreid. Tevens is appellant voornemens een nieuwe vleesvarkenstal te bouwen en de kraamstal uit te breiden.

Voor deze uitbreiding en nieuwbouw is reeds op 28 maart 2003 een milieuvergunning verleend. Op 23 december 2003 is voor genoemde bouwplannen een bouwvergunning verleend.

Tevens is een procedure op grond van artikel 19 WRO opgestart voor het bouwen van een bollenloods.

Gelet op de toekomstige wet- en regelgeving inzake eisen met betrekking tot dierenwelzijn wil appellant naast het verbouwen van de bestaande varkenstallen een nieuwe varkensstal bouwen, welke is geprojecteerd ten noorden van de bedrijfswoning.

Het oordeel van de Afdeling

2.14.7.     Uit hetgeen verweerder heeft overwogen in zijn verweerschrift volgt, en de Afdeling ziet geen aanleiding voor een andersluidend oordeel, dat de planregeling ten aanzien van de medebestemming "Agrarisch bouwblok -AB-" voor het perceel aan de [locatie 10] niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Door niettemin om genoemde reden in zoverre goedkeuring aan het plan te onthouden, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

PERCEEL [LOCATIE 11]

Het standpunt van appellante

2.15.    [appellante sub 11] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel [locatie 11] en het perceel gelegen achter het perceel [locatie 12] en [locatie 13].

Zij voert hiertoe aan dat het bouwvlak op laatstgenoemd perceel ten onrechte niet bij de vaststelling van het plan is vergroot ten opzichte van het ontwerp-plan. Volgens appellante is dit in strijd met hetgeen de gemeenteraad in reactie op haar zienswijze had toegezegd.

Voorts wenst appellante dat het bouwblok op het perceel [locatie 11] wordt verkleind ten gunste van een vergroting van het bouwblok dat achter het perceel [locatie 12] en [locatie 13] ligt.

Op deze wijze worden de bouwblokken zoveel mogelijk geconcentreerd, hetgeen vanuit planologisch oogpunt wenselijk is, bijdraagt aan een betere interne routing en tevens de kans op ziekten en infecties verkleint.

Verder wenst appellante een aanzienlijke uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden op haar perceel. Zij wijst erop dat deze uitbreidingsmogelijkheden noodzakelijk zijn in verband met de wet- en regelgeving inzake dierenwelzijn.

Het standpunt van de gemeenteraad

2.15.1.    De gemeenteraad heeft het niet wenselijk geacht het bouwblok op de [locatie 11] te verkleinen gelet op de reeds aanwezige bebouwing. Bovendien past de door appellante gewenste aanpassing niet in het streven naar compacte en rechtlijnige bouwvlakken.

Het standpunt van verweerder

2.15.2.    Verweerder heeft bij het bestreden besluit goedkeuring verleend aan genoemde plandelen.

Hij heeft ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad tot toepassing van het bouwblok op maat-principe. Tevens kan verweerder zich verenigen met de afwijzing van het verzoek met betrekking tot het verkleinen van het bouwblok aan de [locatie 11] ten behoeve van vergroting van het bouwblok achter de percelen [locatie 12] en [locatie 13].

De vaststelling van de feiten

2.15.3.    De Afdeling gaat uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.15.4.    Appellante exploiteert een pluimveebedrijf. Het bouwblok van het pluimveebedrijf bestaat uit twee gekoppelde delen. Eén deel bevindt zich op het perceel [locatie 11]. Binnen dit deel van het bouwblok bevinden zich de bedrijfswoning en drie oude kippenstallen. Het andere deel is gelegen achter de percelen [locatie 12] en [locatie 13].

De percelen [locatie 11] en het perceel achter de [locatie 12] en [locatie 13] hebben de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-", gedeeltelijk met de medebestemming "Agrarisch bouwblok -AB-" en de aanduiding "1BW". De twee percelen zijn middels een pijl "één bouwvlak vormend" met elkaar verbonden.

Ten opzichte van het voorontwerp-plan is in het ontwerpplan het bouwvlak achter de percelen [locatie 12] en [locatie 13] verkleind.

Naar aanleiding van de zienswijze van appellante is dit bouwvlak in het vastgestelde plan aan de achterzijde vergroot, zodat de omvang en ligging van het bouwblok in het vastgestelde plan overeenkomen met de ligging van het bouwblok in het voorontwerp-plan.

Het plan biedt ten zuidwesten van de bestaande bebouwing op het perceel ten zuiden van de [locatie 12] en [locatie 13] nog uitbreidingsmogelijkheden.

Het oordeel van de Afdeling

2.15.5.    Voor zover appellante stelt dat het bouwblok ten zuiden van de percelen [locatie 12] en [locatie 13] in strijd met de gemeentelijke reactie op de zienswijzen in het vastgestelde plan niet is vergroot ten opzichte van het ontwerpplan, mist het beroep gezien het onder 2.15.4. overwogene in zoverre feitelijke grondslag.

2.15.6.    Gezien het overwogene onder 2.15.4. biedt het plan op het perceel achter de percelen [locatie 12] en [locatie 13], ten zuidwesten van de bestaande bebouwing nog uitbreidingsmogelijkheden. Appellante heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat zij door de omvang van deze uitbreidingsmogelijkheden onredelijk in haar bedrijfsvoering dan wel haar bedrijfsontwikkeling wordt beperkt. De eventuele bouwbehoefte die voortvloeit uit wetgeving ten aanzien van dierenwelzijn doet hieraan niet af, nu geen concrete bouwplannen zijn voorgelegd die hun grond vinden in de welzijnswetgeving voor dieren. Ook anderszins is de Afdeling niet gebleken van voldoende concrete bouwplannen.

2.15.7.    Met betrekking tot de vormverandering van het bouwblok kan de Afdeling verweerder, die heeft ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad, niet volgen in zijn stelling dat de verkleining van het bouwblok aan de [locatie 11] ten behoeve van vergroting van het bouwblok ten zuiden van de [locatie 12] en [locatie 13] niet mogelijk is, omdat gestreefd wordt naar compacte en rechtlijnige bouwvlakken, dan wel omdat in dat geval de op het perceel [locatie 11] aanwezige kippenhokken buiten het bouwvlak vallen. De Afdeling overweegt daartoe dat indien het bouwblok op de door appellante voorgestelde wijze wordt aangepast, het bouwblok achter het perceel [locatie 12] en [locatie 13] weliswaar minder compact wordt, maar dat het bouwblok op het perceel [locatie 11] daarentegen juist compacter wordt. Evenmin heeft verweerder, noch de gemeenteraad aannemelijk gemaakt dat het tegemoetkomen aan de wensen van appellant in de weg staat aan het realiseren van rechtlijnige bouwblokken.

Ten aanzien van de kippenhokken op het perceel aan de [locatie 11], overweegt de Afdeling dat onduidelijk is waarom de aanwezige bebouwing aan wijziging van de vorm van het bouwblok in de weg staat, nu appellante zich heeft uitgesproken voor sloop van deze gebouwen.    

Daarbij merkt de Afdeling op dat indien het standpunt van verweerder en de gemeenteraad is ingegeven door de vrees dat de bestaande kippenhokken op het perceel [locatie 11] niet zullen worden verwijderd, de gemeenteraad de desbetreffende kippenhokken onder bepaalde omstandigheden ook van het overgangsrecht kan uitzonderen. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep van appellante is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover verweerder daarbij goedkeuring heeft verleend aan de medebestemming "Agrarisch bouwblok -AB-", voor het perceel [locatie 11] en voor het perceel gelegen achter de [locatie 12] en [locatie 13], wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd. In aanvulling op het overwogene onder 2.4.6. dient derhalve ook vorenstaande reden aan de vernietiging van de goedkeuring van evengenoemde medebestemming ten grondslag te worden gelegd.

DE PERCELEN [LOCATIE 14] EN [LOCATIE 12]

Het standpunt van appellante

2.16.    [appellante sub 12] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-", gedeeltelijk met de medebestemming "Agrarisch bouwblok -AB-" en de aanduiding "1BW" voor de percelen [locatie 14] en [locatie 12] alsmede aan de pijl "één bouwvlak vormend" welke de twee bouwvlakken met elkaar verbindt.

Appellante stelt dat verweerder ten onrechte haar bedenkingen met betrekking tot de percelen [locatie 14] en [locatie 12] niet heeft behandeld.

De vaststelling van de feiten

2.16.1.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.16.2.    Op 3 februari 2005 heeft appellante bedenkingen kenbaar gemaakt tegen het bestemmingsplan "Buitengebied", zoals dat destijds ter goedkeuring voorlag.

Bij besluit van 3 mei 2005 heeft verweerder aan dat plan goedkeuring onthouden.

Op 17 mei 2005 heeft de gemeenteraad het onderhavige bestemmingsplan vastgesteld.

Op 21 juni 2005 heeft appellante bedenkingen met betrekking tot dit plan bij verweerder ingediend. In dit bedenkingengeschrift staat achter het kopje "ons kenmerk" vermeld [appellante sub 12] ([locatie 15] te [plaats]; [locatie 14] en [locatie 12] te [plaats])".

Voorts vermeldt de brief dat de bedenkingen onder meer betrekking hebben op de [locaties 14] en [locatie 12] en dat de bedenkingen inhoudelijk gelijk zijn aan de reeds op 3 februari 2005 door appellante ingediende bedenkingen. Volgens de brief zijn kopieën van deze bedenkingengeschriften als bijlagen bijgevoegd.

Het verweerschrift vermeldt dat de behandelend ambtenaar van de provincie slechts 2 bijlagen bij het bedenkingengeschrift van 21 juni 2005 heeft aangetroffen. Hij heeft daarom telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van appellante. Uit het telefoongesprek heeft de behandelend ambtenaar geconcludeerd dat de derde, niet meegestuurde, bijlage betrekking had op een andere reclamant en dat [appellante sub 12] geen bedenkingen heeft tegen het plan, voor zover dat betrekking heeft op de percelen [locatie 14] en [locatie 12].

Ter zitting is door appellante gesteld dat tijdens het telefoongesprek vermoedelijk een misverstand is gerezen aangezien haar gemachtigde niet heeft gesteld dat appellante geen bedenkingen heeft tegen het plan voor zover dat betrekking heeft op de percelen [locatie 14] en [locatie 12]. De gemachtigde vertegenwoordigde echter nog een andere reclamant en appellante vermoedt dat hierdoor aan de zijde van verweerder enige verwarring is ontstaan.

Verweerder heeft ter zitting niet uitgesloten dat sprake kan zijn geweest van een misverstand.

Het oordeel van de Afdeling

2.16.3.    Gezien het overwogene onder 2.16.2. is de Afdeling van oordeel dat voor verweerder uit de brief van 21 juni 2005 kenbaar moet zijn geweest dat appellante ook bedenkingen had tegen het plan voor zover dat betrekking heeft op de percelen [locatie 14] en [locatie 12]. Nu appellante ter zitting heeft gesteld dat verweerder uit het telefonische contact ten onrechte heeft afgeleid dat appellante niet langer bedenkingen naar voren wilde brengen met betrekking tot de genoemde percelen en dit ter zitting door verweerder niet, dan wel onvoldoende is weersproken, moet het ervoor worden gehouden dat verweerder de bedenkingen van appellante ten onrechte niet heeft behandeld.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellante sub 12] is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover verweerder daarbij goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-", gedeeltelijk met de medebestemming "Agrarisch bouwblok -AB-" en de aanduiding "1BW", voor zover die betrekking hebben op de percelen [locatie 14] en [locatie 12] alsmede de goedkeuring aan de pijlvormige aanduiding "één bouwvlak vormend" welke de twee genoemde percelen met elkaar verbindt, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd. In aanvulling op het overwogene onder 2.4.6. dient derhalve ook vorenstaande reden aan de vernietiging van de goedkeuring van evengenoemde plandelen en aanduiding ten grondslag te worden gelegd.

Proceskosten

2.17.    Verweerder dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel", [appellant sub 4], Hengelsportvereniging "Het Alvertje", [appellant sub 3], [appellante sub 11] en [appellante sub 12].

Ten aanzien van het college van burgemeester en wethouders is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellant sub 6], [appellante sub 7], de Dorpsraad Oostrum, [appellante sub 9], [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellante sub 9] niet-ontvankelijk voor zover dat betrekking heeft op de uitrit en de woonbebouwing;

II.    verklaart de beroepen van het college van burgemeester en wethouders en [appellant sub 4], gedeeltelijk,

en het beroep van de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel", Hengelsportvereniging "Het Alvertje", [appellant sub 3], [appellante sub 11] en [appellante sub 12] geheel, gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 13 december 2005, no. 2005/57938, voor zover daarbij:

A.    goedkeuring is verleend aan het door de gemeenteraad van Venray op 17 mei 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied";

B.    goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de medebestemming "Burgerwoning" ter plaatse van het perceel [locatie 3] te [plaats];

C.    goedkeuring is onthouden aan de in artikel 24, elfde lid, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid alsmede aan het planonderdeel dat op plankaart 2 "Ontwikkelingen" de aanduiding "Vergroting visvijver" heeft;

D.    goedkeuring is onthouden aan de medebestemming "Agrarisch bouwblok -AB-" voor het perceel aan de [locatie 10];

IV.    onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied -Ag-", voor zover dat betrekking heeft op de gronden ten zuiden van de luchthaven, zoals nader aangegeven op de van deze uitspraak onderdeel uitmakende kaart, alsmede voor zover goedkeuring is verleend aan artikel 4, eerste en derde lid, van de planvoorschriften;

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover het het onder IV. genoemde plandeel en voorschriften betreft;

VI.    verklaart de beroepen van het college van burgemeester en wethouders, [appellante sub 9] en [appellant sub 4], voor het overige, en de beroepen van [appellant sub 6], [appellante sub 7], de Dorpsraad Oostrum, [appellant sub 10A] en [appellante sub 10B], geheel, ongegrond.

VII.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij de hierna te noemen appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten. Deze kosten dienen door de provincie Limburg onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald aan:

1.    de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel" tot een bedrag van € 843,33 (zegge: achthonderddrieënveertig euro en drieëndertig cent), waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

2.    [appellant sub 4] tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

3.    Hengelsportvereniging "Het Alvertje", tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

4.    [appellant sub 3] tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

5.    [appellante sub 11] tot een bedrag van € 682,83 (zegge: zeshonderdtweeëntachtig euro en drieëntachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

6.    [appellante sub 12] tot een bedrag van € 682,83 (zegge: zeshonderdtweeëntachtig euro en drieëntachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat de provincie Limburg aan [appellant sub 4] en [appellant sub 3], elk afzonderlijk, het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt, en aan het college van burgemeester en wethouders, Hengelsportvereniging "Het Alvertje", de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel", [appellante sub 11], [appellante sub 12], elk afzonderlijk, het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. H.P.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Bultema, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra                     w.g. Bultema

Voorzitter                       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

400-425

plankaart