Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7048

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200608730/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college) een aanvraag van appellant om uitbreiding van zijn standplaats geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608730/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3954 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 oktober 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college) een aanvraag van appellant om uitbreiding van zijn standplaats geweigerd.

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 oktober 2006, verzonden op 24 oktober 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 februari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2007, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. A.D.J. van Ruyven, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.G.W. van Heugten en C.E.J. Adams-van der Wolde, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de door appellant opgeroepen mr. drs. M.A. Paulussen-van Veghel, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7 van de Marktverordening gemeente Valkenswaard 2004 (hierna: de Marktverordening) is het verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Marktverordening bepaalt het college ten aanzien van de markt het aantal standplaatsen, de afmetingen van de standplaatsen, de opstelling en indeling van de markt en welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats.

   Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Marktverordening stelt het college voor de markt een lijst met artikelengroepen of branches en een maximum aantal standplaatsen per branche vast.

   In artikel 7, tweede lid, van de Uitdelingsregeling gemeente Valkenswaard 2004 (hierna: de Uitdelingsregeling) is, voor zover thans van belang, opgenomen dat toewijzing van een standplaats bij de halfjaarlijkse uitdeling slechts geschiedt indien en voor zover de marktvergunninghouder met de toewijzing niet meer dan 12 strekkende meters totale vaste standplaatsgrootte inneemt en indien en voor zover met de toewijzing geen overschrijding plaatsvindt van het in het branchepatroon bepaalde maximum aantal meter.

   In artikel 13 van de Uitdelingsregeling is opgenomen dat het college beslist in bijzondere gevallen waarin die regeling niet voorziet.

   In het bij het Branchebesluit gemeente Valkenswaard 2004 behorende Branchepatroon 2004-2007 (hierna: het Branchepatroon) is opgenomen dat het maximaal aantal verkoopmeters voor de vis- en visproductenbranche 48 meter en het huidige totaal voor deze branche 52 meter bedraagt.

2.2.    Appellant klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de afwijzing van zijn verzoek om uitbreiding van zijn standplaats van 12 naar 16 meter in bezwaar ten onrechte heeft gehandhaafd. Hiertoe betoogt hij, samengevat weergegeven, dat de Uitdelingsregeling en het Branchepatroon, zoals door het college ten grondslag gelegd aan de afwijzing, onredelijk zijn, dat bij hem in het verleden het vertrouwen is gewekt dat de gevraagde uitbreiding zou worden toegestaan, dat het college daarom gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, en tot slot dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat een andere standhouder wel, in strijd met het beleid, uitbreiding van diens standplaats vergund heeft gekregen.

2.3.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het in het bij het Branchebesluit behorende Branchepatroon opgenomen maximaal aantal verkoopmeters voor de vis- en visproductenbranche van 48 meter haar niet kennelijk onredelijk voorkomt. De enkele mogelijkheid dat dit aantal meters feitelijk nog kan worden uitgebreid, zoals appellant stelt, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dat in weerwil van de door appellant eerder gedane verzoeken om uitbreiding de Uitdelingsregeling ten nadele van hem is gewijzigd in die zin dat de maximale standplaatsgrootte is vastgesteld op 12 meter, is geen omstandigheid die leidt tot het oordeel dat deze regeling in zoverre kennelijk onredelijk is. Voorts volgt de Afdeling de rechtbank in haar oordeel dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel dan wel het verbod van willekeur faalt, omdat hij er niet in is geslaagd aan te tonen dat aan hem rechtens te honoreren (schriftelijke) toezeggingen zijn gedaan. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat het, overigens niet nader onderbouwde, beroep van appellant op artikel 13 van de Uitdelingsregeling niet slaagt. Dat een andere standhouder, in strijd met die regeling, vergunning heeft gekregen voor uitbreiding van zijn standplaats, leidt er niet toe dat appellant een geslaagd beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod van willekeur, reeds omdat in dat geval, anders dan bij appellant, sprake was van gedane toezeggingen. De rechtbank heeft het beroep van appellant terecht en op goede gronden ongegrond verklaard.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena                           w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer                  ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007.

318