Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7063

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200606970/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Twenterand (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie], [plaats], (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606970/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05 / 617 van de rechtbank Almelo van 10 augustus 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Twenterand.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Twenterand (hierna: het college) geweigerd aan appellant bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie], [plaats], (hierna: het perceel).

Bij besluit van 12 april 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 augustus 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 september 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2007, waar appellant, in persoon, en het college vertegenwoordigd door mr. J.Timmerman en L. van der Tol, ambtenaren der gemeente zijn verschenen. Voorts zijn, [derde-belanghebbenden], bijgestaan door mr. W.G.C. Wijsman, gemachtigde, daar als partij gehoord

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hammerweg" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied"

2.2.    Het bouwplan is in strijd met de agrarische bestemming.

    Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet wordt de bouwaanvraag geacht mede een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan in te houden.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid de vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen weigeren. Daartoe voert hij aan dat de te bouwen woning buiten de milieucontour van de naburige melkrundveehouderij is voorzien. Voorts zijn de meeste open plekken in het omliggende gebied reeds opgevuld en is in het Meerjarenprogramma Stedelijke Vernieuwing gekozen voor intensivering van woningbouw, aldus appellant.

2.3.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat het perceel ligt binnen de milieucontour van het naburige agrarische bedrijf. Dat bedrijf viel ten tijde van de beslissing op bezwaar onder de werking van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer (hierna: het Besluit). Bij een bezetting van meer dan 50 stuks melkrundvee diende op grond van het Besluit een minimumafstand van 50 meter tot stankgevoelige functies te worden aangehouden. De door appellant overgelegde verklaring van [naam], inhoudende dat bij een veebezetting van maximaal 50 melkkoeien een minimale afstand van 25 meter voldoende is, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat op grond van de door voornoemd bedrijf onder het Besluit gedane melding het houden van maximaal 100 stuks melkrundvee is geaccepteerd. Aan het betoog van appellant dat de minimumafstand voor een binnen de bebouwde kom gelegen melkrundveehouderij ten opzichte van een stankgevoelig object 25 meter bedraagt komt geen betekenis toe, nu in het Besluit geen onderscheid wordt gemaakt tussen melkrundveehouderijen binnen dan wel buiten de bebouwde kom. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in de uitspraak van 30 maart 2001 in zaak nr. E01990029, BR 2001, 581, dient bij de bepaling van de stankcirkel voor de uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aan te houden afstand, als meetpunt in beginsel de grens van het bouwvlak van het agrarische bedrijf te gelden, aangezien binnen het gehele bouwvlak bedrijfsbebouwing tot stand kan komen waarin hinderveroorzakende activiteiten kunnen plaatsvinden. Het feit dat er op korte afstand van het onderhavige naburige agrarische bedrijf reeds een andere woning is gelegen doet er niet aan af dat het emissiepunt van dit bedrijf aan de rand van het bij dit bedrijf behorende bouwvlak kan komen te liggen, waardoor de straal die de aan te houden minimum afstand van 50 meter bepaalt vrijwel het gehele perceel van appellant beslaat.

    In de door appellant aangehaalde uitspraak van 2 augustus 2006, in zaak nr. 200509943/1 is de stankcirkel op grond van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden aan de orde. Deze wet kent een ander toetsingskader, zodat aan voormelde uitspraak niet het door appellant gewenste gevolg kan worden verbonden.

    Voorts heeft het college in redelijkheid kunnen vasthouden aan het in het bestemmingsplan verwoorde en door de gemeenteraad op 28 maart 2002 vastgestelde "Beleid met betrekking tot het bouwen op open plekken". Op grond hiervan heeft het bestemmingsplan een conserverende werking en is aanvullende woningbouw binnen het dorpslint niet gewenst. Dit beleid is met het door appellant genoemde Meerjarenprogramma Stedelijke Vernieuwing niet achterhaald nu de met dit programma beoogde intensivering van woningbouw binnen bestaand bebouwd gebied in het algemeen het tegengaan van woningbouw binnen het dorpslint zoals bedoeld in het "open plekken beleid" niet uitsluit.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Boermans

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

429-544.