Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7067

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200606757/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loenen (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen zes weken na de verzenddatum van dit besluit de schuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) in zijn geheel te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606757/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. SBR 06/2009 en 06/2077 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 27 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Loenen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loenen (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen zes weken na de verzenddatum van dit besluit de schuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) in zijn geheel te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 24 maart 2006 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juli 2006, verzonden op 2 augustus 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2007, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L.J.H. de Vink, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door V.G. Soentpiet, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

   Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat tot het gewone onderhoud behoort.

2.2.    Anders dan appellant betoogt, is voor de door hem verrichte werkzaamheden aan de bestaande schuur bouwvergunning vereist, reeds omdat daarbij sprake is van vernieuwing van het dak, de wanden en de binnenvloer en van werkzaamheden aan de draagconstructie van de schuur welke het niveau van gewoon onderhoud te boven gaan. De voorzieningenrechter is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.3.    Het college was derhalve bevoegd terzake handhavend op te treden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Ten tijde van de werkzaamheden aan de schuur gold ter plaatse het bestemmingsplan "Buitengebied I Het Wijde Blik". Ingevolge dit bestemmingsplan rustte op het perceel de bestemming "Gebied van landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde met agrarisch gebruik".

    Ingevolge artikel 25, tweede lid, van de planvoorschriften mag op gronden met deze bestemming niet worden gebouwd.

   Ingevolge artikel 38, vierde lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen bestaande bouwwerken strijdig met het plan gedeeltelijk worden vernieuwd, veranderd en vergroot.

   Ingevolge het ten tijde van de beslissing op bezwaar ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" rustte op het perceel de bestemming "Natuur- en Landschapsdoeleinden."

    Ingevolge artikel 10, derde lid, van de planvoorschriften mogen op gronden met deze bestemming uitsluitend erfafscheidingen met een maximale hoogte tot 2 meter worden gebouwd.

   Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de planvoorschriften mag een ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestaand bouwwerk, dat afwijkt van dit plan en dat is of wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, mits de bestaande afwijkingen niet worden vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd.

2.4.1.    Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Hij voert daartoe aan dat het bouwwerk onder het overgangsrecht valt.

2.4.2.    Dit betoog faalt. Uit de beslissing op bezwaar, het hoger beroepschrift, de overgelegde foto's, alsmede de schriftelijke toelichting van appellant op die foto's blijkt dat de houten wanden en het dak grotendeels zijn vernieuwd, dat de wanden onderaan zijn vervangen door een stenen borstwering, dat enkele staanders ten behoeve van de draagconstructie zijn vervangen en dat ter ondersteuning daarvan een betonnen vloer is aangebracht. Aldus is geen sprake meer van een gedeeltelijke vernieuwing of verandering als bedoeld in de overgangsbepalingen van de bestemmingsplannen "Buitengebied I Het Wijde Blik" en "Landelijk gebied". Dat, naar appellant stelt, voor de werkzaamheden aan de schuur deels bestaande materialen zijn hergebruikt en de vernieuwing gefaseerd is uitgevoerd, maakt dat niet anders.

2.5.    Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe hadden moeten leiden dat van handhaving moest worden afgezien.

2.5.1.    Ook dit betoog kan niet slagen.

    Niet is komen vast te staan dat namens het college zodanige toezeggingen zijn gedaan dat appellant daaruit mocht afleiden dat hij de schuur kon vernieuwen zoals hij heeft gedaan.

    Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel faalt, nu niet is gebleken dat de schuur op het naastgelegen perceel in strijd met het overgangsrecht is vernieuwd. Appellant heeft eerst ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat enkele andere schuren wel mogen worden vernieuwd. Niet valt in te zien waarom appellant dit niet eerder dan ter zitting heeft kunnen inbrengen, zodat het college daarop naar behoren had kunnen reageren. Bij deze stand van zaken verzet het belang van een goede procesorde zich tegen heropening van het onderzoek teneinde de juistheid van de stelling van appellant te onderzoeken. De Afdeling zal deze gevallen dan ook niet in haar beoordeling betrekken.

   Dat de schuur in het geldende bestemmingsplan in de ogen van appellant ten onrechte niet als zodanig is bestemd is evenmin een bijzondere omstandigheid, nu van dit bestemmingsplan in het kader van de onderhavige procedure moet worden uitgegaan.

   Uit de beslissing op bezwaar blijkt verder dat het college aan het geldende bestemmingsplan wenst vast te houden. Het college heeft daarbij aangegeven dat het stedenbouwkundig-planologisch beleid, dat is gericht op het tegengaan van verspreide bebouwing in het open landschap, aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat en zwaarder weegt dan het belang van appellant, te meer daar het bestemmingsplan voorziet in een bouwmogelijkheid elders. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat handhaving zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in dit geval behoorde te worden afgezien.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Boermans

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

429-530.