Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7054

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200604029/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft de raad van de toenmalige gemeente Ter Aar (thans: Nieuwkoop), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 juni 2005, het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604029/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Ter Aar, thans gemeente Nieuwkoop,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], gemeente Nieuwkoop,

3.    [appellanten sub 3], allen wonend te [woonplaats], gemeente Nieuwkoop,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft de raad van de toenmalige gemeente Ter Aar (thans: Nieuwkoop), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 juni 2005, het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 april 2006, kenmerk DRM/ARW/05/9433A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 30 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2006, appellant sub 2 bij brief van 1 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, en appellanten sub 3 bij brief van 2 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2006, beroep ingesteld. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brieven van 10 juni 2006 en 21 juni 2006.

Bij brief van 14 november 2006 heeft verweerder medegedeeld dat de beroepschriften hem geen aanleiding geven tot het indienen van een verweerschrift.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 3. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2007, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door E.L. Kruijt, ambtenaar van de gemeente, appellant sub 2, in persoon, appellanten sub 3, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H. Kats, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Planbeschrijving

2.3.    Het plan omvat het grondgebied van de gehele voormalige gemeente Ter Aar, met uitzondering van de bebouwde kommen van Langeraar, Korteraar, Papenveer en Ter Aar (Aardam), het bedrijventerrein Bovenland en de glastuinbouwgebieden, inclusief verwachte uitbreidingen.

Artikel 8, lid B, onder 2, sub f, van de planvoorschriften

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder acht artikel 8, lid B, onder 2, sub f, van de planvoorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft aan deze bepaling goedkeuring onthouden.

   Verweerder stelt hiertoe dat het plangebied in het streekplan Zuid-Holland Oost (hierna: het streekplan) deels is aangeduid als A+gebied ter bescherming van de openheid van het landschap, de verkavelingsstructuur, het slotenpatroon en de verspreid in het gebied voorkomende (karakteristieke) boerderijen. Vanwege de kwetsbaarheid van dergelijke gebieden is een extra beschermingsregime opgenomen;

in dergelijke gebieden zijn geen grootschalige ingrepen toegestaan. In de provinciale nota "Regels voor Ruimte" is voorts een maximale omvang van 650 m³ voor burgerwoningen opgenomen, terwijl het voorschrift een uitbreiding tot 750 m³ mogelijk maakt. Een en ander geldt volgens verweerder ook voor woningen die in de directe nabijheid van kassen liggen omdat het beleid er op is gericht de verspreid liggende kassen op termijn te saneren. Voorts is 650 m³ volgens verweerder een zeer redelijke maat voor burgerwoningen in het buitengebied en kunnen de woningen eventueel ondergronds worden vergroot; een dergelijke vergroting telt niet mee bij de inhoudsberekening.

Het standpunt van het college van burgemeester en wethouders

2.5.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 8, lid B, onder 2, sub f, van de planvoorschriften.

   Appellant stelt hiertoe dat de genoemde regeling geen aantasting van de door verweerder genoemde waarden met zich brengt. Slechts 19 woningen zijn kleiner dan 650 m³ en daarbij zijn die woningen nabij kassen gesitueerd, aldus appellant. Voorts betekent een inhoudsmaat van 750 m³ volgens appellant een kwaliteitsimpuls welke voldoende is onderbouwd. Verweerder heeft volgens appellant onvoldoende rekening gehouden met de argumenten die ten grondslag liggen aan de wens om burgerwoningen een inhoudsmaat van 750 m³ te geven.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Ingevolge artikel 8, lid A, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor woondoeleinden aangewezen gronden bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep dan wel een kleinschalig bedrijfsmatige activiteit die is genoemd in bijlage 1 van de planvoorschriften.

2.6.2.    Ingevolge artikel 8, lid B, aanhef en onder 2, sub f, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen van gebouwen dat de maatvoering van een hoofdgebouw zal voldoen aan de volgende eisen:

- Voor gebouwen met de functies woonhuis, aan- en uitbouwen en bijgebouwen geldt een gezamenlijke maximale oppervlakte/inhoud van 750 m³, waarvan ten hoogste 50 m² ten behoeve van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag worden gebouwd.

- Wanneer de bestaande inhoud van een woonhuis meer bedraagt dan 750 m³, zal de maximale inhoud ten hoogste de bestaande inhoud bedragen. - Voor woonhuizen, die zijn gelegen binnen de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "grotere woningen toegestaan", zal de maximale inhoud per woonhuis ten hoogste 800 m³ bedragen.

2.6.3.    Op de plankaart behorend bij het streekplan zijn delen van het plangebied met de bestemming "Woondoeleinden" aangeduid als "agrarisch gebied plus (A+)".

2.6.4.    In het streekplan is vermeld dat de aanduiding A+ betrekking heeft op delen van het landelijk gebied met bijzondere natuur-, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden. Bij de natuurwaarden kan worden gedacht aan waardevolle sloot- en oevervegetaties, concentraties van weidevogels en trekvogels en leefgebieden van EU-habitatdiersoorten. De A+ gebieden worden voornamelijk door de grondgebonden veehouderij gebruikt. Daarnaast komen hier akkerbouw- en fruitteeltbedrijven voor. De te beschermen landschappelijke en cultuurhistorische waarden bestaan onder andere uit de openheid van het landschap, de verkavelingsstructuur, de cultuurhistorisch waardevolle bebouwingslinten, de slotenpatronen en de verspreid in het gebied liggende monumentale boerderijen.

2.6.5.    In de nota "Regels voor Ruimte" is vermeld dat in gebieden die in de streekplannen zijn aangeduid als agrarisch gebied met bijzondere cultuurhistorische, natuur- en landschapswaarden (A+/ANL), de ontwikkeling van de agrarische sector in samenhang met de ontwikkeling van het agrarisch cultuurlandschap en de aanwezige waarden centraal staat. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten binnen dit centrale uitgangspunt passen.

Voor vestiging van niet-agrarische functies in vrijkomende agrarische bebouwing, dan wel het ondernemen van nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven geldt dat, in aanvulling op de algemene regeling, de nieuwe functie geen afbreuk mag doen aan de in het gebied aanwezige cultuurhistorische, natuurwaarden en/of de landschappelijke kwaliteit van het gebied.

Burgerwoningen mogen een maximale inhoud van 650 m³ omvatten, inclusief erfbebouwing. Ondergrondse bebouwing valt buiten de maximale norm.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Het provinciale beleid dat ten aanzien van gebieden die zijn aangeduid als "agrarisch gebied plus (A+)" is gericht op onder meer de bescherming van de openheid van het landschap, is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk te achten. Dit geldt ook voor het provinciale beleid waarmee deze openheid wordt beschermd door wat betreft de als zodanig aangeduide gebieden de omvang van burgerwoningen te beperken tot een maximale inhoud van 650 m³. De in het onderhavige plan toegestane inhoud van 750 m³ is met het beleid, zoals vervat in de nota "Regels voor Ruimte", in strijd. De stelling van appellant dat er in het gebied reeds woningen aanwezig zijn en dat de omvang van de woningen beperkt zal blijven doordat deze veelal omsloten zijn door vaarten en tochten, neemt de door verweerder genoemde aantasting van de openheid niet weg. Verder is het standpunt van verweerder dat de aanwezigheid van kassen in de directe nabijheid van de door de gemeenteraad bedoelde percelen - gelet op het saneringsbeleid ten aanzien van deze kassen - niet afdoet aan de noodzaak van het beschermen van de openheid niet onredelijk. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder van zijn beleid had moeten afwijken.  

Het vorenstaande brengt met zich dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen reden bestaat voor afwijking van het provinciale beleid.

Het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied in een open landschap" voor de gronden ter plaatse van het perceel, kadastraal bekend gemeente Ter Aar, sectie A, no. 6691.

Het standpunt van [appellant sub 2]

2.8.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming "Agrarisch gebied in een open landschap" voor de gronden ter plaatse van het perceel, kadastraal bekend gemeente Ter Aar, sectie […], no. […].

   Appellant stelt dat een deel van het perceel, ter grootte van ongeveer 1500 m², een recreatieve in plaats van een agrarische bestemming had moeten krijgen omdat het gebruik van deze gronden nodig is voor zijn naastgelegen camping; thans is deze onvoldoende rendabel. Voorts hadden volgens appellant deze gronden in de voorontwerpen wel een recreatieve bestemming.

Het standpunt van verweerder

2.9.    Verweerder acht het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijk ordening of het recht en heeft hieraan goedkeuring verleend.

   Verweerder stelt hiertoe dat het perceel is gelegen in een gebied dat op de streekplankaart is aangeduid als "agrarisch gebied plus (A+)". Een uitbreiding van het bedrijf met bijna 50 procent brengt volgens verweerder een ontoelaatbare aantasting van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden met zich. Voorts stelt verweerder dat de huidige mogelijkheden voor het bedrijf voldoende zijn om te blijven voortbestaan.

Vaststelling van de feiten

2.10.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.10.1.    Het door appellant bedoelde perceel ligt ten noord-oosten van het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden" en heeft op de plankaart de bestemming "Agrarisch gebied in een open landschap" met de aanvullende bestemming "Archeologisch waardevol gebied".

2.10.2.    Op de streekplankaart is het onderhavige plandeel voorzien van de aanduiding "agrarisch gebied plus (A+)".

Het oordeel van de Afdeling

2.11.    Het standpunt van verweerder dat voor het onderhavige plandeel provinciaal beleid van toepassing is dat is gericht op onder meer de bescherming van de openheid van het landschap en het slotenpatroon, is gelet op overweging 2.6.4 juist. Aan een voorontwerp kunnen voorts geen gerechtvaardigde verwachtingen worden ontleend. Het staat de gemeenteraad vrij om al dan niet naar aanleiding van ingediende reacties af te wijken van het voorontwerp dat naar zijn aard geen rechtskracht had en nog aan inspraak moest worden onderworpen. Gelet op de specifieke ligging van het plandeel ten opzichte van de bebouwing op twee aanliggende percelen en de camping van appellant op een derde aanliggend perceel stelt de Afdeling echter vast dat de in overweging 2.6.4 genoemde waarden ter plaatse slechts beperkt aanwezig zijn, zodat, mede in aanmerking genomen de relatief beperkte grootte van de gronden waarvoor appellant de bestemming "Recreatieve doeleinden" wenst, niet zonder nadere motivering valt in te zien waarom, in tegenstelling tot waar in de voorontwerpen van is uitgegaan, aan de door appellant bedoelde gronden niet de bestemming "Recreatieve doeleinden" kon worden toegekend.

Het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden"

Het standpunt van [appellant sub 2]

2.12.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden".

   Appellant voert hiertoe aan dat artikel 11, lid B, onder 2, sub g, van de planvoorschriften hem niet de mogelijkheid van een uitbreiding tot maximaal 400 m² bedrijfsbebouwing biedt die hij nodig heeft met het oog op zijn bedrijfsvoering en toekomstige ontwikkelingen.

Het standpunt van verweerder

2.13.    Verweerder acht het genoemde plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft hieraan goedkeuring verleend.

   Verweerder heeft hiertoe bij zijn bestreden besluit overwogen dat op grond van de bestemmingsplanvoorschriften in totaal 410 m² aan bedrijfsgebouwen kan worden opgericht, hetgeen volgens verweerder voldoende ontwikkelingsruimte biedt voor appellant.

Vaststelling van de feiten

2.14.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.14.1.    Ingevolge artikel 11, lid B, onder 2, sub g, van de planvoorschriften geldt - voor zover hier van belang en samengevat weergegeven - voor het bouwen van gebouwen op de tot "Recreatieve doeleinden" bestemde gronden een bouwschema waaraan moet worden voldaan. In dat schema is bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte voor een bedrijfsgebouw 300 m² mag bedragen. De inhoud van een bedrijfswoning, aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag gezamenlijk maximaal 750 m³ bedragen, waarvan ten hoogste 50 m² ten behoeve van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag worden gebouwd. Verder is in dat schema aangegeven dat de maximale gezamenlijke oppervlakte van een beheersgebouw 60 m² mag bedragen en dat de maximale oppervlakte per trekkershut 25 m² mag zijn.

Ingevolge artikel 11, lid B, onder 2, sub d en e, van de planvoorschriften bedraagt het aantal trekkershutten ten hoogste 3 per bestemmingsvlak en bedraagt het aantal bijgebouwen ten hoogste 2 per bedrijfswoning.

Het oordeel van de Afdeling

2.15.    Zoals door verweerder ter zitting beaamd, is in artikel 11, lid B niet zeker gesteld dat ter plaatse bijgebouwen, aan- en uitbouwen mogen worden opgericht ten behoeve van doeleinden die losstaan van een eventuele bedrijfswoning. Gelet hierop berust de in het bestreden besluit verwoorde stelling dat appellant ingevolge het plan 410 m² aan bedrijfsbebouwing kan oprichten in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

De aanduiding "bebouwing ten behoeve van sierteelt" op het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied in open landschap" ter plaatse van de percelen aan de [locatie], kadastraal bekend gemeente Ter Aar, nummers […] en […].

Het standpunt van [appellanten sub 3]

2.16.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "bebouwing ten behoeve van sierteelt" op twee percelen aan de [locatie] met de kadastrale nummers […]8 en […].

   Hiertoe stellen appellanten dat het oprichten van bebouwing op deze percelen, die in het buitengebied zijn gelegen, in strijd is met het provinciale beleid en het in het bestemmingsplan verwoorde gemeentelijke beleid, waarin de bescherming van landschappelijke en cultuurhistorische waarden voorop staat. Verder stellen appellanten dat het oprichten van bedrijfsbebouwing, zoals het bestemmingsplan door middel van een vrijstellingsprocedure mogelijk maakt, leidt tot verlies van uitzicht vanuit hun woningen en dat zij daardoor planschade lijden. De bedrijfsbebouwing is volgens appellanten niet noodzakelijk, ook andere soortgelijke bedrijven hebben deze niet. Voorts is volgens appellanten de toegestane omvang te groot. Appellanten stellen dat zij mochten vertrouwen op mededelingen van een ambtenaar inhoudende dat geen bebouwing zou worden mogelijk gemaakt. Tenslotte zijn appellanten van mening dat onvoldoende is ingegaan op hun zienswijzen en bedenkingen.

Het standpunt van verweerder

2.17.    Verweerder acht de aanduiding op het genoemde plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft hieraan goedkeuring verleend.

   Hiertoe stelt verweerder dat de bebouwing niet rechtstreeks mogelijk is maar na gebruikmaking van een vrijstellingsbevoegdheid. Voorts moet bij de verlening van vrijstelling rekening worden gehouden met de Beschrijving in Hoofdlijnen, aldus verweerder. Verweerder stelt dat het - omdat het om een bestaand bedrijf gaat - redelijk is dat een beperkte oppervlakte aan bedrijfsbebouwing wordt toegekend om een goede bedrijfsvoering mogelijk te maken. Andere sierteeltbedrijven hebben veelal in de omgeving bedrijfsruimte hetgeen niet geldt voor het bedrijf van appellant, aldus verweerder. Verder stelt verweerder dat een agrarisch deskundige heeft aangegeven dat de in het plan voorziene omvang van de bebouwing bij een sierteeltbedrijf als het onderhavige is toegesneden op de bedrijfsvoering. Voorts ligt de dichtstbijzijnde woning op een zodanige afstand van de aanduiding dat de vermindering van het zicht beperkt zal zijn, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.18.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.18.1.    De Verenigde Bloklandse en Korteraarse polder, waarin het plandeel is gelegen, wordt aan de noordzijde begrensd door de [straatnaam sub 1], waarlangs bebouwing is gelegen, aan de oostzijde door de [straatnaam sub 2], waarlangs eveneens bebouwing is gelegen, aan de zuidzijde door een primaire waterkering, en aan de westzijde door een primaire waterkering met daarachter de [locatie], waarlangs bebouwing is gelegen.

2.18.2.    Het onderhavige plandeel heeft de bestemming "Agrarisch gebied in een open landschap" en de aanduiding "bebouwing ten behoeve van sierteelt" en ligt in een gebied dat op de plankaart behorend bij het streekplan is aangeduid als "agrarisch gebied plus (A+)". Ten westen van het plandeel ligt de [locatie] met daaraan gelegen de woningen van enkele appellanten. Ten noorden van het plandeel ligt de [straatnaam sub 1], waaraan enkele andere appellanten wonen. De afstand van de plaats waar bebouwing mogelijk wordt gemaakt tot de dichtstbijzijnde percelen aan de [locatie] is ongeveer 50 meter. De afstand van de genoemde plaats tot de dichtstbijzijnde percelen aan de [straatnaam sub 1] is ongeveer 75 meter.

2.18.3.    Ingevolge artikel 4, lid D, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders met inachtneming van het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen, vrijstelling verlenen van:

- het bepaalde in lid B, onder 2, sub b, en toestaan dat buiten het bouwperceel niet voor bewoning bedoelde gebouwen ten behoeve van de uitoefening van de sierteelt worden gebouwd mits:

a. de gebouwen uitsluitend worden gebouwd op gronden die op de kaart zijn voorzien van aanduiding "bebouwing ten behoeve van sierteelt";

b. de gebouwen uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van volwaardige bedrijven met een minimale omvang van 1,5 ha;

c. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen ten hoogste 500 m² zal bedragen;

d. de hoogte van een gebouw ten hoogste 5,00 m. zal bedragen;

de dakhelling van een gebouw ten minste 15 graden zal bedragen;

e. met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in artikel 3, lid 3, onder B en G.

2.18.4.    Ingevolge artikel 3, derde lid, onder B van de planvoorschriften dient ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, gestreefd te worden naar het instandhouden c.q. tot stand brengen van een, in stedenbouwkundig opzicht, samenhangend bebouwingsbeeld.

Ingevolge artikel 3, derde lid, onder G van de planvoorschriften dient ten aanzien van de plaats en afmetingen van bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, rekening te worden gehouden met het instandhouden c.q. het tot stand brengen van de natuurwaarden van het landelijk gebied.

2.18.5.    In het streekplan is het beschermen van de agrarische functie en groenblauwe waarden in het Agrarisch gebied met bijzondere waarden (A+) als kernpunt weergegeven.

In het streekplan is voorts vermeld dat voor A+ gebieden geldt dat het in het kader van agrarische structuurverbetering en kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied in relatie met de planvorming mogelijk moet blijven nieuwvestiging te realiseren. Bestaande bedrijven kunnen naar redelijkheid uitbreiden.

2.18.6.    In de toelichting van het bestemmingsplan wordt ten aanzien van gebieden die gekarakteriseerd worden als agrarische gebieden in een open landschap gesteld dat het voor de gemeente erg belangrijk is om deze droogmakerijen en polders te behouden en de kenmerkende openheid daarvan te waarborgen. Hoofduitgangspunt voor deze gebieden is om de landbouw hier, binnen acceptabele ruimtelijke, natuurlijke en milieutechnische randvoorwaarden, voldoende ontwikkelingsruimte te bieden.

2.18.7.    In het rapport van Adviesbureau Clevin van 1 juni 2006 is vermeld dat door intensivering van het teeltareaal, de modernisering dan wel mechanisering van de bedrijfsexploitatie en arbotechnische eisen (onder andere kantine en sanitaire voorzieningen), er een tekort is aan doelmatige bedrijfsruimte. Gelet hierop en gelet op de aard, de inrichting en de continuïteit van het bedrijf, is dit adviesbureau van mening dat de bouw van circa 450 m² bedrijfsruimte voor een doelmatige bedrijfsvoering nodig is te achten. De voorgenomen bouw op de beoogde locatie wordt in dit rapport het meest doelmatig geacht.

Het oordeel van de Afdeling

2.19.    Hoewel aan het door appellanten genoemde Integraal Ontwikkelingsplan Tuinbouw Rijn en Veenstreek en de transformatievisie "Aar- en Amstelzone" niet de bindende waarde toekomt waar zij van uitgaan, dient, zowel op basis van provinciaal als gemeentelijk beleid, onder meer de openheid van het landschap in het onderhavige gebied te worden beschermd. Niet kan worden ontkend dat door de voorziene bebouwing de openheid van het landschap wordt beperkt.

   Hier staat tegenover dat het plandeel waarop het bouwvlak is aangegeven vrijwel aansluit op de kern van Ter Aar. Door de genoemde ligging van het bouwvlak en de aanwezigheid van de bebouwing aan de Kerkweg ten noorden van het bouwvlak, is sprake van een beperkte aantasting van de openheid van het landschap. Hierbij betrekt de Afdeling tevens het feit dat de bebouwing ingevolge de planvoorschriften niet hoger mag zijn dan vijf meter. Ten aanzien van de andere in het provinciale en gemeentelijke beleid genoemde waarden hebben appellanten, mede gelet op de huidige situatie ter plaatse van het in het geding zijnde perceel, een aantasting niet aannemelijk gemaakt. Voorts is het standpunt van verweerder dat het beleid ruimte biedt voor uitbreiding van bestaande bedrijven gelet op overweging 2.18.5 en 2.18.6 juist.

   Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder niet ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de in het plan voorziene bebouwing past binnen het provinciale en gemeentelijke beleid.

   Voor zover appellanten stellen dat de noodzaak van bedrijfsruimte niet aanwezig is, overweegt de Afdeling dat het feit dat de door appellanten bedoelde andere bedrijven geen bedrijfsruimte nodig hebben niet met zich brengt dat dit ook geldt voor het onderhavige bedrijf. Voorts overweegt de Afdeling dat uit het door verweerder overgelegde deskundigenrapport, zoals voor zover hier relevant weergegeven in overweging 2.18.7, de noodzaak van de in het plan voorziene bedrijfsbebouwing blijkt en dat appellanten het rapport niet met een tegenrapportage van een deskundige hebben betwist. Voor zover appellanten stellen dat de omvang van de op grond van het plan mogelijk gemaakte bebouwing te groot is, overweegt de Afdeling dat de in het plan voorziene omvang niet een reeds toegekende maar een maximaal toe te kennen omvang betreft waarvan blijkens het door verweerder aangevoerde deskundigenrapport in de huidige situatie al 450 m² benodigd is voor een goede bedrijfsvoering. Verder overweegt de Afdeling dat bij het besluit tot verlening van vrijstelling rekening moet worden gehouden met het in de Beschrijving in Hoofdlijnen gestelde en met name met hetgeen in overweging 2.18.4 is weergegeven. De Afdeling is derhalve van oordeel dat het standpunt van verweerder dat de noodzaak voor bedrijfsruimte aanwezig is en dat ingevolge de planvoorschriften bij de beslissing omtrent de verlening van vrijstelling nog een afweging moet worden gemaakt omtrent de omvang en situering van bebouwing niet onredelijk is.

   Voor zover appellanten wijzen op besluiten met betrekking tot bebouwing die zijn genomen onder de werking van het oude bestemmingsplan "Landelijk gebied", overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan, en op basis daarvan genomen besluiten, geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

   Wat betreft de door appellanten aangevoerde vermindering van het uitzicht overweegt de Afdeling dat niet kan worden ontkend dat wanneer vrijstelling voor de bebouwing wordt verleend en die bebouwing wordt gerealiseerd, het uitzicht van appellanten wordt aangetast. Gelet op de in overweging 2.18.2 genoemde afstanden van de woningen van appellanten tot de grens van de aanduiding "bebouwing ten behoeve van sierteelt" en gelet op de beperkte maximale hoogte van bebouwing, is de Afdeling echter van oordeel dat de aantasting van het uitzicht niet zodanig zal zijn dat verweerder aan dit belang meer gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van appellanten betreft, bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

   Ten aanzien van het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet terzake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij ambtenaren, maar bij de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van gerechtvaardigde verwachtingen goedkeuring aan het plan te onthouden.

   Voor zover appellanten bezwaar hebben gemaakt tegen de wijze waarop de gemeenteraad de ingediende zienswijzen en verweerder de ingediende bedenkingen heeft behandeld, overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat de gemeenteraad respectievelijk verweerder de bezwaren samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze of de bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van de gemeenteraad of het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Eindoordeel

2.20.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit wat betreft de plandelen met respectievelijk de bestemming "Agrarisch gebied in een open landschap" op de gronden ter plaatse van het perceel, kadastraal bekend gemeente Ter Aar, sectie […], no. […] en de bestemming "Recreatieve doeleinden", niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre dient te worden vernietigd.

   Wat betreft artikel 8, lid B, onder 2, sub f, van de planvoorschriften en wat betreft de aanduiding "bebouwing ten behoeve van sierteelt" op het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied in open landschap" ter plaatse van de percelen aan de [locatie], kadastraal bekend gemeente Ter Aar, nummers […] en […], heeft verweerder zich, gezien het vorenstaande, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het artikel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening respectievelijk de aanduiding niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen het college van burgemeester en wethouders respectievelijk [appellanten sub 3] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor het overige anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft onthouden respectievelijk verleend aan het plan.

Proceskosten

2.21.    Ten aanzien van [appellant sub 2] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Ten aanzien van de beroepen van het college van burgemeester en wethouders en van

[appellanten sub 3] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 11 april 2006, kenmerk DRM/ARW/05/9433A, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied in een open landschap" ter plaatse van het perceel, kadastraal bekend gemeente Ter Aar, sectie […], no. […], en het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden";

III.    verklaart de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Ter Aar en [appellanten sub 3] ongegrond;

IV.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H.P.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra       w.g. Matulewicz

Voorzitter          ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

45-535.