Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7065

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200607369/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 januari 2005, voor zover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Epe (hierna: het college) het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen het gebruik door de vennootschap onder firma Greenhouse (hierna: Greenhouse) van de kas op het perceel Laarseweg 23a te Vaassen (hierna: het perceel) voor het verhuren van planten, afgewezen.

   

Bij besluit van 18 augustus 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607369/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Epe,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1385 van de rechtbank Zutphen van 7 september 2006 in het geding tussen:

appellant en [partij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2005, voor zover thans van belang, heeft het college van burgemeester en wethouders van Epe (hierna: het college) het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen het gebruik door de vennootschap onder firma Greenhouse (hierna: Greenhouse) van de kas op het perceel Laarseweg 23a te Vaassen (hierna: het perceel) voor het verhuren van planten, afgewezen.

   

Bij besluit van 18 augustus 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 september 2006, verzonden op 14 september 2006, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 december 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 21 december 2006 heeft Greenhouse, die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend. Deze is aan de andere partijen toegezonden.

Bij brief van 16 februari 2007 heeft het college een nadere reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2007, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L.J. Steenbergen, advocaat te Epe, en het college, vertegenwoordigd door J. van de Sluis, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord Greenhouse, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. H.A.M. Lamers, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    Het college heeft op 30 oktober 2002 een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsgebouw (kas) op het perceel. Thans staat uitsluitend nog het gebruik daarvan ter beoordeling, nu de gronden van het hoger beroep zich daartoe beperken.

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Agrarisch gebied, 66e partiële herziening", gelezen in samenhang met het bestemmingsplan "Agrarisch gebied, 16e partiële herziening", (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming Agrarische doeleinden, klasse B". Zoals de rechtbank heeft geoordeeld en ook tussen partijen niet in geschil is, is het gebruik van het perceel ten behoeve van de verhuur van planten in strijd met deze bestemming.

2.3.    Het college heeft zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat tegen het in het handhavingsverzoek aangegeven gebruik van de kas niet meer kan worden opgetreden, omdat hiervoor een bouwvergunning is verleend die dit gebruik toestaat.

2.4.    Appellant komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de beslissing op bezwaar, voor zover daarin is overwogen dat Greenhouse er op mocht vertrouwen dat het feitelijk gebruik van de kas is toegestaan, onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe betoogt hij dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voldoende onderzoek is gedaan naar het feitelijk gebruik van de kas.

2.4.1.    Dit betoog slaagt. Blijkens de beslissing op bezwaar en het verweerschrift in beroep heeft het college aan de hand van de door Greenhouse omschreven activiteiten en foto's vastgesteld dat het gebruik van de kas mede inhoudt de verhuur van planten. Gelet op deze niet weersproken vaststelling had de rechtbank op de grondslag van het beroepschrift moeten onderzoeken of dit met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel rechtstreeks voortvloeit uit de verleende bouwvergunning. De rechtbank heeft dit miskend.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog de overige bij de rechtbank aangevoerde gronden beoordelen.

2.6.    Bij het verzoek van Greenhouse om een voorlopig welstandadvies over het voorontwerp bouwplan van 4 december 2001 is als aard van de werkzaamheden opgegeven: het kweken/conserveren van groen in potten, en is als aard van het bouwwerk na uitvoering van het bouwplan opgegeven: kas voor kweek en overwintering groen en containerkweek. Bij de aanvraag om bouwvergunning van 16 mei 2002 is vergunning aangevraagd voor het oprichten van een kas/verwerkingsruimte. Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft het college bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsgebouw (kas). Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de verhuur van planten rechtstreeks voortvloeit uit de verleende bouwvergunning. Voor een dergelijk oordeel zou aanleiding kunnen zijn als uit de aanvraag zonder meer kan worden afgeleid dat de kas in strijd met het bestemmingsplan zal worden gebruikt, en het college, zich bewust van het voorgenomen gebruik, de vergunning in weerwil van de planvoorschriften heeft verleend. Deze situatie doet zich hier niet voor. Hierbij is van belang dat in de aanvraag noch in de bouwvergunning wordt aangegeven dat de planten waarvoor de kas wordt opgericht mede worden verhuurd.

   Aldus heeft het college in de bouwvergunning ten onrechte aanleiding gezien het handhavingsverzoek af te wijzen. Uit het vorenstaande volgt dat de beslissing op bezwaar niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De Afdeling zal het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

2.7.    In de nieuw te nemen beslissing op bezwaar zal het college wederom dienen te onderzoeken of het nog steeds tot handhaving bevoegd is. Daarbij is onder meer van belang of het gebruik van de kas naar aard en omvang in het nieuwe bestemmingsplan, dat thans nog niet onherroepelijk is, is toegestaan.

2.8.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 september 2006 in zaak no. 05/1385;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van 18 augustus 2005, kenmerk 2005-10801;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Epe tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1449,00 (zegge: veertienhonderdnegenenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Epe aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Epe aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 349,00 (zegge: driehonderdnegenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink       w.g. Boermans

Lid van de enkelvoudige kamer           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

429-530.